Magie in de Scandinavische mythologie

In de Scandinavische mythologie zien we vaak verwijzingen naar magie of magische gebeurtenissen. De meest
voorkomende woorden voor verschillende vormen van magie zijn trolldómmr (magie), gandr (magische staf), galdr (bezweren) en seiðr, waarbij seiðr de meest bekende term is. In latere teksten, na de kerstening, worden de termen hindrvitni (bijgeloof) en vantrú (ongeloof) gebruikt en deze nieuwere termen geven meteen ook weer dat de opvatting over magie veranderd is ten opzichte van de heidense tijd.

Seiðr

Seiðr betekent letterlijk ‘koord/streng’; het is een vorm van het veranderen (opnieuw ‘weven’) van iemands lot. Het is net als de andere vormen van magie een techniek om in contact te komen met de bovennatuurlijke krachten en hen te verplichten of proberen te overtuigen om te doen wat de beoefenaar wil.

Freyja en Odin worden in verband gebracht met seiðr. Van Freya wordt in Ynglinga saga gezegd dat de Vanen het beheersen en dat Freya deze kunst aan de Æsir leert:

Dóttir Njarðar var Freyja. Hon var blótgyðja. Hon kenndi fyrst með Ásum seið, sem Vönum var títt.

‘Freya was de dochter van Njord, ze zat het offer voor. Zij was de eerste die de Æsir seiðr leert, wat de gewoonte was bij de Vanen’.

Seiðr is iets waar voornamelijk vrouwen zich mee bezighouden. Odin beoefent het ook, maar hij is een uitzondering. In Lokasenna beschuldigt Loki Odin van het beoefenen van seiðr. Loki noemt het een verwijfde (ergi) kunst. In Ynglinga saga lezen we daarnaast dat het beoefenen van seiðr ervoor zorgt dat de beoefenaar zwak en hulpeloos wordt.

Magie in het dagelijks leven en wetten 

Naast de goden beoefenen gewone mensen ook tovenarij. Vrouwen die seiðr beoefenen worden vǫlva ‘drager van een (magische) staf’ genoemd. De vǫlva spelen een belangrijke rol in de middeleeuwse Scandinavische maatschappij. Het zijn meestal wat oudere vrouwen  die rondreizen, vaak met een gevolg van jonge mensen om zich heen. Ze reizen langs iedere boerderij en verlenen in ruil voor onderdak en eten en op uitnodiging magische diensten, zoals waarzeggerij, het voorspellen van de toekomst en het weer en het verkopen van amuletten.

De 13e eeuwse saga Eiríks saga rauða, over Erik de Rode, vertelt over Thorbjorg, een seiðkona of vǫlva in Groenland. Ze draagt een blauwe mantel met kap en een muts van zwarte lamswol, afgewerkt met wit kattenvel; in haar handen heeft ze de symbolische toverstaf (seiðstafr). Ze draagt een tas bij zich met amuletten die ze nodig heeft in haar wijsheid. Aan haar handen draagt ze handschoenen van kattenpels, binnenin zijn de handschoenen wit en harig. 

In wetteksten zijn deze praktijken na de kerstening meteen in de ban gedaan. In een 13e-eeuws manuscript (dat waarschijnlijk een eeuw eerder is opgetekend) uit het westelijke fjordengebied van Noorwegen, de Gulaþingslög, staat een hoofdstuk ‘Aangaande profetieën en hekserij’. In dit hoofdstuk wordt gezegd dat mensen niet in waarzeggerij, hekserij en vloeken moeten geloven en er worden straffen voorgeschreven voor mensen die er wel in geloven of die zich ermee bezighouden.

Om te weten te komen wat deze magische praktijken precies inhouden, komen we niet veel verder met deze wettekst.

De Borgarþing wetten, de overgeleverde wetten van het gebied rondom de Oslofjord, geven gelukkig meer details. Deze wetten worden gedateerd in het midden van de 12e eeuw en zijn in 14e-eeuwse manuscripten overgeleverd. Er wordt hierin verteld over een vrouw die de vinger of teen van haar kind afbijt om zo te zorgen dat het kind lang leeft. Ook wordt gezegd dat ‘de slechtste heks’ een heks is die een man, vrouw, kind, koe of kalf vernietigt. Er wordt ook gesproken over amuletten (van mensenhaar, nagels of kikkerpoten) die in bedden of houten balken gevonden worden. De plaats Finnmark wordt specifiek genoemd, er staat namelijk een straf op als iemand naar Finnmark reist voor waarzeggerij. Tenslotte worden trollenrijders, waarzeggers en mensen die in landgeesten geloven genoemd en wordt specifiek melding gemaakt van een ritueel waarbij iemand ‘buiten zit’ om de toekomst te ontrafelen. 

Dat spreuken en magie niet altijd over kikkerpoten of waarzeggerij gaan, bewijst het volgende mooie voorbeeld van een spreuk die we kunnen volgen van vroege sagen, via wetteksten van eeuwen later tot aan het huidige IJsland. Het gaat om de uitdrukking ‘til árs ok friðar’. We vinden deze uitdrukking in de Edda, waar Snorri zegt dat je bij de god Freyr moet zijn om te bidden voor ‘overvloedige oogsten en vrede’ (til árs ok friðar). In de Gulaþingslög wordt dezelfde uitdrukking gebruikt als een gebed naar Jezus en Maria voor overvloedige oogst en tegenwoordig wordt het tijdens nieuwjaar nog als gelukwens gebruikt in IJsland. 

Advertisements

Recensie: Veenbrand

Veenbrand, Karin Fossum, vertaald door Lucy Pijttersen, Marmer, Baarn, 2016.

Voor Veenbrand kreeg Fossum in 2015 de Rivertonprijs voor het beste spannende boek van Noorwegen.

Veenbrand van Karin Fossum is het langverwachte 12e deel in de serie over inspecteur Konrad Sejer. Het begin van het boek schetst meteen sfeer: het is eenwarme dag in juli als inspecteur Konrad en zijn collega Jacob Skarre in een oude, roestige caravan Bonnie en haar zoontje Simon vinden. Ze zijn met messteken omhet leven gebracht. Sejer en Skarre hebben weinig aanwijzingen en staan voor een raadsel.

In de rest van het boek vertelt Fossum, springend door de tijd en wisselend tussen drie verschillende perspectieven, het verhaal achter deze moorden. Centraal staat de vraag: wie voelt er zoveel woede jegens een kleine jongen en zijn vriendelijke, zachtaardige moeder?

We lezen natuurlijk over Konrad Sejer en Jacob Skarre die de moord op moeder en zoon proberen op te lossen. Ze interviewen familie en getuigen en stellen honderden vragen, wanhopig proberend om aanknopingspunten te vinden. Steeds als ze denken er bijna te zijn, blijken ze toch op het verkeerde spoor gezet te zijn.

We lezen over hoe Bonnie en Simon enkele maanden eerder leefden. Bonnie was een hardwerkende moeder, ze hadden het niet breed. Toch genoten ze van hun eenvoudige leven. Bonnie wilde niets anders dan het Simon naar de zin maken en had alles voor hem over.

We maken verder kennis met de 21-jarige Eddie, 130 kilo zwaar. Eddie heeft een niet nader genoemde psychische stoornis en woont bij zijn moeder. Zijn vader heeft hen een aantal jaren eerder in de steek gelaten voor een jongere vrouw. Zijn moeder praat daar niet meer over, zeker niet met Eddie. Eddie vult zijn dagen met het oplossen van kruiswoordpuzzels en eten en wil niets liever dan zijn vader vinden.

Fossum is een kei in het schrijven van realistische personages met veel diepgang. De kracht van haar boeken zit hem niet in spanning en sensatie, cliffhangers of schrikmomenten. Fossum maakt ietslos bij haar lezers, ze weet een voelbare, beklemmende, wat onbestemde spanning te creëren. Ze zorgt ervoor dat je meeleeft met deze personages en aan hen blijft denken.

Ondanks dat je steeds meent te weten hoe het werkelijk in elkaar zit en wat het verband is tussen de verschillende personages, geeft Fossum op het einde toch nog een enigszins verrassende, tragische wending aan het verhaal.

Al met al is Veenbrand een boek wat na het lezen nog in je hoofd blijft rondspoken, een aanrader dus voor de komende herfst!