Geen noorderlicht in de Scandinavische Mythologie

Scandinavische Mythologie

Het Noorderlicht
Het noorderlicht, of aurora borealis, heeft op velen een grote aantrekkingskracht. Tegenwoordig is alle kennis over de oorzaak van de aurora makkelijk te vinden en weten we dus waar het vandaan komt. In de Vikingtijd was deze kennis niet makkelijk te achterhalen. Als het voor ons al zo’n magisch fenomeen is, moet het in de Vikingtijd ook bijzonder genoeg zijn geweest om genoemd te worden in de mythologie en sagen. Het is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk dat het noorderlicht maar in één sage genoemd wordt en dan ook nog eentje uit 1250, ver na de Vikingtijd die van 800 tot 1100 duurde.

Het noorderlicht, of norðrljós, wordt genoemd in Konungs Skuggsjá, de Koningsspiegel. Hier zagen kolonisten uit Groenland het noorderlicht. De verteller leefde in een tijd waarin men dacht dat de aarde plat was en omringd werd door oceanen. Hij geeft drie mogelijke verklaringen voor het ontstaan van het schouwspel: misschien werden de oceanen omringd door grote vuren, mogelijk was er brand op Groenland, of gletsjers konden zoveel energie opslaan dat ze uiteindelijk licht uitstraalden.

In de Edda en in andere vroegere teksten, ontbreekt elk spoor van het noorderlicht. In het begin van de negentiende eeuw dacht men daar echter anders over, onder invloed van de Romantiek zagen veel onderzoekers van Oudnoordse teksten in iedere reflectie van licht in een schild een verwijzing naar het noorderlicht. Lange tijd dachten onderzoekers dat de brug Bifrost naar het noorderlicht verwees, nu is algemeen aanvaard dat de brug in verband staat met de regenboog. Om het gebrek aan vermeldingen van het noorderlicht in de mythologie te kunnen verklaren, moeten we ons verdiepen in het ontstaan van het noorderlicht en de natuurkunde rondom dit fenomeen.

Het poollicht wordt veroorzaakt door de zonnewind. Deze zonnewind is vooral sterk bij uitbarstingen van plasmawolken op de zon. Bij de uitbarstingen worden grote hoeveelheden geladen deeltjes het heelal ingeslingerd. Het aardmagnetisch veld zorgt ervoor dat de deeltjesstroom bij de aarde wordt afgebogen en in de buurt van de Noord- en Zuidpool met verhoogde snelheid de atmosfeer binnendringt. De deeltjes botsen in de atmosfeer met atomen en moleculen. De energie uit de deeltjes komt dan vrij en wordt op 80 tot 1000 kilometer hoogte uitgestraald in de vorm van het kleurrijke poollicht.

Aurora borealis is niet over de hele poolcirkel te zien, het is alleen zichtbaar in een ovalen gebied rondom de geomagnetische pool (de noord- en zuidpool van het aardmagnetische veld). Soms, bij extra sterke zonneactiviteit is de aurora verder weg te zien. In 1619 zelfs tot in Italië, waar Galileo Galilei de term aurora borealis voor het eerst gebruikte om het fenomeen te beschrijven dat volgens hem een vroege, rode zonsopgang was. De geomagnetische polen bewegen door instabiliteit in de kern van de aarde. Om het extra verwarrend te maken, ligt de geomagnetische zuidpool bij de geografische noordpool en andersom.

Een eerste verklaring van het ontbreken van de vermeldingen in de mythologie ligt in deze beweging van de geomagnetische polen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat in de Vikingtijd de geomagnetische pool zich verplaatst heeft van Scandinavië richting Noord Canada en daarna richting Siberië. Omdat de pool zich verplaatste, verplaatste het gebied waarin het poollicht te zien is mee, waardoor de aurora in de Vikingtijd waarschijnlijk gewoon niet te zien is geweest boven Scandinavië.

Voor de zichtbaarheid van het poollicht is daarnaast de mate van activiteit van de zon van belang . Een maat daarvoor is het aantal zonnevlekken dat te zien is, hoe meer, hoe actiever de zon is. Een actieve zon produceert de uitbarstingen van energie, waarbij de geladen deeltjes die het poollicht veroorzaken vrijkomen. De kans op poollicht is het grootst in jaren met veel zonneactiviteit. Vroege Chinese waarnemers van zonnevlekken hebben aangetoond dat er bijna geen zonnevlekken te zien waren in de Vikingtijd. Ze legden wel een hoogtepunt vast rond 1130 en dat valt samen met een vermelding in de IJslandse annalen uit 1118 waar de winter als roðavetr, rode winter, wordt beschreven. Als de aurora buiten het normale gebied te zien is, is dat namelijk vaak als rood licht.

Een derde oorzaak van de ontbrekende vermeldingen van het Noorderlicht in de mythologie ligt in het bijgeloof van de Vikingen. De omstandigheden om het Noorderlicht te zien zijn ideaal in Scandinavië: de winters zijn lang, donker en koud. De Vikingen hadden echter veel mythes over doden die in het donker rondzwierven en de donkere elfen die in het donker nachtmerries veroorzaakten. Misschien bleven mensen daarom vaak binnen.

Tot de vorige eeuw bestond nog steeds bijgeloof over het noorderlicht, waaruit blijkt dat het niet alleen als mooi verschijnsel gezien werd. In Vestlandet dacht men dat het noorderlicht oude vrijgezelle vrouwen waren, die dansten en met witte wanten zwaaiden. Hier bestond ook een gezegde over: ‘Ho er så gamal ho kjem snart i verlyset.’ Zij is zo oud, dat zij snel naar het noorderlicht gaat.

Recensie: Kat van Dovre

De kat van Dovre en andere Noorse volkssprookjes’ is een mooi vormgegeven boek met 35 sprookjes uit de beroemde verzameling van de Noorse auteurs Peter Christen Asbjørnsen (1812-1885) en Jørgen Moe (1813-1882). Bij de sprookjes zijn de oorspronkelijke illustraties gebruikt van bekende Noorse kunstenaars, waaronder Theodor Kittelsen en Erik Werenskiold. Dankzij deze vertaling kunnen Nederlandse lezers nu voor het eerst in zeventig jaar weer rechtstreeks kennismaken met een aantal Noorse sprookjes.

Lezers die al bekend zijn met Noorse volksverhalen zullen verhalen herkennen, zoals ‘De drie bokken Bruse’. Dit sprookje gaat over drie bokken die alle drie Bruse heten. De bokken zijn klein, middelgroot en heel groot en verslaan op slimme wijze een grote, kwaadaardige trol. Andere lezers herkennen in deze verhalen misschien sprookjes van Grimm. In Noorwegen bestaat namelijk een eigen variant van ‘Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak’.

Dit laat zien dat veel bekende sprookjes over de hele wereld voorkomen en steeds zijn aangepast aan de cultuur. In het Noorse sprookje gaat de hoofdpersoon naar de noordenwind om verhaal te halen, nadat de noordenwind driemaal zijn meel gestolen heeft. In plaats van het meel, krijgt hij steeds een ander geschenk mee. Waar we in het verhaal van Grimm lezen over een tafel waar het lekkerste eten onbeperkt verschijnt, een ezel die goudstukken spuugt en een knuppel die op commando slaat, wordt er in Noorwegen over een kleedje, een bok en een stok verteld.

Het interessante nawoord van Janke Klok gaat in op de oorsprong van sprookjes en vertelt zij hoe Asbjørnsen en Moe in 1837 te werk zijn gegaan bij het verzamelen en optekenen van de verhalen. Een bijzonder detail daarbij is dat Asbjørnsen en Moe voor vernieuwing in de Noorse taal hebben gezorgd. Noorwegen was tot 1814 een provincie van Denemarken en de officiële schrijftaal was Deens. Asbjørnsen en Moe waren zeer geïnteresseerd in de mondelinge Noorse taal en gebruikten termen en uitdrukkingen uit de spreektaal om de Deense schrijftaal op te luisteren en het karakter van de verhalen te behouden. Als voorbeeld wordt kjerring ‘(oude) (getrouwde) vrouw’ genoemd; dit woord komt van het Oud-noorse kerling en komt niet voor in het Deens. In een sprookje wordt het woord gebruikt om een vrouw aan te duiden die zo eigenwijs is, dat ze na haar dood zelfs tegen de stroom van de rivier in drijft.

De vijfendertig Noorse sprookjes bevatten de wereldwijd voorkomende elementen die van een verhaal een sprookje of volksverhaal maken, zoals de herhaling, waarbij iemand vaak driemaal op de proef wordt gesteld en het gegeven dat de verhalen veelal enkelvoudig zijn, met maar één verhaallijn en centrale held(in).

Daarnaast bevatten de Noorse sprookjes de thema’s en motieven die over de hele wereld voorkomen (denk aan het voorbeeld hierboven van ‘Tafeltje dek je’), maar onderscheiden ze zich van sprookjes elders door een aantal kenmerken die ze typisch Noors maken. Zo speelt de Noordenwind een rol in een aantal sprookjes en komen er bovennatuurlijke wezens als trollen en watergeesten voor.

‘De kat van Dovre’ is door de sprookjes zelf, met de tot ieders verbeelding sprekende illustraties, de vertaling die de sprookjesstijl én het Noorse karakter in ere heeft gehouden, samen met het uitgebreide en interessante nawoord een prachtige verzameling geworden die in niets onderdoet voor verzamelingen van andere sprookjes en daarom in elke boekenkast hoort te staan.

De kat van Dovre en andere Noorse volkssprookjes, Asbjørnsen & Moe, in de vertaling van Carla Joustra, Lucy Pijttersen en Kim Snoeijing. Wilde Aardbeien, Groningen, 2014.