Recensie: De Fluisteraar

De Fluisteraar, Karin Fossum, vertaald door Lucy Pijttersen, Uitgeverij Marmer BV, Baarn, maart 2017.

Ragna Riegel is een eenzame vrouw van halverwege de veertig. Ze werkt bij Europris en leidt een teruggetrokken bestaan. Door een operatie die verkeerd is gegaan, heeft ze geen stem meer, ze kan alleen nog maar fluisteren. Ragna wordt door Karin Fossum in De Fluisteraar als volgt beschreven:

Als de wind een vonk had meegevoerd, had haar haar waarschijnlijk vlam gevat, het was droog als hooi en zij zag bleek als papier.

Later zegt Ragna over zichzelf als ze in de spiegel kijkt:

Ze was glad en roze als een zalm, en de spiegel besloeg zodat ze zichzelf niet kon zien, ze zag alleen een schim. Ik ben altijd al vaag geweest, bedacht ze, niets nieuws onder de zon.

Ragna is opgegroeid bij haar moeder en een zieke vader. Op haar zestiende heeft Ragna één nacht doorgebracht met een veel oudere Zweedse man, ze raakt zwanger en krijgt een zoon, Rikard Josef. Hij wordt door Ragna en haar moeder opgevoed. Na het overlijden van Ragna’s ouders zijn Ragna en Rikard Josef alleen achtergebleven.

Op zijn zeventiende is Rikard Josef naar Berlijn vertrokken en stuurt alleen jaarlijks verjaardags- en kerstkaarten. Rikard Josef is manager in een duur hotel, Ragna is trots op haar zoon en zou graag meer contact willen. Ragna’s leven verandert abrupt op het moment dat zij een dreigbrief krijgt.

We leren Ragna kennen in de verhoorkamer van Konrad Sejer. Ragna is voor een misdaad gearresteerd en wordt door Sejer verhoord.

Hij deed haar denken aan oud houtwerk of aan boomstammen in een rivier, iets zwaars en drijvends.

Aan het begin van De Fluisteraar weten we niet wat er gebeurd is, Fossum laat alleen doorschemeren dat Ragna iets vreselijks heeft gedaan. Waarom heeft deze schuchtere, onopvallende vrouw gedaan wat ze heeft gedaan? Met behulp van flashbacks vanuit Ragna’s perspectief, afgewisseld door verhoren door Sejer komen we uiteindelijk achter de waarheid.

Op indrukwekkende wijze neemt Fossum je mee in de wereld en het hoofd van Ragna. Haar woordkeuze en manier van schrijven zorgen dat je Ragna echt leert kennen. De gedetailleerde beschrijvingen van het kleine wereldje en de dagindeling van Ragna, haar dwangmatige trekjes (het tellen van het aantal stappen van de brievenbus naar haar huis, bijvoorbeeld) zorgen ervoor dat je als lezer steeds blijft doorlezen. De Fluisteraar laat je niet los. De ontknoping en vooral het slot is origineel en onverwacht en zorgt dat het boek ook na het lezen nog even blijft hangen.

Advertisements

Scandinavische Kunst: Rosemaling

Je ziet het volop in Noorse toeristenwinkeltjes: rosemaling, ofwel decoratief bloemen schilderen. Deze vorm van decoratie op houten objecten zoals servetringen, bekers, schaaltjes, doosjes en meubilair, stamt uit ca. 1740 en is in het oosten van Noorwegen ontstaan. Rosemaling komt vooral veel voor in Telemark en Hallingdal. Deze kunstvorm heeft zich ontwikkeld uit een vroegere vorm van decoratief schilderen, soms gecombineerd met goud ingelegd acanthus-houtsnijwerk. Onder invloed van barokke en rococo kunststijlen is het decoratieschilderen van de stedelijke aristocratie naar het Noorse platteland overgewaaid. Op het armere platteland worden de gouden accenten vervangen door de daar populaire bonte, heldere kleuren die ook bekend zijn van decoraties van de bunad.

Vanaf halverwege de jaren 1700 reizen arme kunstenaars door Noorwegen en schilderen kerken, huizen en later ook meubilair en objecten in ruil voor geld of onderdak. Rosemaling raakt zo ook in het westen van Noorwegen en op het platteland bekend, waar de kunstenaars steeds meer experimenteren en hun eigen stijl ontwikkelen. Tegenwoordig zijn er drie stijlen te onderscheiden: Telemark, Hallingdal en Rogaland. De motieven zijn vergelijkbaar en bestaan uit bloemen (acanthus, ook veel in Griekse en Romeinse kunst gebruikt), versierd met krullen en ranken, soms worden ook dieren en mensen afgebeeld.

Deze vorm van decoratieschilderen is niet exclusief voor Noorwegen. In Nederland zagen we vergelijkbare motieven in de Hindelooper schilderstijl. Hindeloopen ontwikkelde zich in de 17e eeuw tot een belangrijk en welvarend handelscentrum in Nederland. Door de houtvaart was er veel contact met Noorwegen en andere landen; van deze reizen brachten handelaars van de Verenigde Oost-Indische Compagnie souvenirs als Chinees porselein, gedecoreerde katoenen stoffen en Noorse geschilderde objecten en meubels mee. De motieven en decoraties beïnvloedden de smaak van de Hindelooper schilders, hetgeen tot uiting kwam in hun decoratieschilderingen. Rosemaling en Hindelooper schilderwerk hebben elkaar daardoor beïnvloed en kennen veel overeenkomsten.

Vanaf halverwege de jaren 1800 raakte rosemaling in Noorwegen minder populair. Met verschillende emigratiegolven naar Amerika, waarbij Noorse emigranten in met rosemaling beschilderde kisten hun inboedel meenamen, is rosemaling ook in Amerika terechtgekomen. Daar wordt de interesse in rosemaling in de 20e eeuw weer aangewakkerd en beleeft het nu een opleving. Er worden wedstrijden georganiseerd en er zijn verenigingen opgericht. Er worden zelfs gemberkoekjes gedecoreerd met patronen uit de rosemaling.

Kaupang en Dorestad

De Vikingen en de Friezen, Kaupang en Dorestad
Het huidige Nederland is in de 7e eeuw voornamelijk een veenmoeras. De belangrijkste plaatsen liggen vooral langs de kust en in de buurt van kanalen en rivieren. De Rijn en de Lek zijn in deze periode belangrijke handelsroutes. De inwoners van deze streek worden Friezen genoemd. Ze wonen langs de kust tussen het huidige west Vlaanderen en Noord Duitsland: Friesland, Frisia genoemd, dat in die tijd bestaat uit een groep op zichzelf staande ‘eilandjes’. De Friezen staan bekend als uitstekende handelslieden en zeevaarders. Dorestad, het huidige Wijk bij Duurstede, is een belangrijke handelsstad. De stad bestaat uit een grote haven met een paar duizend inwoners. In Dorestad vindt veel handel en ruilhandel plaats, maar er worden ook zilveren en gouden munten ingezet als betaalmiddel. Deze munten zijn later door heel Europa teruggevonden.

In de 8e eeuw wordt Frisia door de Franken veroverd en Karel de Grote lijft Frisia in 785 officieel in tot zijn rijk. Omdat het moerassige kustgebied moeilijk te verdedigen is, raken de Franken Frisia rond 830 weer kwijt aan Deense Vikingen. Vanuit Dorestad beginnen Vikingen plaatsen in de buurt te plunderen, ze vullen hun schepen met kostbare goederen en varen weer terug naar huis. Er is nooit bewijs gevonden dat de Vikingen ook Dorestad zelf hebben geplunderd. In de 9e eeuw raakt Dorestad haar positie als belangrijkste handelsstad kwijt, de oorzaak is onbekend. Het kan zijn dat Utrecht belangrijker is geworden, of dat de loop van de Rijn veranderd is waardoor deze niet meer langs Dorestad loopt. In Nederland zijn overblijfselen van Vikingen gevonden die het bewijs vormen van de handelscontacten tussen Scandinavië en Frisia. De meeste vondsten zijn gedaan in Dorestad. In Noorwegen zijn in Kaupang overblijfselen gevonden die een link met Dorestad suggereren.

Dorestad
Een van de belangrijkste vondsten in Dorestad is de Broche van Dorestad, een rijk gedecoreerde, gouden broche. De broche is gevonden op de bodem van een put en is daar rond 850 terecht gekomen. De broche wordt in verband gebracht met plunderingen door de Vikingen. Verder zijn er armbanden en ringen uit de 8e eeuw en naalden of haarpennen, een zilveren broche met een dierenmotief, een gesp met dierenmotief, een zilveren gesp met dierenmotieven, een spiraal armband met een abstract dierenpatroon en een zilveren schildpadbroche gevonden die alle een link met Scandinavië hebben.

Kaupang
Wat Kaupang interessant maakt in de relatie met Dorestad, is dat de handelswijk in Kaupang op dezelfde wijze is opgezet als in Dorestad het geval was. Langs het vaarwater is een gebied langs een havenweg in regelmatige percelen verdeeld, parallel aan het water. De kavels vertonen qua vorm en grootte grote overeenkomsten met kavels in Dorestad. Kaupang en een aantal vergelijkbare plaatsen (het Deense Ribe aan de westkust van Jutland, Hedeby aan de oostkant van Jutland en Birka in het Zweedse Mälarmeer) zijn rond de achtste eeuw opgekomen, in deze periode waren de Friezen dominant op zee. Mogelijk zijn deze plaatsen als Friese handel kolonies opgezet.
In Kaupang zijn vondsten gedaan die via Dorestad daar terecht zijn gekomen. Zo zijn er bijvoorbeeld glazen kralen uit het middeleeuwse kalifaat, daterend uit de 8e eeuw gevonden. Deze komen weinig voor in het oosten van Noorwegen. Daardoor is het aannemelijk dat ze in Kaupang terecht zijn gekomen via een West-Europese handelsroute.

Er zijn ook Friese aardewerken potten gevonden in Kaupang. Dit aardewerk dateert uit de 9e eeuw. Opvallend is dat zowel in Kaupang als in Dorestad vrijwel geen ‘Hunneschans’ aardewerk gevonden is. Bij ‘Hunneschans’ aardewerk, worden de potten met waterige rode of paarse verf versierd. Dit aardewerk is vanaf de laatste kwart van de 9e eeuw in opmars geraakt en op heel veel plekken in Europa gevonden. Dat het helemaal niet in Kaupang voorkomt is uitzonderlijk en toont aan dat de handel in aardewerk tussen Frisia en Kaupang stopte tussen 860 en 880. De gevonden Friese aardewerken potten zijn als kookpot gebruikt. In Noorwegen wordt er in die tijd vooral gekookt in metalen potten. Dit wijst erop dat de Friezen zich een op een gegeven moment in Kaupang gevestigd hebben.

Dagfinn Skre heeft onderzocht waarom de Friezen naar dit afgelegen, onbekende gebied in Noorwegen zijn gekomen. Hij ontdekt dat ze niet, zoals veel andere buitenlanders, gekomen zijn om goederen te produceren. De Friezen zijn juist gekomen om specifieke producten terug naar Nederland (en het continent) te brengen. Uit de vondsten blijkt dat de Friezen vooral voor het Noorse ijzer zijn gekomen. Dat is door een andere chemische samenstelling veel steviger en minder broos dan het ijzer op het continent, dus er kan veel beter staal van gemaakt worden. Dit Noorse ijzer is vanuit Kaupang naar andere landen geëxporteerd en was erg gewild in de 9e eeuw.

Bron: Skre, Dagfinn. ‘From Dorestad to Kaupang. Frankish Traders and Settlers in a 9th-Century Scandinavian Town.’ Dorestad in an International Framework. 2010. 137–141. Web.

Recensie: Norse Mythology

Norse Mythology, Neil Gaiman, W.W. Norton, februari 2017.

Neil Gaiman is zijn carrière begonnen als journalist en schrijver van ‘graphic novels’. De 75-delige reeks Sandman is zijn bekendste en meest geroemde ‘graphic novel’. Deze serie gaat over Morpheus, of ‘Dream’, heerser van de droomwereld, die door een occult ritueel gevangen wordt gezet en na 70 jaar weer vrijkomt. In Sandman wordt fantasie op een indrukwekkende manier verweven met personages, onderwerpen en locaties uit wereldliteratuur, mythologie en geschiedenis.

Na het succes van Sandman is Gaiman ook boeken voor volwassenen en kinderen gaan schrijven. In 2001 kwam American Gods (Amerikaanse Goden in Nederland) uit. Ook in dit met een prijs bekroonde boek combineert Gaimain fantasie met geschiedenis, mythologie en een reis door Amerika.

Hoofdpersoon Shadow heeft drie jaar in de gevangenis gezeten. Na zijn vrijlating ontmoet hij de excentrieke oude man Wednesday (die later Odin blijkt te zijn). Wednesday biedt hem een baan aan als zijn persoonlijke lijfwacht. Shadow wordt meegezogen in een aaneenschakeling van wonderlijke, vaak gewelddadige gebeurtenissen en ontmoetingen met Goden uit de hele wereld als blijkt dat de oude Goden, zoals Odin en Loki, met uitsterven worden bedreigd door de opkomst van nieuwe Goden.*

Gaiman is dus niet onbekend met (oud- noordse) mythologie. In Norse Mythology blijkt dat hij zijn onderzoek grondig hee gedaan. Gaiman blij trouw aan de bronnen van het lied Edda en proza Edda en combineert deze op slimme wijze als dat voor de verhaallijn of chronologie beter uitkomt. Gaiman vertelt op geheel eigen wijze, vaak ook met humor, een aantal bekende mythen zoals Voluspá, het begin van de wereld, en Ragnarok, het einde van de wereld, maar ook Loki’s bezoek aan de reuzen en hoe Thor zijn hamer en Sif haar gouden haar krijgt. Veel van de verhalen zijn eerder aan bod gekomen in afleveringen van Scandinavische Mythologie.

Ik raad iedereen aan het luisterboek te beluisteren. Gaiman leest Norse Mythology zelf voor en hij heeft een prettige stem om naar te luisteren. In Norse Mythology – en zeker in het luisterboek – komen de oudnoordse goden echt tot leven.

*Van American Gods is in mei 2017 ook de tv-serie gestart, deze is vooralsnog te zien op Amazon Prime, maar de serie zal vast ook op de Nederlandse tv verschijnen.

Heksenvervolgingen in Noorwegen

Eerder schreef ik over Magie in mythologie en over het Steilneset monument in Vardø. In deze aflevering van Scandinavische mythologie besteed ik aandacht aan deze donkere periode van heksenvervolgingen in Europa waarin duidelijk wordt welke vreselijke consequenties bijgeloof en propaganda in combinatie met natuurgeweld en angst voor het onbekende kunnen hebben.

Angst voor heksen

In alle religies en culturen bestaan opvattingen over heksen en tovenarij. In het Westen wordt hekserij lange tijd in verband gebracht met volksgeloof. Het ongeletterde volk zoekt bij ongeluk en tegenslagen een verklaring en een zondebok. Iemand die buiten de samenleving staat of “anders”, ziek of gebrekkig is, is dan een makkelijke prooi. Vanaf de 15e eeuw wordt binnen Europa, onder invloed van het Christendom, hekserij steeds meer gerelateerd aan aanbidding van de duivel en afvalligheid van God.

Heksenvervolging in Europa

Er hebben vanaf de oudheid al veroordelingen plaatsgevonden van gebeurtenissen die aan magie worden toegeschreven, het gaat dan om misoogsten of onverklaarbare of tragische sterfgevallen waarbij een zondebok gezocht wordt. Tot de vroege Middeleeuwen blij de straf meestal beperkt tot een geldboete of verbanning. Hekserij wordt in de Middeleeuwen veelal gezien als een heidens overblijfsel en als onbelangrijk terzijde geschoven.

In 1250 verandert dit, dan wordt het kerkelijke gerecht, de inquisitie, ingesteld tegen ketterij. Vanaf 1375 verschijnen geschriften tegen hekserij waarin gesproken wordt van een ‘ketters verbond’ tussen de heks en de duivel. Als gevolg van deze geschriften worden er meer heksen dan voorheen gewelddadiger beschuldigd, gemarteld en op brandstapels verbrand.

Het ‘hoogtepunt’ van de heksenvervolging wordt bereikt tussen 1560 en 1680. Er gaan verhalen rond dat overal heksen zijn die het land willen overnemen. Deze angst leidt tot massaprocessen. Pas in 1660 verandert de mentaliteit bij de elite. Men wordt steeds sceptischer en verwerpt het concept van onstoffelijke wezens. Hierdoor laat de elite ideeën over duivelspacten en heksensabbats langzaam maar zeker varen. Ook worden processen tegen heksen tegengewerkt door rechters en wordt wetgeving aangepast waardoor processen steeds minder vaak leiden tot een veroordeling. Nadat uiteindelijk ook marteling afgeschaft wordt, komt er rond 1720 een eind aan de heksenvervolging in Europa.

Heksenvervolging in Noorwegen

Door de overgeleverde rechtbankverslagen weten we dat in de 17e eeuw veel heksenprocessen in Finnmark gevoerd worden. Dat kan verklaard worden doordat in Noord Noorwegen de lokale macht bij buitenlandse, vaak Schotse, Duitse en Deense mannen ligt. Mannen uit landen waar heksenvervolging al eeuwenlang aan de orde van de dag is. Religieuze experts in Europa beweren in die tijd dat ‘het kwaad’ uit het Noorden komt, specifiek uit Nordkalotten waar de Sami wonen. Ze beweren ook dat de noordenwind magie uit het Noorden over Europa verspreidt. De bestuurders geloven deze vooroordelen. De Sami zijn daarnaast geen Christenen en hebben de reputatie magie te bedrijven. De bestuurders raken ervan overtuigd dat zij naar deze regio zijn gestuurd om de Sami op het ‘rechte pad’ te krijgen.

De bestuurders keuren het ook af dat de Scandinavische vrouwen langs de kust vaak maandenlang alleen zijn terwijl hun mannen op zee varen om te vissen. Ze verdenken de vrouwen ervan dat ze vreemdgaan met demonen.

In 1617 wordt Oost Finnmark verrast door een plotselinge, verwoestende storm. De meerderheid van de mannelijke bevolking is op dat moment op zee. Tien boten zinken en 40 mannen sterven. In hetzelfde jaar wordt in Denemarken-Noorwegen een nieuwe wet tegen hekserij en tovenarij van kracht, die in 1620 Finnmark bereikt.

In 1621 vindt in Vardø een heksenproces plaats in het fort van Vardøhus. Uiteindelijk worden hier 77 vrouwen en 14 mannen ondervraagd, veroordeeld en verbrand.

Mari Jørgensdatter uit Kiberg wordt op 21 januari gemarteld en ondervraagd. Ze vertelt dat ze rond kerst in 1620 samen met de Duivel naar haar buurvrouw Kirsti Sørensdatter is gegaan. Kirsti nodigt haar uit om mee te gaan naar een feest bij de Lydhorn berg, net buiten Bergen. Zij verandert Mari in een vos en Mari en Kirsti vliegen vervolgens naar Bergen. Mari herkent op het feest twee mannen en een aantal vrouwen uit het gebied rond de Varangerfjord, ook zij zijn in de gedaantes van dieren, ze noemt katten, honden, zeemonsters en vo- gels. Alle heksen, behalve Kirsti, vliegen na het feest terug naar huis. Kirsti blij achter om Bergen te bezoeken.
Deze heksen zijn volgens Mari ook verantwoordelijk voor de grote storm van 1617. Dit wordt bevestigd door Else Knutsdatter. Nadat Else is blootgesteld aan de waterproef bevestigt ze Mari’s verhaal. Ze vertelt verder dat de heksen in 1617 een visdraad driemaal knoopten, erop spuugden en weer losmaakten waarna de zee als as oprees en de schepen zonken.

Kirsti Sørensdatter wordt door veel van de veroordeelde vrouwen aangewezen als hun leider. Kirsti wordt opgepakt als ze terugkomt uit Bergen. Ze wordt gemarteld en bevestigt de verhalen van de andere vrouwen. Ze wordt op 28 april 1621 op de brandstapel verbrand en is het laatste slachto er van het grootste heksenproces van Vardø.

In Noord Noorwegen zijn tussen 1621 en 1663 150 mensen ter dood veroordeeld vanwege hekserij. Alle veroordeelde mannen waren Samisch en alle vrouwen Noors.

 

Scandinavische kunst: Steilneset in Vardø

In deze aflevering van Scandinavische kunst bespreek ik een bijzonder monument: het Steilneset monument in Vardø.

noorwegen steilnesetDit monument is in 2011 geplaatst om de heksenvervolging in Vardø te herdenken. In 1621 zijn 77 vrouwen en 14 mannen in Vardø veroordeeld voor hekserij en verbrand. Het monument bestaat uit twee onderdelen en is een samenwerking van de Zwitserse architect Peter Zumthor en de Frans-Amerikaanse kunstenares Louise Bourgeois.

Zumthor heeft een indrukwekkend 125 meter lang gebouw ontworpen met een smalle gang waarin willekeurig steeds een verlicht vierkant raampje is geplaatst voor elk slachtoffer. Bij elk raam vind je een gedenkplaat met de naam van het slachtoffer en een korte tekst met de beschuldiging. Deze teksten zijn geschreven door historica Liv Helene Willumsen en zijn gebaseerd op rechtbankverslagen uit de 17e eeuw. Door elk raam is van buiten een enkele brandende gloeilamp zichtbaar, in deze verlaten regio kun je alleen aan de verlichte ramen zien welke huizen bewoond zijn.

Louise Bourgeois heeft een installatie gemaakt in een vierkant, stalen paviljoen met 17 panelen van getint glas die net de grond en het plafond niet raken. Binnen staat een metalen stoel waar (geprojecteerde) vlammen uit de zitting komen. De vlammen worden gereflecteerd in 7 ovale spiegels rondom de stoel, als rechters die de beschuldigde omcirkelen.

Steilneset_MemorialSteilneset monument, foto: Bjarne Riesto -https://www.flickr.com/photos/eager/13571909504  CC BY 2.0

Dwergen in de Scandinavische mythologie

Dwergen (svartalf, zwartelven) spelen een belangrijke rol in Scandinavische mythologie. Ze wonen ondergronds in Svartalfheim, een rijk vol mijnen en labyrinten, en ze zijn pikzwart. Hun bekendste eigenschap is dat ze fantastische smeden zijn, ze maken de beste wapens en de mooiste juwelen.

In de mythologie wordt verteld dat de dwergen gemaakt zijn uit zand en steen. Als ze blootgesteld worden aan zonlicht vallen ze ook weer uiteen in zand en aarde. Daarom wonen de dwergen ondergronds. In Gylfaginning wordt verteld dat de vier dwergen Norðri, Suðri, Austri en Vestri de hemel op hun schouders dragen.

Hun status als gedreven ambachtslieden wordt geïllustreerd doordat dwergen verantwoordelijk zijn voor de drie belangrijkste godenartefacten. Zo worden de dwergen Brokk en Eitri genoemd als makers van Thors hamer Mjölnir, Odins armring Draupnir en Gullinbursti, het gouden wilde zwijn van Freyr. Zij maken deze voorwerpen om aan Loki te bewijzen dat zij mooiere dingen kunnen maken dan de dwergen die ‘de zonen van Ivaldi’ worden genoemd. De zonen van Ivaldi hebben bijvoorbeeld Gungnir, de speer van Odin, en Skíðblaðnir, de opvouwbare boot van Freyr gemaakt.

Helaas voor Loki slagen de dwergen erin om de zonen van Ivaldi te overtreffen, Loki heeft namelijk zijn eigen hoofd ingezet in de weddenschap. Hij weet zich eruit te praten door de dwergen er op te wijzen dat ze zijn nek moeten doorsnijden om zijn hoofd te krijgen, en zijn nek is natuurlijk nooit onderdeel geweest van de weddenschap! De dwergen moeten hem daar gelijk in geven maar laten zijn bedrog niet ongestraft: ze besluiten om zijn mond dicht te naaien zodat hij anderen niet kan bedriegen met zijn woordspelletjes.

Dwergen zijn ook zeer bedreven in het werken met goud, ze kunnen er zelfs haar van maken. In Skáldskaparmál lezen we hoe de dwergen haar van goud maken, zo fijn als zijde en zo licht dat zelf een vogel het gewicht niet kan voelen. Dit alles omdat Loki als grap het haar van Thors vrouw Sif heeft afgeknipt en alleen haar van goud Sif weer gelukkig kan maken.

Andere voorwerpen die in de mythologie terugkomen zijn een helm, Huliðshjálmr, met een bijbehorende cape die er voor zorgen dat de dwergen onzichtbaar worden en een ring die vergelijkbaar is met Odins Draupnir. Deze ring is gemaakt door de dwerg Andvari, Waakzaam.

Andvari leeft onder een waterval en kan zichzelf veranderen in een snoek. Hij heeft een ring gesmeed, Andvaranaut (het geschenk van Andvari) met dezelfde magische eigenschap als Draupnir: ook uit deze ring komen elke negende dag acht nieuwe ringen. Andvari is schatrijk geworden. Op een dag wordt Andvari in zijn gedaante als snoek gevangen door Loki die op zoek is naar goud. Loki eist al het goud van Andvari en in zijn hebzucht pakt hij ook de ring. Andvari vervloekt de ring en zijn schat: iedereen die de volledige schat bezit, zal sterven.

Er zijn ook dwergen beroemd (of berucht) geworden om andere dingen dan de voorwerpen die ze maken. Fjalar en Galar, bijvoorbeeld. Zij besluiten om de reus Kvasir te vermoorden om zijn kennis te stelen, zijn bloed mengen ze met honing om mede te maken. Ieder die deze mede drinkt, wordt dichter of geleerde. De dwergen raken de mede kwijt als ze de reus Gilling en zijn vrouw vermoorden. Suttung, de zoon van Gilling, ontdekt dat Fjalar en Galar zijn ouders hebben vermoord en bedreigt de dwergen. Om hem te sussen bieden Fjalar en Galar Suttung de magische mede aan. Suttung verstopt de mede middenin een berg en laat zijn zus Gunnlod de mede bewaken.

Een andere beroemde dwerg is Alviss, Alwijs. Zijn verhaal is een tragisch liefdesverhaal. Thrud, de mooie dochter van Thor, is als vrouw beloofd aan Alviss. Thor wil echter niet dat Thrud met een dwerg trouwt, hij eist dat Alviss eerst bewijst dat hij echt alwetend is. Alviss stem toe, verblind door liefde voor Thrud. Thor begint vraag na vraag af te vuren op Alviss, de vragen gaan over alle werelden, over de zee, de hemel, de aarde, het duurt zo lang dat de ochtend aanbreekt en Alviss verrast wordt door het zonlicht waardoor hij in steen verandert.

Er is ook nog een aantal andere dwergen uit de Scandinavische mythologie eeuwen later beroemd geworden. Het is geen geheim dat Tolkien geïnspireerd is geraakt door de Scandinavische mythologie. Hij studeerde in 1915 af in Engelse filologie (taalkunde die zich op dode talen richt) met Oud-noords als extra vak. De namen die hij geeft aan zijn dwergen in De Hobbit, komen rechtstreeks uit Völuspá: Thorin met het Eikenschild, Dvalin, Bifur, Bofur, Bömbur, Nóri, Óinn, Thrór, Thrain, Fíli en Kíli. Zo leeft de Scandinavische mythologie ook in moderne media en literatuur voort.