Cerball mac Dúnlaige, een Ierse koning duikt op in Oud-noordse verhalen

De Vikingen vielen Ierland voor het eerst binnen rond het jaar 795, bij het eiland Lambay. Gedurende de 40 jaar er na plunderden ze vele kloosters langs de kust. In 837 arriveerden grote konvooien Noorse schepen en stichtten de Vikingen permanente handelsposten en langs de kust de eerste Ierse steden, die begonnen als handelshavens en een steeds grotere invloed uitoefenden op de Ierse economie.

De huidige hoofdstad van Ierland, Dublin, werd in 870 door de Noorse legerleider Olaf de Witte uitgeroepen tot hoofdstad van zijn kolonie. Ondanks dat de Vikingen invloed hebben gehad in Ierland, werden ze niet met open armen ontvangen. De monniken in de kloosters voelden zich bedreigd door de Vikingen en bouwden hoge torens (met een ingang die ver boven de grond lag) om dienst te doen als klokkentoren en, nog belangrijker, uitkijkpost.

In de Vikingtijd was Ierland verdeeld in zeven provincies (Ailech, Airgialla, Connacht, Leinster, Meath, Munster en Ulster) met veel verschillende koningen die streden om de macht. Een van deze koningen was Cerball mac Dúnlaige, koning van Osraige, een koninkrijk dat van de 5e tot 9e eeuw bij Munster hoorde en daarna bij Leinster werd ingelijfd (nu County Kilkenny en het westelijke deel van County Laois).

Cerball wordt genoemd in het Boek van Leinster waarin een lijst van koningen van Osraige wordt vermeld. Van Cerball wordt hierin gezegd dat er geen enkele gemeenschap in Ierland was die weigerde hem iets te geven. In Ierland, dat verdeeld was in vele kleine koninkrijken die elkaar constant in de haren zaten en weigerden zich te verenigen, is dat van Cerball een enorme prestatie!

Cerball komt in 847 in aanraking met de Vikingen als hij de Vikingen van Dublin op een onbekende locatie aanvalt en 1200 van hen ombrengt. Enige tijd later (858) heeft hij volgens de Annalen van Ierland een verbond gesloten met Vikinghoofdman Ímar en samen plunderden zij het gebied van Aradhtíre in het noordwesten van Tipperary. In 859 sluit Amlaíb zich bij hen aan.

Van Amlaíb wordt gezegd dat hij de zoon van de koning van Lochlann (waarschijnlijk Noorwegen) is. Amlaíb was 5 jaar eerder naar Ierland gekomen en was ten tijde van zijn verbond met Cerball de machtigste Vikinghoofdman in Ierland.

Voor zijn verbond met Amlaíb, heeft Cerball ook tegen de Vikingen gevochten. In de Fragmentary Annals of Ireland staat een biografie van Cerball. Hierin lezen we hoe twee vloten Vikingschepen Osraige aanvielen. Er werd een boodschapper naar Cerball gestuurd, die hem dronken aantrof. De volgende ochtend viel Cerball de vloten aan en versloeg ze, zij het met moeite, want de alcohol belemmerde hem in het gevecht. Maar nadat hij had gebraakt, lukte het hem toch om meer dan de helft van het Vikingleger te doden.

Ook in Oud-noordse saga’s duikt Cerball op; hier wordt hij Kjarval genoemd. In Erbyggja Saga wordt verteld dat Kjarvals dochter trouwde met Eyvind ‘de Oosterling’. Zij kregen een beroemde zoon: Helgi ‘de magere’. Helgi trouwde later met een vrouw uit de Noorse kolonie in de Hebriden. Daarna vestigde hij zich in IJsland waar hij een groot stuk land in eigendom nam en dat hij het ‘voorgebergte van Christus’ noemde. Hij was echter nog niet volledig bekeerd tot het Christendom: in tijden van spanning en tijdens zeereizen vroeg hij nog vaak Thor, de god van de donder, om hulp.

In de sages wordt Amlaíb ook vermeld. De relatie tussen Cerball en Amlaíb wordt hierin nog versterkt doordat Amlaíb genoemd wordt als de zwager van Helgi, de schoonzoon van zijn dochter, een indirecte familieband dus. De zoon van Amlaíb trouwt vervolgens met de zus van Helgi (de kleindochter van Cerball), hetgeen de familieband tussen de Ierse koning en de Vikinghoofdman verder versterkt. De kinderen uit dit huwelijk trouwen vervolgens met Vikinghoofdmannen in Orkney, de Faroer eilanden en IJsland.

Kjarval maakte er een gewoonte van om familileden met invloedrijke Vikingleiders te laten trouwen. Of deze verhalen allemaal op waarheid berusten is een andere vraag. Er wordt beweerd dat de Fragmentary Annals of Ireland heel populair was bij de Noors-Ierse bevolking en dat zij de verhalen over de Ierse koningen meegenomen hebben naar IJsland, waar deze heldhaftige koning Cerball nadien is toegevoegd aan de voorouders van de IJslandse bevolking. Hoe het werkelijk is gegaan weet niemand!

Berserkers

Berserkers

Als je aan een vikingkrijger denkt, zal misschien als eerste het beeld van een woest in zijn schild bijtende krijger in je opkomen. Die allesoverheersende woede was een van de vaardigheden van Odin om gevechten te winnen. Volgens een passage in Heimskringla is Odin in staat zijn vijanden in het gevecht blind, doof of bang te maken en hij maakt hun zwaarden zo bot dat ze er niet veel meer mee kunnen uitrichten dan met stokken. Odins mannen gaan het gevecht aan zonder maliënkolders en ze zijn woest als honden of wolven, bijten in hun schilden en ze zijn zo sterk als beren of stieren. Ze doden vele mensen, en vuur noch ijzer kan hen deren. Dit wordt berserkergang genoemd.

Berserkers worden al in vroege literaire bronnen met wolven en beren in verband gebracht en bedekken zich met huiden van deze dieren en hebben namen met de elementen ulf of bjørn. Er wordt zelfs gesuggereerd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Ze vechten in groepen en er worden zware eisen gesteld aan krijgers die mee willen vechten. In Grettir’s Saga wordt verteld dat Grettir, een aspirant berserker, aan Bjorn, de leider van de berserkers, zijn kracht moet bewijzen door zijn mantel uit het hol van een beer te halen. Het lukt Grettir om de beer te doden en zijn mantel terug te pakken.

Over de berserkergang wordt geschreven dat het begint met klappertanden, rillen en een koud gevoel in het lichaam. Daarna zwelt het gezicht op en verandert het van kleur en wordt het hoofd ontzettend heet. Uiteindelijk uit de berserkergang zich in een ontembare woede waarbij de krijgers als wilde dieren huilen en over een bovenmenselijke kracht beschikken.

Berserkers worden in de sagas ook vaak beschreven als reuzen of trollen, omdat ze zo vreselijk lelijk zijn. In Orvar Odds saga wordt een berserker beschreven met zwart haar, waarvan een dikke lok zijn gezicht volledig bedekte zodat alleen zijn tanden en ogen zichtbaar waren. In Egils saga is de berserker Egil aanwezig bij een feest aan het hof van de Engelse koning Æþelstan. Egil wordt beschreven met zwarte ogen en doorlopende zware wenkbrauwen. Hij weigert tijdens zijn bezoek drank aan te nemen en blijft zijn wenkbrauwen steeds om en om optrekken. De koning vindt dat Egil zulke lelijke gezichten trekt dat hij hem uiteindelijk een gouden ring aanbiedt zodat hij ermee stopt.

De berserker en de berserkergang heeft een parallel in de Ierse mythologie waarin de zogenoemde ‘krijgerswoede’ zich bij de held CúChulain nog gruwelijker uit: Hij rilt over zijn hele lichaam waarna zijn lichaam naar achteren beginnen te buigen. Zijn knieën, kuiten en hielen verschuiven naar achteren en de spieren in zijn nek steken uit als bulten. Een oog dringt zich terug in zijn hoofd en de andere steekt uit tot over zijn wang. Zijn mond rekt uit tot aan zijn oren en het schuim stroomt uit zijn kaken. Zijn hartslagen klinken als een grote metalen drum en zijn haar staat in plukken scherp als speren overeind met aan elk uiteinde een vlam.

De berserkergang wordt in sommige gevallen “opgewekt” doordat de krijgers zich bedekken met wolven- of berenhuiden maar het kan ook spontaan optreden zoals in Egils saga. Hier wordt verteld over Skalla Grimr die zo opgewonden wordt van een langdurig balspel dat hij een jonge man doodt en zijn zoon aanvalt. Dit maakt ook duidelijk dat een man onder invloed van berserkergang geen onderscheid meer maakt tussen zijn familie en vijanden.

Als de krijgers uit de berserkergang komen, zijn ze veel zwakker dan normaal. In Egils saga wordt dit ook beschreven. Over Ulf, een gepensioneerde berserker, wordt gezegd dat hij nadat hij uit zijn berserkergang kwam zo moe en zwak was dat hij naar bed moest gaan. Helden maken gretig gebruik van deze zwakte in sagas en verslaan berserkers als ze uitgeteld en zwak van een gevecht terugkomen.

Van de berserkers wordt ook gezegd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Nu verwijst het woord berserk waarschijnlijk naar de berenvellen die deze krijgers droegen. De oudste vermelding is in Haraldskvæði (‘Het lied van Harald Mooihaar’), waar berserkers worden omschreven als bloeddorstige krijgers, bedekt met wolvenhuiden en met speren die rood zijn van het bloed. Er is ook meer tastbaar bewijs overgeleverd: we zien ze met maskers en dierenvellen afgebeeld op een tapijt dat in de Oseberg grafheuvel samen met het beroemde Vikingschip gevonden is.

Runen

De Runen

Tegenwoordig vinden we op wc-deuren nog wel eens de woorden ‘Laura was hier’ of ‘Emma is verliefd op Thijs’. Dit is niet alleen iets van onze tijd. Ook in de Vikingtijd worden er boodschappen in hout, op voorwerpen of in muren gekrast. De oude Scandinaviërs gebruiken hier het runenalfabet voor. Het runenschrift, ook futhark genoemd naar de eerste zes tekens, is ontstaan in de Romeinse tijd, toen de Latijnse letters door heel Europa waren verspreid. Een aantal runentekens lijkt ook erg op tekens in ons eigen alfabet. De oudste inscripties stammen uit circa 200 na Chr. Oorspronkelijk heeft het runenalfabet 24 tekens, dit schrift wordt het oude futhark genoemd. Aan het begin van de Vikingtijd wordt het aantal tekens teruggebracht naar 16. Sommige tekens krijgen verschillende betekenissen; de rune voor de letter ‘u’ wordt bijvoorbeeld gebruikt voor u, o, y, ø en w. Als rond de 11e eeuw het christendom naar Scandinavië komt, wordt het Latijnse schrift steeds meer gebruikt. Runen worden echter nog tot de 15e eeuw gebruikt voor korte boodschappen. In die periode wordt het schrift ook verder uitgebreid, zodat elk karakter correspondeert met een letter in het Latijnse alfabet.

In de mythologie duiken de runen op in verband met toekomstvoorspellingen en wijsheid. Zo hangt Odin zichzelf negen dagen lang op aan de wereldboom Yggdrasil. Door zichzelf op deze manier te offeren krijgt Odin de wijsheid van de runen. In de Edda worden de runen als reginkunnr, ‘afstammend van de goden’, aangeduid. De normale mens gebruikt de runen echter voor minder verheven zaken. Op allerlei gebruiksvoorwerpen zijn boodschappen achtergelaten; de objecten variëren van juwelen (ringen of broches) tot gespen van riemen en wapens. Vaak geeft de inscriptie simpelweg aan wie de eigenaar van het object is of wie de runen erop gezet heeft. Ook zijn er inscripties op (graf)stenen gevonden. Een beroemd voorbeeld is de steen die bij de Eggja-boerderij in Sogndal is gevonden. De steen wordt gedateerd op 650-700 na Chr. De inscriptie op de grafsteen is erg lang en het is nog steeds niet zeker wat er nu precies op staat. De steen lijkt een spreuk voor bescherming van het graf te bevatten en een beschrijving van een begrafenisritueel.

Om korte berichten naar elkaar te sturen, vergelijkbaar met hoe wij nu sms’jes sturen, worden boodschappen in stokjes gekrast die door een bode naar de andere persoon worden gebracht. Op die stokjes worden bijvoorbeeld liefdesverklaringen gekerfd, zoals dit bericht dat in Bergen gevonden is: ‘Ik hou zoveel van de vrouw van die man, dat vuur koud aanvoelt voor mij. En ik ben de minnaar van die vrouw.’ Een ander stokje dat in Bergen gevonden is, meldt simpelweg: ‘Gylda zegt dat je thuis moet komen’ en weer een ander (van de ontvanger van de vorige boodschap misschien?) meldt ‘Ik zou willen dat ik vaker naar de kroeg kon.’ In de staafkerk van Lom is een stokje met een uitgebreide inscriptie gevonden uit 1200-1400: ‘Håvard zendt Guny Gods zegen en zijn vriendschap. En nu is het mijn volledige en complete wens om je om je hand te vragen, als je niet met Kolbein wil zijn. Overdenk je verwachtingen van het huwelijk en laat me weten wat je wenst.’

In de muren van staafkerken zijn veel namen van heiligen, God, Maria en het woord ‘kerk’ of teksten in het Latijn in runen gevonden. In de Hopperstad- staafkerk in Vik zijn daarnaast ook uitgebreidere teksten in het Oudnoords gevonden als: ‘Vandaag is de dag voor Palmzondag. Moge de Heer de man bijstaan die deze runen gekerfd heeft evenals hij die deze runen leest’.

Runeninscripties hebben zich met de Vikingen verspreid. Er zijn inscripties in Rusland en zelfs Bosnië gevonden, maar voornamelijk in Groot Brittannië en op de Orkney Eilanden. De grootste collectie runeninscripties en graffiti is door de Vikingen achtergelaten in Maes Howe (Orkney), een prehistorische grafheuvel met een bekamerde tombe. In een van de ruim 33 inscripties vertellen ze wat ze er in de 12e eeuw komen doen: ‘Kruisvaarders hebben in Maes Howe ingebroken. De kok van Graaf Lif heeft deze runen gekerfd. Een grote schat is verstopt in het noordwesten. Lang geleden is de schat hier verstopt. Blij is hij die deze grote schat zal vinden. Alleen Hakon heeft een schat van deze grafheuvel gebracht. Simon Sirith.’

Ook in Nederland (voornamelijk in Friesland) zijn korte runeninscripties gevonden. Er zijn voorwerpen met namen erop gevonden en een kam met het woord ‘kam’. Daarnaast is er in 1996 een zwaardschede met inscriptie gevonden in Bergakker. Dit is vermoedelijk een Frankische inscriptie uit 425-450. Deze inscriptie laat zien dat de runen door verschillende bevolkingsgroepen gebruikt werden. De runen die op de zwaardschede staan, behoren op één na tot het oudste futhark. De tekst wordt als volgt geïnterpreteerd: ‘(van) Haþuþȳw. Ik(hij?) gun(t) een vlam (zwaard) aan de uitverkorenen’. Er wordt gesuggereerd dat dit de alleroudste Nederlandse zin is. Dan zou de oudste Nederlandse zin dus in runen geschreven zijn!