Antihelden in de mythologie

In de mythologieën van verschillende landen zijn antihelden (tricksters) te vinden. In de Scandinavische mythologie is Loki de meest bekende. In de Nederlandse mythologie kun je denken aan de vos Reynaert, bij de Kelten zie je in Ierland Briccriu en in Wales Efnisien. Een kenmerk van deze figuren is dat ze enerzijds goddelijke kenmerken en veel macht bezitten, ze zijn ook sluw en slim, maar aan de andere kant worden hun handelingen vaak belachelijk gemaakt en bestraft.

 

Loki wordt in verschillende bronnen genoemd, hij is een complex personage en is niet altijd slecht of een verrader. Er zijn ook verhalen waarin hij andere goden de helpende hand biedt. Loki kan van gedaante wisselen en neemt dan vaak de vorm van een dier aan (zo verschijnt hij als een merrie, een zalm en een zeehond). Of Loki nu goed of slecht is, nadat hij de dood van Baldr veroorzaakt, zijn de andere goden hem niet meer goedgezind.

Een van de bekendste gedichten rondom Loki is Lokasenna (Loki’s ruzie). Dit gedicht gaat over de wedstrijd in beledigingen die Loki met andere goden houdt. Het gedicht begint met Aegir die een feest houdt waar Loki niet voor is uitgenodigd. Loki vraagt een bediende waar de gasten over praten, de bediende meldt dat het over oorlog en vechten gaat en dat niemand iets positiefs over Loki te melden heeft. Loki wordt boos en dreigt naar binnen te gaan en ervoor te zorgen dat hij voor het eind van het feest iedereen tegen elkaar heeft opgezet en de drank (mede) die zij drinken met kwaadaardigheid zal vermengen.

 

Loki gaat vervolgens naar binnen, doet een beroep op de algemene gastvrijheidsregels en vraagt om een stoel en mede. De god Bragi antwoordt dat hij niet welkom is. Loki reageert daarop door Odin te herinneren aan een oude eed die zij gezworen hadden, waarin zij elkaar hadden beloofd samen te zullen drinken. Odin vraagt zijn zoon Vidar om plaats te maken voor Loki, Vidar gehoorzaamt en biedt Loki ook een beker aan. Loki proost vervolgens op de goden, waarbij hij Bragi nadrukkelijk uitsluit. Bragi is de beroerdste niet en biedt Loki een zwaard, een paard en een ring aan om hem tevreden te stellen. Loki is echter uit op onrust stoken en beledigt Bragi door zijn moed in twijfel te trekken. Bragi merkt op dat de gedragscode hem verbiedt om in de hal van Aegir te vechten, maar dat als ze in Asgard waren geweest, niemand hem had kunnen tegenhouden. Bragi’s vrouw probeert Bragi te sussen, wat ervoor zorgt dat Loki zijn beledigingen op haar richt en uiteindelijk iedere god en godin op het feest op zijn of haar tekortkomingen wijst. Dan komt Thor binnen. Hij dreigt Loki te onthoofden met zijn hamer, waarop Loki zegt dat hij de bedreigingen van Thor als enige serieus neemt en de feesthal verlaat.

 

De Lokasenna heeft overeenkomsten met het Ierse verhaal Fled Bricrenn (het feest van Briccriu). In dit verhaal organiseert Briccriu een feest in zijn nieuwe huis voor Conchobar mac Nessa en de helden van Ulster. Briccriu is echter een notoire onruststoker en hij weet dat hij iets zal moeten bedenken om de Ulstermannen op zijn feest te krijgen. De Ulstermannen zullen immers denken dat hij kwaad in de zin heeft en zal proberen ze tegen elkaar op te zetten. Na een aantal bedreigingen weet Briccriu de Ulstermannen zover te krijgen dat ze op zijn feest komen.

Briccriu zou Briccriu niet zijn als hij niet toch de Ulstermannen tegen elkaar op wil zetten. Voordat het feest begint bezoekt hij daarom achtereenvolgens de drie Ierse helden, Cúchulainn, Conall Cernach en Lóegaire Búadach en belooft hen alledrie de curadmír. Dat is de kampioenenportie, in dit geval een geroosterd zwijn, een ketel wijn en honderd in honing gebakken tarwecakes. Tijdens het feest staan de drie helden op en claimen de kampioenenportie, waarna bijna een gevecht tussen hen uitbreekt. Om dit te voorkomen wordt de kampioenenportie verdeeld tussen alle Ulstermannen en wordt er een wedstrijd georganiseerd om te bepalen wie de enige echte held is. De wedstrijd zal op verschillende plekken plaatsvinden en deels gejureerd worden door Ailill en Medb van Connacht en deels door Cú Roí van Munster. Na alle uitdagingen die de moed en vaardigheden van de helden testen, komt Cúchulainn als winnaar uit de bus. Conall Cernach en Lóegaire weigeren dit te accepteren. Cú Roí probeert een beslissing te forceren door zich te vermommen als een barbaar en daagt de helden uit hem te onthoofden en hem de volgende dag toe te staan om de helden op zijn beurt te onthoofden. Het lukt de drie de helden de barbaar te onthoofden. De barbaar pakt zijn hoofd op en loopt weg… De dag erna zijn Conall Cernach en Lóegaire nergens te bekennen, alleen Cúchulainn komt opdagen en strekt zijn nek uit. De barbaar spaart hem, laat zien wie hij werkelijk is en verklaart Cúchulainn tot enige echte held die recht heeft op de kampioenenportie.

 

In beide verhalen lezen we dat de onruststokers het allebei niet kunnen laten om mensen te beledigen en tegen elkaar uit te spelen en dat hun acties grote gevolgen hebben.

Berserkers

Berserkers

Als je aan een vikingkrijger denkt, zal misschien als eerste het beeld van een woest in zijn schild bijtende krijger in je opkomen. Die allesoverheersende woede was een van de vaardigheden van Odin om gevechten te winnen. Volgens een passage in Heimskringla is Odin in staat zijn vijanden in het gevecht blind, doof of bang te maken en hij maakt hun zwaarden zo bot dat ze er niet veel meer mee kunnen uitrichten dan met stokken. Odins mannen gaan het gevecht aan zonder maliënkolders en ze zijn woest als honden of wolven, bijten in hun schilden en ze zijn zo sterk als beren of stieren. Ze doden vele mensen, en vuur noch ijzer kan hen deren. Dit wordt berserkergang genoemd.

Berserkers worden al in vroege literaire bronnen met wolven en beren in verband gebracht en bedekken zich met huiden van deze dieren en hebben namen met de elementen ulf of bjørn. Er wordt zelfs gesuggereerd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Ze vechten in groepen en er worden zware eisen gesteld aan krijgers die mee willen vechten. In Grettir’s Saga wordt verteld dat Grettir, een aspirant berserker, aan Bjorn, de leider van de berserkers, zijn kracht moet bewijzen door zijn mantel uit het hol van een beer te halen. Het lukt Grettir om de beer te doden en zijn mantel terug te pakken.

Over de berserkergang wordt geschreven dat het begint met klappertanden, rillen en een koud gevoel in het lichaam. Daarna zwelt het gezicht op en verandert het van kleur en wordt het hoofd ontzettend heet. Uiteindelijk uit de berserkergang zich in een ontembare woede waarbij de krijgers als wilde dieren huilen en over een bovenmenselijke kracht beschikken.

Berserkers worden in de sagas ook vaak beschreven als reuzen of trollen, omdat ze zo vreselijk lelijk zijn. In Orvar Odds saga wordt een berserker beschreven met zwart haar, waarvan een dikke lok zijn gezicht volledig bedekte zodat alleen zijn tanden en ogen zichtbaar waren. In Egils saga is de berserker Egil aanwezig bij een feest aan het hof van de Engelse koning Æþelstan. Egil wordt beschreven met zwarte ogen en doorlopende zware wenkbrauwen. Hij weigert tijdens zijn bezoek drank aan te nemen en blijft zijn wenkbrauwen steeds om en om optrekken. De koning vindt dat Egil zulke lelijke gezichten trekt dat hij hem uiteindelijk een gouden ring aanbiedt zodat hij ermee stopt.

De berserker en de berserkergang heeft een parallel in de Ierse mythologie waarin de zogenoemde ‘krijgerswoede’ zich bij de held CúChulain nog gruwelijker uit: Hij rilt over zijn hele lichaam waarna zijn lichaam naar achteren beginnen te buigen. Zijn knieën, kuiten en hielen verschuiven naar achteren en de spieren in zijn nek steken uit als bulten. Een oog dringt zich terug in zijn hoofd en de andere steekt uit tot over zijn wang. Zijn mond rekt uit tot aan zijn oren en het schuim stroomt uit zijn kaken. Zijn hartslagen klinken als een grote metalen drum en zijn haar staat in plukken scherp als speren overeind met aan elk uiteinde een vlam.

De berserkergang wordt in sommige gevallen “opgewekt” doordat de krijgers zich bedekken met wolven- of berenhuiden maar het kan ook spontaan optreden zoals in Egils saga. Hier wordt verteld over Skalla Grimr die zo opgewonden wordt van een langdurig balspel dat hij een jonge man doodt en zijn zoon aanvalt. Dit maakt ook duidelijk dat een man onder invloed van berserkergang geen onderscheid meer maakt tussen zijn familie en vijanden.

Als de krijgers uit de berserkergang komen, zijn ze veel zwakker dan normaal. In Egils saga wordt dit ook beschreven. Over Ulf, een gepensioneerde berserker, wordt gezegd dat hij nadat hij uit zijn berserkergang kwam zo moe en zwak was dat hij naar bed moest gaan. Helden maken gretig gebruik van deze zwakte in sagas en verslaan berserkers als ze uitgeteld en zwak van een gevecht terugkomen.

Van de berserkers wordt ook gezegd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Nu verwijst het woord berserk waarschijnlijk naar de berenvellen die deze krijgers droegen. De oudste vermelding is in Haraldskvæði (‘Het lied van Harald Mooihaar’), waar berserkers worden omschreven als bloeddorstige krijgers, bedekt met wolvenhuiden en met speren die rood zijn van het bloed. Er is ook meer tastbaar bewijs overgeleverd: we zien ze met maskers en dierenvellen afgebeeld op een tapijt dat in de Oseberg grafheuvel samen met het beroemde Vikingschip gevonden is.