Het getal 3 in de Scandinavische mythologie

In bijna alle culturen wordt aan bepaalde getallen symbolische betekenissen toegekend. Deze verschillen in diverse culturen. In Nederland zien we dat terug bij het getal 11, dat veel mensen als het gekkengetal zien. Carnaval begint (dan) ook op de 11e dag van de 11e maand. Het getal 13 zien we collectief als het ongeluksgetal en als de 13e dag van een maand op een vrijdag valt, hebben we helemaal de poppen aan het dansen! Wat maakt getallen zo bijzonder?

Getalstelsels

Er zijn verschillende redenen waarom we bepaalde getallen belangrijk of herkenbaar vinden, zo maken wij gebruik van het tientallig stelsel, dat is terug te herleiden naar onze twee handen met elk 5 vingers.

Niet iedereen maakte echter gebruik van deze handigheid, de Babyloniërs gebruikten een zestigtallig stelsel dat ze van de Sumeriërs hadden geleend. Dat klinkt in eerste instantie heel lastig, maar wij maken daar nu ook nog steeds gebruik van bij onze uren en minuten. Een uur heeft immers 60 minuten en een minuut bestaat uit 60 seconden. Ook gebruiken we het zestigtallig stelsel om cirkels te verdelen in 6 x 60, dus 360 graden. Het getal 60 is een ‘hogelijk samengesteld getal’ dat houdt in dat het getal deelbaar is door meer getallen dan elk kleiner positief getal. 60 is deelbaar door 12 getallen, terwijl 100 slechts deelbaar is door negen getallen. Dit maakt 60 een goed getal om voor tijdsindeling te gebruiken.

Het principe van de cirkel komt ook van de Sumeriërs, zij rondden het aantal dagen in een jaar af op 360 en gebruikten daar het symbool van een cirkel voor. Door de verdeling van jaar en een cirkel in 360 delen schuift de aarde in een dag ongeveer één graad verder in zijn baan om de zon.

Symboliek in het getal 3

Uit dit uitstapje naar getalstelsels blijkt dat wat wij als normaal zien al duizenden jaren bestaat. Ook symbolische betekenissen van getallen kennen vaak een lange geschiedenis, zo vinden we beschrijvingen van getallen in de bijbel, de koran en in verschillende mythologieën. In de Scandinavische mythologie lijkt vooral het getal 3 speciaal. Dit getal komt in veel culturen en teksten terug. In de Griekse mythologie wordt het getal 3 gezien als het toppunt van volmaaktheid. Ook in het Oude en Nieuwe Testament verschijnt het getal 3 regelmatig, denk aan de 3 wijzen uit het Oosten, maar ook als de symbolische voorstelling van de Heilige Drie Eenheid.

Het getal 3 zien we in de Scandinavische mythologie vaak als een drie-eenheid: de wereldboom Yggdrasil heeft 3 wortels, er zijn 3 x 3, werelden, Loki heeft 3 kinderen gekregen van de jötunn (reus) Angrboða: Hel, de wolf Fenrir en de Midgardslang Jörmungandr. Odin heeft nog twee broers, Ville en Ve. En trollen hebben altijd 3, 6 of 9 neuzen!

Ook in verhalen komen groepen van 3 vaak voor. In Gylfaginning gaat Gylfi naar een paleis, daar ziet hij 3 tronen boven elkaar, met 3 mannen erop: De Hoge, Evenhoog en Derde. Er wordt ook verteld dat voor Ragnarök er 3 opeenvolgende strenge winters zullen komen, zonder zomer ertussen. Dit wordt de Fimbulwinter genoemd.

We zien het getal 3 ook gebruikt worden als een magisch getal: zo wordt Loki vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon en worden de ingewanden 3maal om de steen heen gedraaid. Tyr bindt de kaken van Fenrir door het touw er 3 maal omheen te slaan.

In veel mythologieën komen goden of godinnen in een godentriade voor, de 3 Nornen zijn daar een voorbeeld van, net zoals de 3 moedergodinnen Freyja, Frigg en Skaði. In de Keltische mythologie vormt de triade Badb, Macha en Emain de oorlogsgodin die de Mórrígan genoemd wordt. In het oude Egypte hadden verschillende steden een triade, een bekend voorbeeld is de triade van Heliopolis die bestaat uit Osiris, Isis en Horus.

De socioloog Georges Dumézil zag gelijkenissen tussen de godentriaden van vele Indo-Europese culturen. Volgens hem zou Indo-Europese godentrias de 3 maatschappelijke lagen vertegenwoordigen: de heersende klasse, de krijgersklasse en de boerenklasse. In deze theorie passen Odin, Freyr, en Thor, zij worden ook als een triade gezien. Odin is de god van de lucht, dood, poëzie en oorlog, Freyr is de god van de zomer en vruchtbaarheid en Thor is de dondergod en god van verwoesting.

Ik begon dit stuk met het huidige ongeluksgetal 13, ook dat heeft een lange geschiedenis. Als eerste kennen we het ongeluksgetal van het laatste avondmaal, waar Jezus voor het laatst met zijn 12 apostelen aan tafel zit. Ook in de Romeinse tijd lezen we over 13 als een getal dat ongeluk en verwoesting brengt en in de Middeleeuwen wordt verteld dat een heksencoven uit dertien personen bestaat. In de Scandinavische mythologie tenslotte, is Baldr samen met 11 andere goden op een feest. Nadat Loki als dertiende god binnenkomt, loopt het uit de hand: een streek van Loki veroorzaakt de dood van Baldr.

Om de cirkel helemaal rond te krijgen: vrijdag is een ongeluksdag door Goede Vrijdag, toen Jezus werd gekruisigd, daarnaast voerden de Romeinen en later ook de Engelsen doodvonnissen op vrijdag uit. In 1307 werden op vrijdag de 13e alle Tempeliers opgepakt op bevel van Philip de Schone, dit bleek de opmaat voor de uiteindelijke vernietiging van de orde van de Tempeliers. Met recht een ongeluksdag dus.

Advertisements

Antihelden in de mythologie

In de mythologieën van verschillende landen zijn antihelden (tricksters) te vinden. In de Scandinavische mythologie is Loki de meest bekende. In de Nederlandse mythologie kun je denken aan de vos Reynaert, bij de Kelten zie je in Ierland Briccriu en in Wales Efnisien. Een kenmerk van deze figuren is dat ze enerzijds goddelijke kenmerken en veel macht bezitten, ze zijn ook sluw en slim, maar aan de andere kant worden hun handelingen vaak belachelijk gemaakt en bestraft.

 

Loki wordt in verschillende bronnen genoemd, hij is een complex personage en is niet altijd slecht of een verrader. Er zijn ook verhalen waarin hij andere goden de helpende hand biedt. Loki kan van gedaante wisselen en neemt dan vaak de vorm van een dier aan (zo verschijnt hij als een merrie, een zalm en een zeehond). Of Loki nu goed of slecht is, nadat hij de dood van Baldr veroorzaakt, zijn de andere goden hem niet meer goedgezind.

Een van de bekendste gedichten rondom Loki is Lokasenna (Loki’s ruzie). Dit gedicht gaat over de wedstrijd in beledigingen die Loki met andere goden houdt. Het gedicht begint met Aegir die een feest houdt waar Loki niet voor is uitgenodigd. Loki vraagt een bediende waar de gasten over praten, de bediende meldt dat het over oorlog en vechten gaat en dat niemand iets positiefs over Loki te melden heeft. Loki wordt boos en dreigt naar binnen te gaan en ervoor te zorgen dat hij voor het eind van het feest iedereen tegen elkaar heeft opgezet en de drank (mede) die zij drinken met kwaadaardigheid zal vermengen.

 

Loki gaat vervolgens naar binnen, doet een beroep op de algemene gastvrijheidsregels en vraagt om een stoel en mede. De god Bragi antwoordt dat hij niet welkom is. Loki reageert daarop door Odin te herinneren aan een oude eed die zij gezworen hadden, waarin zij elkaar hadden beloofd samen te zullen drinken. Odin vraagt zijn zoon Vidar om plaats te maken voor Loki, Vidar gehoorzaamt en biedt Loki ook een beker aan. Loki proost vervolgens op de goden, waarbij hij Bragi nadrukkelijk uitsluit. Bragi is de beroerdste niet en biedt Loki een zwaard, een paard en een ring aan om hem tevreden te stellen. Loki is echter uit op onrust stoken en beledigt Bragi door zijn moed in twijfel te trekken. Bragi merkt op dat de gedragscode hem verbiedt om in de hal van Aegir te vechten, maar dat als ze in Asgard waren geweest, niemand hem had kunnen tegenhouden. Bragi’s vrouw probeert Bragi te sussen, wat ervoor zorgt dat Loki zijn beledigingen op haar richt en uiteindelijk iedere god en godin op het feest op zijn of haar tekortkomingen wijst. Dan komt Thor binnen. Hij dreigt Loki te onthoofden met zijn hamer, waarop Loki zegt dat hij de bedreigingen van Thor als enige serieus neemt en de feesthal verlaat.

 

De Lokasenna heeft overeenkomsten met het Ierse verhaal Fled Bricrenn (het feest van Briccriu). In dit verhaal organiseert Briccriu een feest in zijn nieuwe huis voor Conchobar mac Nessa en de helden van Ulster. Briccriu is echter een notoire onruststoker en hij weet dat hij iets zal moeten bedenken om de Ulstermannen op zijn feest te krijgen. De Ulstermannen zullen immers denken dat hij kwaad in de zin heeft en zal proberen ze tegen elkaar op te zetten. Na een aantal bedreigingen weet Briccriu de Ulstermannen zover te krijgen dat ze op zijn feest komen.

Briccriu zou Briccriu niet zijn als hij niet toch de Ulstermannen tegen elkaar op wil zetten. Voordat het feest begint bezoekt hij daarom achtereenvolgens de drie Ierse helden, Cúchulainn, Conall Cernach en Lóegaire Búadach en belooft hen alledrie de curadmír. Dat is de kampioenenportie, in dit geval een geroosterd zwijn, een ketel wijn en honderd in honing gebakken tarwecakes. Tijdens het feest staan de drie helden op en claimen de kampioenenportie, waarna bijna een gevecht tussen hen uitbreekt. Om dit te voorkomen wordt de kampioenenportie verdeeld tussen alle Ulstermannen en wordt er een wedstrijd georganiseerd om te bepalen wie de enige echte held is. De wedstrijd zal op verschillende plekken plaatsvinden en deels gejureerd worden door Ailill en Medb van Connacht en deels door Cú Roí van Munster. Na alle uitdagingen die de moed en vaardigheden van de helden testen, komt Cúchulainn als winnaar uit de bus. Conall Cernach en Lóegaire weigeren dit te accepteren. Cú Roí probeert een beslissing te forceren door zich te vermommen als een barbaar en daagt de helden uit hem te onthoofden en hem de volgende dag toe te staan om de helden op zijn beurt te onthoofden. Het lukt de drie de helden de barbaar te onthoofden. De barbaar pakt zijn hoofd op en loopt weg… De dag erna zijn Conall Cernach en Lóegaire nergens te bekennen, alleen Cúchulainn komt opdagen en strekt zijn nek uit. De barbaar spaart hem, laat zien wie hij werkelijk is en verklaart Cúchulainn tot enige echte held die recht heeft op de kampioenenportie.

 

In beide verhalen lezen we dat de onruststokers het allebei niet kunnen laten om mensen te beledigen en tegen elkaar uit te spelen en dat hun acties grote gevolgen hebben.

Bliksem, Bloed, Zwanen en Ingewanden

Bliksem, Bloed, Zwanen en Ingewanden: Vergelijkbare beelden van strijdwezens in Ierse en Oudnoordse mythologie

In bekende Ierse verhalen als Tochmarc Emire, ‘De hofmakerij om Emer’, vinden we een van oorsprong Germaans concept terug: vrouwen die in zwanen kunnen veranderen. Er zijn veel meer vergelijkingen te vinden. In dit artikel zal ik enkele bespreken.

Oorlogswezens die het weer beïnvloeden
In het Ierse Cath Maige Tuired Cunga, ‘Het eerste gevecht van Mag Tuired bij Cong’, is het gevecht van de Túatha dé Danann tegen de Fir Bolg in volle gang wanneer Badb, Macha en Morrígan naar de Berg van het Gijzelen gaan en naar de Heuvel van het Oproepen van de Strijdmachten bij Tara. Daar roepen ze magische regens van tovenarij op, compacte wolken van mist en een laaiende regen van vuur. Rood bloed stort uit de lucht naar beneden op de hoofden van de krijgers. Deze vrouwen werken hier samen als een trio van tovenaressen om hun eigen krijgers te helpen en te beschermen.

Dit incident heeft een parallel in het Oudnoordse gedicht Helgakviða Hundingsbana önnor, ‘De tweede ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon’. In deze ballade beïnvloeden de valkyrjur, de Walkuren, het weer. Helgi is op weg om de oorlog te verklaren aan de man die zich verloofd heef met de Walkure Sigrun, de liefde van Helgi’s leven. Sigrun beschermt Helgi tweemaal door een woeste onweersbui te bedaren zodat zijn schip veilig kan afmeren. We zien ook in andere gedichten dat de komst van de Walkuren vaak vergezeld gaat met donder en bliksem. Het is opvallend dat in beide culturen deze bovennatuurlijke wezens in staat zijn om het weer te beïnvloeden.

De rol van vogels
Walkuren zijn gedaantewisselaars, ze kunnen de vorm van een dier aannemen en kiezen meestal de gedaante van een zwaan. In Helreið Brynhildar, ‘Brynhilds Hellevaart’, geeft Odin acht zussen, waaronder Brynhild, zwanenmantels. Deze mantels maakten hen Walkuren en zorgen ervoor dat ze door de lucht kunnen vliegen. Agnar steelt de zwanenkleden van de meisjes terwijl zij aan het baden zijn, hierdoor zijn zij gedwongen hem te dienen.

In Völundarkviða, ‘De Ballade van Völund’, ontmoeten drie broers drie Walkuren aan de oever van een meer. De meisjes zijn herkenbaar als Walkuren door hun zwanenkleden. De broers verleiden de meisjes en ze brengen zeven winters samen door. Daarna vliegen de meisjes terug naar hun gevechten om nooit meer terug te keren.

Zwanenmeisjes hebben ook een andere functie: ze kunnen wensen vervullen. Ze worden daarom ook óskmeyjar genoemd, ‘wensmeisjes’. Deze naam versterkt hun connectie met Odin, aangezien Odin onder veel verschillende namen bekend is. Een van deze namen, zoals genoemd in de Snorra Edda, is Óski, afgeleid van het Oudnoordse woord ósk, ‘wens’.

In het Ierse verhaal Aided Derbforgaill, ‘De dood van Derbforgaill’, vinden we een interessante parallel met het zwanenmeisjesmotief. Nadat Derbforgaill verliefd is geworden op Cú Chulainn veranderen zij en een van haar dienstmeisjes in zwanen om zo naar Loch Cuan te kunnen vliegen, waar ze op zoek gaan naar Cú Chulainn. Volgens Aided Derbforgaill
is Derbforgaill de dochter van de koning van Lochlann, ‘Noorwegen’. Een andere variant van dit verhaal is te vinden in Tochmarc Emire, ‘De Hofmakerij om Emer’. In dit verhaal is Derbforgaill echter de dochter van de koning van de Westelijke Eilanden.

In zijn artikel ‘The deaths of Lugaid and Derbforgaill’ merkt Carl Marstrander op dat hoewel het concept van mensen in de gedaante van dieren karakteristiek Germaans is, we niet kunnen aannemen dat Aided Derbforgaill onder Noorse invloed ontstaan is. Ierse teksten van een onomstotelijk eerdere datum bevatten hetzelfde concept. Marstrander noemt Compert Conculainn, ‘De geboorte van Cú Chulainn’, en Serglige Conculainn, ‘Het ziekbed van Cú Chulainn’, als voorbeelden (Marstrander: 203).

In Serglige Con Culainn wordt een groep vrouwen hopeloos verliefd op Cú Chulainn. Zij zien een troep prachtige vogels, allemaal willen ze wel een paar hebben en Cú Chulainn schiet voor iedere vrouw een paar uit de lucht. Voor zijn eigen vrouw heeft hij echter andere vogels op het oog; hij ziet namelijk twee nog mooiere vogels die door een rood-gouden ketting met elkaar verbonden zijn. Cú Chulainns vrouw verbiedt hem op deze vogels te jagen, volgens haar gevoel bezitten deze vogels een bepaalde bovennatuurlijke kracht. Cú Chulainn trekt zich niets aan van de waarschuwing van zijn vrouw en schiet toch. Hij doorboort echter alleen maar een van de vleugels van een vogel met zijn speer en hij valt boos in slaap. In zijn slaap heef hij een visioen waarin twee woedende vrouwen hem met een paardenzweep te lijf gaan. Zwaargewond laten ze hem achter. Cú Chulainn realiseert zich dan pas dat de vogels bovennatuurlijke vrouwen zijn.

In Oidhe Chloinne Lir, ‘De tragedie van de kinderen van Lir’, verandert de jaloerse Aoife de kinderen van Lir in zwanen in plaats van ze te vermoorden. Een ander voorbeeld waaruit blijkt dat het concept van een meisje dat in een zwaan verandert ook in Ierland bekend is, is Aislinge Óengusso, ‘De droom van Óengus’. Óengus wordt verliefd op Cáer Ibormeith, de dochter van de koning van Síd Úamuin. Dit meisje neemt het ene jaar de vorm van een zwaan aan en elke dag van het andere jaar de vorm van een meisje. Dit meisje is de dochter van de koning van een síd, een bovennatuurlijke plek. Dit zou haar en haar gave om in een zwaan te veranderen in verband kunnen brengen met de Andere Wereld.

Het met bloed wassen van wapenuitrusting
Gísla saga Súrssonar, ‘De saga over Gísli Sursson’, maakt deel uit van de IJslandse saga’s die rond 1200 v. Chr. zijn opgetekend. De gebeurtenissen die in deze saga’s beschreven worden, hebben waarschijnlijk meer dan 200 jaar daarvoor al plaatsgevonden. In de saga verschijnen twee vrouwen in Gísli’s dromen: een goede en een slechte droomvrouw. De goede vrouw beschermt Gísli en voorziet hem van adviezen, terwijl de slechte vrouw hem constant herinnert aan de verschrikkelijke manier waarop hij zal sterven.

De adviezen die de goede vrouw Gísli geeft, zijn zodanig dat de indruk gewekt wordt dat deze vrouw geïnspireerd is op het christendom. Zij drukt hem bijvoorbeeld op het hart om goed te zijn voor zijn minderen en zich verre te houden van de oude religie en magie. De slechte droomvrouw komt vaker in Gísli’s dromen voor en veel van deze ontmoetingen beangstigen hem. Zij verschijnt vaak druipend van het bloed, met dit bloed wil zij Gísli insmeren en wassen. Hij realiseert zich dat zij een teken van onheil in het gevecht is en dat zij uiteindelijk tevens zijn dood voorspelt. In een latere droom vertelt zij hem dat zij alles wat de goede droomvrouw hem beloofd heef zal terugdraaien. Daarna wast ze zijn haar met bloed uit zijn wonden en plaatst een bloederige kap op zijn hoofd. Wederom staat deze angstaanjagende verschijning voor hem, haar handen druipend van zijn bloed.

Het wassen van een wapenuitrusting met bloed komt niet alleen in Oudnoordse verhalen voor. Ook in Ierse verhalen duiken soms oorlogsgodinnen op die de wapenuitrusting van een krijger met bloed wassen als een duidelijk voorteken van de dood. In Bruidne Da Choca, ‘De verwoesting van Da Choca’s hostel’, zien Cormac en zijn gevolg een rode vrouw op de oever bij een voorde een krijgswagen wassen. Als ze haar handen onderdompelt in het water, kleurt het water rood van het bloed. Cormac gruwt van dit tafereel en geef een van zijn mannen de opdracht om de vrouw te gaan vragen wat ze aan het doen is. De vrouw, strijdgodin Badb, antwoordt met een voorspelling terwijl ze op één been staat met één oog gesloten. Ze vertelt dat ze de wapenrusting van een gedoemde koning wast, deze koning zal spoedig omkomen in een gevecht. De boodschapper vertelt Cormac over deze profetie. Cormac gaat vervolgens naar Badb en vraagt haar wiens harnas ze wast. Badb antwoordt dat zij zijn eigen harnas en de harnassen van zijn gevolg wast.

In een versie van Aided Con Culainn, ‘De dood van Cú Chulainn’, genaamd Brislech Mór Maige Murthemni, ‘De grote nederlaag op de vlakte van Muirthemne’, ontmoet Cú Chulainn twee mooie jonge vrouwen die al weeklagend een bebloed kledingstuk wassen. In diezelfde versie probeert de moeder van Cú Chulainn hem drie keer melk te geven, maar iedere keer verandert de melk in bloed; dit is ook een waarschuwing dat Cú Chulainns dood nabij is (Thurneysen: 561, Hull).

In Reicne Fothaid Canainne, ‘Het gedicht van Fothad Canainne’, worden we getrakteerd op een levendige beschrijving van hoe Morrígan wordt gezien. Eerst heeft ze de vechtlust van de legers aangewakkerd tijdens de strijd en nu haar resultaat is geboekt, verschijnt zij op het slagveld om de wapenuitrustingen en een enorme hoeveelheid ingewanden te wassen. Terwijl ze wast, lacht ze een weerzinwekkende lach en werpt ze haar haar over haar schouder. Morrígan wordt hier beschreven als een afschrikwekkende vrouw die de krijgers aanmoedigt elkaar af te maken en die geniet van de gruwelen van het slagveld. Ze is een angstaanjagend voorteken van de dood.

Ierse en Oudnoordse oorlogswezens en het lot
Walkuren kunnen tot op zekere hoogte het lot beïnvloeden. Dit wordt bewezen in Völundarkviða, ‘De ballade van Völundr’. Deze ballade begint met een prozagedeelte waarin de ontmoeting met de Walkuren beschreven wordt. In het gedicht dat volgt, wordt deze ontmoeting samengevat en wordt verteld wat er gebeurde nadat de meisjes wegvlogen. In het eerste vers van het gedicht worden de meisjes omschreven als alvítur ungar/ ørlög drýgja, ‘jonge wezens die het lot van mensen bepalen’ (Oten: 114). Het is treffend dat het Oudnoordse woord ørlög zowel ‘lotsbestemming’, ‘(nood)lot’, ‘dood’ en ‘gevecht’ betekent. Drýgja betekent ‘zich bezighouden met’. ‘Lotsbestemming’ wordt als eerste betekenis gegeven, waarschijnlijk is dit de primaire betekenis, de andere betekenissen zijn echter ook opmerkelijk in deze Walkure-context. Het woord ørlög combineert de primaire functie van de Walkuren, het gevecht, met de primaire taak van de nornir, de ‘nornen’, die zich voornamelijk bezighielden met het bepalen van het lot van mensen. Dit woord verbindt deze wezens dus ook met elkaar en toont aan dat hun functies met elkaar verweven zijn. Deze connectie wordt nog duidelijker wanneer Snorre Sturluson Skuld als een van de Walkuren noemt in zijn proza-Edda (Snorre Sturluson is de twaalfde-eeuwse IJslandse dichter en geschiedschrijver die de proza-Edda heef samengesteld). Skuld is namelijk de jongste van de nornir (Sturluson: 56).

In een gedicht uit Njáls saga, ‘De saga van Njál’, genaamd Darraðarljóð, ‘De ballade van Dorrud’, wordt een gruwelijk beeld van de Walkuren geschetst. Een man ziet vrouwen, die zichzelf Walkuren noemen, weven met menselijke ingewanden. Ze gebruiken mensenhoofden als gewichten in het weefgetouw, een zwaard om het weefsel aan te slaan en een pijl als de spoel. Druk wevend zingen ze een gedicht waaruit blijkt dat het weven een waarschuwing is voor de slachtpartij die zal volgen. De vrouwen zingen dat ze de koning zullen volgen naar het slagveld, ze zijn immers Walkuren, zij kiezen de krijgers die in de strijd zullen vallen. Het gedicht voorspelt verder dat de Ierse krijgers gaan verliezen:

Tronge tider
vil timast irar,
aldri av minnet
vil det øydast.
Voven er veven
og vollen blodraud.
Fælslege tidender
vidt skal fara.

“Slechte tijden zijn in aantocht voor de Ieren, nooit uit het geheugen gewist. Het web is geweven en het slagveld is bloedrood. Vreselijk nieuws zal ver reizen.”

Ook de hemel is roodgekleurd van het vergoten bloed. Aan het eind van het gedicht verklaren de vrouwen dat ze al neuriënd op paarden zonder zadel met getrokken zwaarden snel weggalloperen van het slagveld. Het gegeven dat de vrouwen met menselijke ingewanden weven, verbindt hen mogelijk met de nornir en daardoor ook met het lot. Van de nornen wordt immers gezegd dat ze het lot van de mensen weven.

In de Ierse verhalen ontmoeten we strijdwezens die proberen te waarschuwen voor bloederige strijd. De gevechten waar zij voor waarschuwen, gebeuren ondanks hun waarschuwing toch, hierdoor hebben hun waarschuwingen ook iets voorspellends in zich. Ze zijn immers gedoemd plaats te vinden.

In Táin Bó Cúailnge, ‘De runderroof van Cooley’, spelen oorlogswezens een grote lotsbepalende rol. Morrígan zorgt ervoor dat de runderroof wel moet plaatsvinden. Bijna strategisch steelt zij een ster die ze naar Cruachan brengt, daar zal deze ster de oorzaak zijn van de runderroof.

Morrígan heef ook de macht om een overwinning te garanderen. In Cath maige Tuired, ‘De slag van Moytura’, verzekert ze de Dagda en zijn volk van de overwinning door met hem te slapen. Wanneer Cú Chulainn haar echter afwijst in Táin Bó Cúailnge zorgt ze voor tegenslag op zijn pad.

Conclusie

Zowel in Ierse als in Oudnoordse verhalen worden strijdwezens veelal met dezelfde beelden en concepten geassocieerd, zo zien we strijdwezens die kleding en wapenrusting met bloed wassen, strijdwezens die in zwanen kunnen veranderen en strijdwezens die met het lot in verband worden gebracht. De overeenkomsten zijn treffend en de grote vraag blijft hoe deze overeenkomsten te verklaren zijn. Ze kunnen mogelijk verbonden worden aan de Vikinginvasies rond de 8ste eeuw v. Chr., maar Marstrander wijst op oudere teksten die al motieven bevatten die in beide culturen voorkomen (Marstrander: 203). Misschien dat het antwoord dan gezocht moet worden in een gezamenlijke Indo-Europese afkomst. Al met al maken de vrouwelijke strijdwezens deze verhalen een stuk interessanter, meer beeldend en bloederiger dan de helden in deze verhalen.

Bibliografie

Finch, RG. 1965. The saga of the Volsungs. Londen.

Fraser, J. 1916. ‘The frst batle of Moytura’, Ériu 8: 1-63.

Gray, EA. 1982-1983. ‘Cath Maige Tuired’, Eígse 19: 230-62.

— 1982. Cath Maige Tuired. The second batle of Mag Tuired. Irish Texts Society 52. Kildare.

Hreinsson, V. (red.). 1997. The Complete Sagas of Icelanders. 5 vols. Reykjavík: Leifur Eiríksson.

Hull, E. 1898. The Cuchullin saga in Irish literature. Londen.

Koch, JT. en J. Carey. 1994. The Celtc heroic age. Literary sources for ancient Celtc Europe & early Ireland and Wales. 4e edite 2003. Aberystwyth.

Marstrander, C. 1911. ‘The deaths of Lugaid and Derbforgaill’, Ériu 5: 201-218.

Oten, M. 1994. Edda. Amsterdam.

Sturluson, S. vert. door E. Hagen. 1973. Den yngre Edda. Oslo.
— vert. door A. Holtsmark and D.A. Seip. 2003. Heimskringla: Snorres kongesagaer. Oslo.

Thurneysen, R. 1921. Die irische Helden- und Königsage bis zum 17. Jahrhundert. Halle an der Saale.

Franken, C.J.M., ‘Bliksem, bloed, zwanen en ingewanden: vergelijkbare beelden van strijdwezens in Ierse en Oudnoordse mythologie,’ Kelten 42 (mei 2009) 7-9.

Runen

De Runen

Tegenwoordig vinden we op wc-deuren nog wel eens de woorden ‘Laura was hier’ of ‘Emma is verliefd op Thijs’. Dit is niet alleen iets van onze tijd. Ook in de Vikingtijd worden er boodschappen in hout, op voorwerpen of in muren gekrast. De oude Scandinaviërs gebruiken hier het runenalfabet voor. Het runenschrift, ook futhark genoemd naar de eerste zes tekens, is ontstaan in de Romeinse tijd, toen de Latijnse letters door heel Europa waren verspreid. Een aantal runentekens lijkt ook erg op tekens in ons eigen alfabet. De oudste inscripties stammen uit circa 200 na Chr. Oorspronkelijk heeft het runenalfabet 24 tekens, dit schrift wordt het oude futhark genoemd. Aan het begin van de Vikingtijd wordt het aantal tekens teruggebracht naar 16. Sommige tekens krijgen verschillende betekenissen; de rune voor de letter ‘u’ wordt bijvoorbeeld gebruikt voor u, o, y, ø en w. Als rond de 11e eeuw het christendom naar Scandinavië komt, wordt het Latijnse schrift steeds meer gebruikt. Runen worden echter nog tot de 15e eeuw gebruikt voor korte boodschappen. In die periode wordt het schrift ook verder uitgebreid, zodat elk karakter correspondeert met een letter in het Latijnse alfabet.

In de mythologie duiken de runen op in verband met toekomstvoorspellingen en wijsheid. Zo hangt Odin zichzelf negen dagen lang op aan de wereldboom Yggdrasil. Door zichzelf op deze manier te offeren krijgt Odin de wijsheid van de runen. In de Edda worden de runen als reginkunnr, ‘afstammend van de goden’, aangeduid. De normale mens gebruikt de runen echter voor minder verheven zaken. Op allerlei gebruiksvoorwerpen zijn boodschappen achtergelaten; de objecten variëren van juwelen (ringen of broches) tot gespen van riemen en wapens. Vaak geeft de inscriptie simpelweg aan wie de eigenaar van het object is of wie de runen erop gezet heeft. Ook zijn er inscripties op (graf)stenen gevonden. Een beroemd voorbeeld is de steen die bij de Eggja-boerderij in Sogndal is gevonden. De steen wordt gedateerd op 650-700 na Chr. De inscriptie op de grafsteen is erg lang en het is nog steeds niet zeker wat er nu precies op staat. De steen lijkt een spreuk voor bescherming van het graf te bevatten en een beschrijving van een begrafenisritueel.

Om korte berichten naar elkaar te sturen, vergelijkbaar met hoe wij nu sms’jes sturen, worden boodschappen in stokjes gekrast die door een bode naar de andere persoon worden gebracht. Op die stokjes worden bijvoorbeeld liefdesverklaringen gekerfd, zoals dit bericht dat in Bergen gevonden is: ‘Ik hou zoveel van de vrouw van die man, dat vuur koud aanvoelt voor mij. En ik ben de minnaar van die vrouw.’ Een ander stokje dat in Bergen gevonden is, meldt simpelweg: ‘Gylda zegt dat je thuis moet komen’ en weer een ander (van de ontvanger van de vorige boodschap misschien?) meldt ‘Ik zou willen dat ik vaker naar de kroeg kon.’ In de staafkerk van Lom is een stokje met een uitgebreide inscriptie gevonden uit 1200-1400: ‘Håvard zendt Guny Gods zegen en zijn vriendschap. En nu is het mijn volledige en complete wens om je om je hand te vragen, als je niet met Kolbein wil zijn. Overdenk je verwachtingen van het huwelijk en laat me weten wat je wenst.’

In de muren van staafkerken zijn veel namen van heiligen, God, Maria en het woord ‘kerk’ of teksten in het Latijn in runen gevonden. In de Hopperstad- staafkerk in Vik zijn daarnaast ook uitgebreidere teksten in het Oudnoords gevonden als: ‘Vandaag is de dag voor Palmzondag. Moge de Heer de man bijstaan die deze runen gekerfd heeft evenals hij die deze runen leest’.

Runeninscripties hebben zich met de Vikingen verspreid. Er zijn inscripties in Rusland en zelfs Bosnië gevonden, maar voornamelijk in Groot Brittannië en op de Orkney Eilanden. De grootste collectie runeninscripties en graffiti is door de Vikingen achtergelaten in Maes Howe (Orkney), een prehistorische grafheuvel met een bekamerde tombe. In een van de ruim 33 inscripties vertellen ze wat ze er in de 12e eeuw komen doen: ‘Kruisvaarders hebben in Maes Howe ingebroken. De kok van Graaf Lif heeft deze runen gekerfd. Een grote schat is verstopt in het noordwesten. Lang geleden is de schat hier verstopt. Blij is hij die deze grote schat zal vinden. Alleen Hakon heeft een schat van deze grafheuvel gebracht. Simon Sirith.’

Ook in Nederland (voornamelijk in Friesland) zijn korte runeninscripties gevonden. Er zijn voorwerpen met namen erop gevonden en een kam met het woord ‘kam’. Daarnaast is er in 1996 een zwaardschede met inscriptie gevonden in Bergakker. Dit is vermoedelijk een Frankische inscriptie uit 425-450. Deze inscriptie laat zien dat de runen door verschillende bevolkingsgroepen gebruikt werden. De runen die op de zwaardschede staan, behoren op één na tot het oudste futhark. De tekst wordt als volgt geïnterpreteerd: ‘(van) Haþuþȳw. Ik(hij?) gun(t) een vlam (zwaard) aan de uitverkorenen’. Er wordt gesuggereerd dat dit de alleroudste Nederlandse zin is. Dan zou de oudste Nederlandse zin dus in runen geschreven zijn!

Recensie: Hardlopen – Thor Gotaas

Hardlopen

Hardlopen van Thor Gotaas behandelt de geschiedenis van het hardlopen en dan vooral het langeafstandslopen. Het boek is verdeeld in twee delen: de periode van de Oudheid tot de moderne Olympische spelen in 1896, en van 1896 tot heden.

Persoonlijk vind ik het stuk over de Oudheid het interessantst. Gotaas vertelt hoe hardlopen bij de Inca’s vooral uit praktisch oogpunt gebruikt wordt:de boodschappers kunnen zo hard rennen dat ze verse vis binnen een paar uur van de kust naar het opperhoofd brengen. Ze leggen makkelijk 250 km per dag af en brengen nieuwsberichten mondeling of door middel van een touw met koorden en knopen eraan over, elke kleur staat voor een betekenis en een knoop voor een getal. In Griekenland lopen naakte jonge meisjes hard over pas verbouwde grond om vruchtbaar te worden.

De Vikingen gebruiken hardlopen om jongens tot sterke krijgers te maken en trainen hun snelheid door tegen paarden te lopen. Hardlopen wordt bij de Vikingen alleen als vermaak en training gezien. Als krijger is het belangrijker om goed te kunnen paardrijden, aangezien te voet wegvluchten voor de vijand als laf wordt gezien. Gotaas wijdt ook een hoofdstuk aan wedlopen tegen paarden bij de Ieren en de Vikingen. Hij heeft het hier over de Tailteann-games die gehouden werden ter ere van de overleden koningin Tailté. Het is jammer dat hij hier (of ergens anders in dit hoofdstuk) niet verwijst naar het bekende Oud-Ierse verhaal over Macha. Dat verhaal had perfect in het hoofdstuk gepast. In het verhaal wordt verteld hoe Macha’s man, Crunnchu mac Agnoman, opschept dat Macha sneller kan rennen dan de snelste paarden van koning Conchobor. Conchobor dwingt de zwangere Macha dan te rennen tegen zijn paarden. Macha wint en bevalt op de finishlijn van twee kinderen. Ze vervloekt de mannen van Ulster hierna en zorgt ervoor dat zij op kritieke momenten in de strijd last krijgen van weeën. Dit verhaal is in verschillende manuscripten te vinden. Het is jammer dat Gotaas, zoals in dit geval, weinig primaire bronnen gebruikt en veelal naar onderzoeken en boeken van andere auteurs verwijst.

Het tweede deel van het boek gaat over het moderne hardlopen. Gotaas noemt o.a. de Finse school van Paavo en werkt zo naar recentere hardlopers toe. Daarnaast bespreekt hij de opmars van de Afrikanen en het gebruik van doping. Al met al geeft Gotaas een interessant overzicht van de rol van hardlopen in verschillende culturen door de jaren heen. Het boek is zeer leesbaar voor mensen die niet veel van hardlopen weten, voor liefhebbers zal het nog interessanter zijn!

      Naschrift:

Hardlopen

      van Thor Gotaas, vertaald door Wouter de Jong, Athenaeum, Amsterdam 2011.

Thor Gotaas (1965) is historicus en schreef eerder over de geschiedenis van het skiën en langlaufen.