Bifrost en Yggdrasil

Bifrost en Yggdrasil

Bifrost, de ‘bevende weg’ en Yggdrasil, de levensboom, zijn misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende elementen uit de Scandinavische mythologie. In deze aflevering krijgen ze dan ook de aandacht die ze verdienen.

Bifrost wordt ook wel de regenboogbrug genoemd, het is een brandende brug die de verbinding vormt tussen Midgard, de mensenwereld, en Asgard, de godenwereld. De brug wordt in twee gedichten van de Poëtische Edda genoemd. In Grímnismál, ‘het lied van de Gemaskerde’, waarin veel over de Oudnoordse scheppingsbeschrijving verteld wordt, staat dat de brug in lichterlaaie staat en dat daar Himinbjörg, het ‘hemelkasteel’ van Heimdal, staat op de plek waar de brug de hemel raakt. Heimdal heerst over dit rijk en bewaakt de brug. Heimdal is herkenbaar aan zijn grote hoorn, de Gjallarhorn, als hij erop blaast is het geluid in alle werelden te horen. Hij heeft minder slaap nodig dan een vogel en bezit een paard met gouden manen en tanden. Hij kan de toekomst zien en heeft het beste gehoor en zicht van alle goden.

In Fáfnismál, ‘het lied van Fáfnis’, voorspelt de draak Fáfnis dat tijdens Ragnarok, het einde der tijden, de regenboogbrug in stukken zal breken als de zonden van Vuurgesel bewapend en omringd met vuur over de brug rijden. In de proza-Edda wordt de brug met meer details beschreven. In Gylfaginning ‘de begoocheling van Gylfi’ staat dat de brug de hemel met de aarde verbindt en de bevende weg heet, hoewel sommigen noemen hem de regenboogbrug noemen.

De brandende brug heeft drie kleuren, is heel sterk en vakkundiger gemaakt dan alle andere bouwwerken. Omdat de Asen elke dag op hun paarden over de brug rijden, wordt hij ook wel de Asenbrug genoemd. De enige god die niet over de brug rijdt is Thor, hij waadt door de kolkende rivieren naar de wereldboom Yggdrasil om daar recht te spreken. Er wordt ook uitgelegd dat de brug in brand staat zodat de brug niet voor iedereen zomaar toegankelijk is. Op deze manier kunnen de ijs- en bergreuzen niet via de brug naar de hemel waar vele mooie plekken zijn die door de goden beschermd worden. Als extra voorzorgsmaatregel bewaakt Heimdal de brug ook nog vanuit zijn kasteel Himinbjörg tegen deze reuzen. Ook hier wordt al voorzien dat de brug tijdens Ragnarok zal breken als de troepen van Vuurgesel erover rijden.

Volgens Gylfaginning is de es Yggdrasil vlakbij de regenboogbrug te vinden.Yggdrasil is de wereldboom, die in het centrum van de wereld staat. De takken reiken tot ver in de hemel en over de hele aarde. Onder deze boom, in het land van de reuzen, ligt de bron van Mimir. Dit is de bron waaruit Odin zo graag wil drinken dat hij een van zijn ogen opoffert. Om de opperste wijsheid te krijgen, hangt hij zichzelf ook negen dagen op aan de takken van de boom. De wortels van Yggdrasil staan in verbinding met alle werelden. Heimdal verstopt zijn hoorn onder de wortels van de boom en Mimir gebruikt de hoorn om uit zijn bron te drinken.

Onder Yggdrasil is ook nog een andere bron, de bron van het lot. Hier leven de drie Nornen, Urd, Verandi en Skuld (Lot, Heden en Toekomst). De nornen bepalen het lot van de goden en de mensen. Elke dag halen ze water uit de bron, en leem dat rond de bron ligt. Dat mengen ze en gieten ze over Yggdrasil zodat de takken niet uitdrogen of wegrotten. De dauw die van de takken op aarde valt, is de honingdauw waar de bijen van leven. Het water uit de bron van het Lot is zo heilig dat alles wat met de bron in aanraking komt, zo wit wordt als het vlies binnenin een eierschaal. In de bron leven twee zwanen.

Op de takken van Yggdrasil zit een tweekoppige adelaar die over veel kennis beschikt. Tussen zijn ogen zit een havik. Deze brengt boodschappen naar de goden als er onheil dreigt. De eekhoorn Ratatosk rent steeds heen en weer om hatelijke boodschappen over te brengen tussen de adelaar en de draak Nidhogg die constant aan de wortels van Yggdrasil knaagt.

Rondom de wortels krioelen ook twee oerslangen. Bij de stam leven vier herten met grote geweien, zij leven van de schors en de onderste bladeren en vruchten. De geit Heidrun eet van de bladeren in een kruin hogerop. In tegenstelling tot de regenboogbrug, wordt Yggdrasil niet beschadigd bij Ragnarok. Als het einde van de wereld nadert, zal Yggdrasil beginnen te beven. De enige twee menselijke overlevenden zullen zich in de takken van Yggdrasil schuilhouden.

Dat Bifrost en Yggdrasil nog steeds tot de verbeelding spreken, blijkt uit de vele keren dat ze in de moderne kunst verbeeld worden of op een andere manier verschijnen. Recent heeft de Noorse fotograaf Espen Krukhaug bijvoorbeeld slapeloosheid vergeleken met Bifrost als een eindeloze brug waarvan de andere kant nooit bereikt wordt, het gelijknamige boek staat vol dromerige beelden en nachtelijke buitenopnames.

Goden en helden op reis

Goden en helden op reis

Niet alleen de moderne mens reist graag, ook de Oudnoordse mythologie en de saga’s barsten van de reisverhalen. In de saga’s is de belangrijkste en verste reis de reis die Leif Eriksson naar Amerika heeft gemaakt. Dat zal zo rond het jaar 1000 zijn geweest. Zoals in de saga’s ‘Eiríks saga rauða’ en de ‘Grænlendinga saga’ vermeld staat, raakte een koopman na de ontdekking van Groenland in stormachtig weer van zijn koers af en bereikte zo de Amerikaanse oostkust. Hij vertelde Leif Eriksson over zijn ontdekking waarna Leif naar deze gebieden reisde. Omdat hij de winter niet in dit nieuwe land wilde doorbrengen, keerde hij zonder een voet aan wal te zetten terug naar Groenland. Hij had wel gezien dat er veel bossen op dit nieuwe land waren. In Groenland was hout een schaars goed, het nieuwe land werd dus met gejuich ontvangen. Toen Leif Eriksson later uiteindelijk met een groepje mensen aan wal ging, ontdekten ze dat het gebied een heerlijk zacht klimaat had. Er groeiden volop druiven, er waren weidse grasvlaktes, bossen met genoeg wilde dieren en rivieren vol met gigantische zalmen. Vanwege de vele druiven noemde Leif het land ‘Wijnland’. Doordat ze de oorspronkelijke bewoners probeerden uit te buiten, bleven ze uiteindelijk niet lang. De indianen kwamen in opstand tegen de Vikingen en verdreven ze van het continent.

De goden gingen ook graag op pad. Odin reisde graag om kennis te vergaren, maar andere goden, met name Thor, moesten vaak op reis om problemen die Loki had veroorzaakt op te lossen. Bijvoorbeeld in het verhaal over de dood van de reus Geirrød, een aartsvijand van Thor. Als Loki op een dag verkleed als valk rondvliegt in het rijk van Geirrød, wordt hij gevangen genomen door de reus. Nadat hij opgebiecht heeft wie hij is, eist Geirrød dat Loki ervoor zorgt dat Thor naar zijn rijk komt zonder zijn bekende hamer, ijzeren handschoenen en krachtgordel. Loki haalt Thor over en onderweg naar de reus overnachten ze bij een reuzin die vertelt hoe kwaadaardig en listig Geirrød is. Zij leent hun dan haar eigen hamer, handschoenen en krachtgordel. Bij Geirrød aangekomen moet Thor zijn krachten met hem meten. Geirrød gooit een gloeiende sintel naar Thor, maar met de ijzeren handschoen van de reuzin weet hij die te vangen en terug te gooien. De reus springt achter een ijzeren zuil, maar de sintel boort zich dwars door de zuil en de reus heen de grond in.

In de ‘Gylfaginning’ reist Thor wederom samen met Loki, nu naar het rijk van de reus Utgarda Loki. Aan het eind van een lange dag vinden ze een schuur om te overnachten. De boer en zijn familie hebben te weinig eten om iedereen te voeden. Thor biedt aan zijn twee bokken te slachten, als iedereen maar belooft om de botten heel te laten en in het vel terug te leggen. Loki fluistert de zoon van de boer in om toch een bot doormidden te breken en het merg eruit te zuigen. Als Thor de volgende ochtend zijn bokken met een klap van zijn hamer weer tot leven wekt, merkt hij dat een van de dieren lam is. Ter compensatie wordt boerenzoon Thjalfi Thors dienaar en reist met hen mee.

Een halve dag later arriveren ze bij het kasteel. Ze krijgen de poort, een hekwerk, niet open maar weten zich tussen de spijlen door te wringen. Eenmaal binnen lopen ze meteen naar de hal waar de reus een feest houdt voor zijn onderdanen. Als hij de reizigers ziet, zegt hij dat ze pas van zijn gastvrijheid mogen genieten als ze zichzelf hebben bewezen. Een paar moeilijke wedstrijden volgen, de goden winnen ze geen van alle. De volgende dag vraagt Utgarda Loki wat Thor van het bezoek vindt. Thor geeft aan dat hij zich onteerd voelt. Utgarda Loki onthult dan dat alles wat ze beleefd hebben tijdens hun reis en de hele wedstrijd in de burcht een zinsbegoocheling is geweest. Loki heeft een eetwedstrijd gehouden tegen het vuur (‘Logi’), Thjalfi liep hard met de geest (‘Hugi’) van de reus en Thor dronk uit een drinkhoorn waarvan het einde in zee stak, hij probeerde een kat op te tillen die in werkelijkheid de Midgardslang was en hij vocht tegen de ouderdom (‘Elli’). Utgarda Loki bekent onder de indruk te zijn van Thors kracht. Thor is woedend en heft zijn hamer op om de reus te slaan, maar dan blijken reus en burcht ineens verdwenen te zijn en gefrustreerd keert Thor huiswaarts, een onaangename reiservaring rijker.

Baldr

Baldr

Baldr is de zoon van Odin en Frigg. Hij is getrouwd met Nanna en woont in Breidablik, wat zoveel betekent als ‘wijds uitzicht’. Over Baldr wordt altijd met veel lof gesproken, hij is de meest geliefde god. Van Baldr wordt in ‘Gylfaginning’ gezegd dat hij zo mooi is dat hij straalt. Het plantje Baldrs brá (Matricaria maritima, een kamillesoort) is zo wit dat hij zijn naam dankt aan de vergelijking met Baldr’s wimpers. Er zijn weinig verhalen over Baldr bekend, maar als hij genoemd wordt is dat altijd uitzonderlijk positief. De enige mythe met Baldr als hoofdpersoon gaat over zijn dood, dit is dan wel weer een van de bekendste Scandinavische mythen.

Volgens deze mythe heeft Baldr een reeks voorspellende dromen waarin zijn leven bedreigd wordt. Als hij de andere Asen over zijn dromen vertelt, besluiten zij dit te voorkomen door alle wezens op de hele wereld een eed te laten afleggen waarin zij beloven Baldr geen kwaad te doen zodat hij tegen al het kwaad beschermd is. Niet alleen mensen, dieren en planten leggen de eed af, ook metaal, stenen, de aarde, gifsoorten, eigenlijk alles wat mogelijk een bedreiging voor Baldrs leven kan vormen, moeten beloven hem geen kwaad te doen. Zodra bekend is dat alles en iedereen de eed heeft afgelegd, hebben Asen er plezier in om op Baldr te schieten en hem te slaan. Baldr komt overal ongeschonden uit en alle goden zijn onder de indruk en blij dat hun geliefde god deze bescherming heeft.

Ook in dit verhaal speelt onruststoker Loki een grote rol. Loki kan het niet verdragen dat Baldr onschendbaar is en wil weten of Baldr geen enkele zwakke plek heeft. Hij verkleedt zich als vrouw en zoekt Frigg op. Loki vertelt Frigg dat de Asen Baldr aan het beschieten en stenigen zijn, maar dat niets hem schijnt te deren. Frigg bevestigt dat elk wapen en elke houtsoort heeft gezworen Baldr geen kwaad te doen. Loki vraagt of echt iedere houtsoort de eed heeft afgelegd en Frigg bekent dat er één jonge maretak is, deze tak groeit ten westen van Valhalla en was te jong om de eed af te leggen.

Loki weet nu wat hij weten moet en verdwijnt meteen om deze maretak te zoeken. Als hij hem gevonden heeft, breekt hij hem af en gaat op zoek naar Baldr. Iedereen is nog steeds op Baldr aan het schieten. Loki ziet Hod, Baldrs blinde broer, langs de kant staan en vraagt waarom hij niet meedoet. Hod zegt dat hij niet meedoet omdat hij geen wapen heeft en ook niet kan zien waar Baldr is.

Loki zegt dat Hod net als de anderen Baldr moet eren en dat hij wel een wapen heeft waarmee hij kan schieten. Hod krijgt de maretak en met behulp van de aanwijzingen van Loki schiet hij. De tak gaat recht door Baldr heen en Baldr valt dood op de grond.

Aangezien Baldr niet eervol op het strijdveld gestorven is, mag hij niet naar Valhalla. In plaats daarvan moet hij naar het dodenrijk van Hel, een van de dochters van Loki. Frigg wil haar zoon laten terugkeren en vraagt wie moedig genoeg is om naar het dodenrijk af te dalen om Hel over te halen Baldr terug te laten keren.

Odins andere zoon Hermod biedt zich aan. Hij maakt de lange rit op Odins achtbenige paard Sleipnir. Hermod rijdt negen nachten door donkere, diepe valleien. Bij de poorten van Hel aangekomen springt Hermod in een keer door de poort heen en gaat de zaal in. Daar ziet hij Baldr op de eretroon zitten. Hermod vraagt Hel of Baldr mag terugkeren naar Asgaard, alle Asen zijn diepbedroefd om de dood van Baldr. Hel zegt dat Baldr op één voorwaarde terug mag: elk levende wezen moet om hem huilen. Als iemand niet huilt, zal zij Baldr bij zich houden. Hermod rijdt terug naar Asgaard en laat boodschappers het nieuws verspreiden. Iedereen die het verhaal hoort, huilt om Baldr te bevrijden. Enkel de reuzin Thokk (Loki in vermomming) weigert een traan te laten waardoor Baldr in het dodenrijk moet blijven.

Baldrs dood blijkt echter niet voor niets: in het Eddagedicht Völuspá voorspelt de zieneres al dat Baldr door zijn broer met een maretak gedood gaat worden. Baldr en zijn broer Hod zullen echter na de ondergang van de wereld in de wereld die dan nieuw ontstaat, als eerste terugkeren, elkaar vergeven en samen in Valhalla wonen.

Loki, de god van het vuur

Loki, de god van het vuur

In vrijwel alle godsdiensten is er sprake van een strijd tussen goed en kwaad. In de Scandinavische godenwereld wordt het kwaad verbeeld in de persoon van Loki, de god van het vuur. Hij is een listige onruststoker en kan zich in talloze gedaanten vermommen. Zijn vader was een reus, wat misschien zijn listigheid verklaart. In de Gylfaginning, het eerste deel van de Proza Edda die door Snorri Sturluson is geschreven (zie KL 1-2010), wordt uitgebreid verteld over Loki. Hij wordt onder andere de ‘bron van verraad’ genoemd en er wordt over hem gezegd dat hij ondanks zijn knappe uiterlijk niet te vertrouwen is. Hij veroorzaakt steeds problemen en bedriegt de goden vaak. Maar zoals vaker het geval is, leveren die slechte eigenschappen van Loki mooie verhalen op. Er zijn dan ook talloze mythen overgeleverd waarin Loki een hoofdrol speelt.

Loki is bevriend met Thor, de god van de donder, ze beleven veel avonturen samen. Loki helpt hem ook zijn hamer terug te krijgen als deze gestolen wordt door de reus Thrym. De reus wil de hamer alleen maar teruggeven als hij met vruchtbaarheidsgodin Freya mag trouwen. Daar voelt de laatste echter hoegenaamd niets voor. Loki verzint dan een list: hij laat Thor het magische verenkleed van Freya aantrekken en neemt hem in die vermomming mee naar de reus. Tijdens het feestmaal voeren ze de reuzen dronken en zorgt Loki ervoor dat de vermomde Thor zijn hamer in handen krijgt, waarmee hij alle reuzen doodslaat. De vriendschap met Thor eindigt echter tijdens een banket van de zeegod Ægir. Loki barst tijdens het feest los in een scheldpartij waarin hij alle goden te schande maakt, en terwijl hij hiermee bezig is komt Thor binnen. Thor hoort hem even aan en snoert hem dan de mond.

In Húsdrápa, een gedicht uit de Proza Edda, lezen we hoe Loki Brísingamen, de mooiste halsketting van godin Freya, steelt. Freya schakelt Heimdall, de wachter der goden, in om Brísingamen terug te vinden. Als ze de dief uiteindelijk vinden, blijkt dat Loki te zijn die zich in een zeehond heeft veranderd. Heimdall verandert ook in een zeehond en gaat het gevecht met Loki aan. Na een lange strijd wint Heimdall en geeft hij Brísingamen terug aan Freya.

Loki is getrouwd met Sigyn, met haar heeft hij een zoon, Narfi. Samen met de reuzin Angrboda, ‘onheilbrengster’, heeft hij drie kinderen: de wolf Fenrir, de Midgardslang en Hel, een vrouw met een gezicht dat voor de helft dat van een dode is. Zij worden opgevoed in het reuzenrijk. De Godenwereld komt van hun bestaan te weten en profetiën waarschuwen dat deze kinderen voor ongeluk en kwaadaardigheid zullen zorgen. Odin besluit de Midgardslang in de diepe zee rondom de wereld te gooien. Daar groeit het monster uit tot een enorme slang die in het midden van de oceaan om alle werelddelen heen gekruld ligt en zichzelf in zijn staart bijt. Odin benoemt Hel tot de heerseres van de onderwereld. Fenrir lijkt onschuldig en blijft in Åsgard bij de goden. Hij groeit echter al snel van een lief klein welpje uit tot een afschrikwekkende wolf. De goden beramen een plan om de wolf vast te binden. Na enkele mislukte pogingen maken de goden een heel fijne ketting, Gleipnir genaamd, van zes ingrediënten die niemand vandaag meer kan vinden: de baard van een vrouw, de ademhaling van een vis, de wortels van een berg, het speeksel van een vogel, het geluid van de poten van een kat en de pezen van een beer. Fenrir kan zich niet losmaken van deze ketting en zal zich pas weten te bevrijden als Ragnarok, de eindstrijd, aanbreekt.

Loki wordt zelf ook geketend nadat door zijn toedoen Balder, de lievelingszoon van Odin, is gedood. Loki vlucht na de moord naar de top van een hoge berg en weet zich lange tijd te verbergen, maar wordt uiteindelijk door Thor gevangen. Hij wordt dan naar een grot gebracht en op drie stenen vastgebonden. Boven hem wordt een slang gehangen die gif op zijn gezicht drupt. Sigyn blijft bij Loki om het gif in een schaal op te vangen. Maar als zij weggaat om de schaal te legen drupt het gif wel op Loki’s gezicht, en als dat gebeurt verzet hij zich zo hevig dat de hele aarde beeft. Loki zal pas weer loskomen tijdens Ragnarok, hij zal de machten van het kwaad aanvoeren tegen de goden. Dan zal hij uiteindelijk sterven tijdens een gevecht met Heimdall, die eveneens omkomt, zoals reeds door de zieneres aan Odin was voorspeld.

Freya

Freya

In de vorige afleveringen stonden mannelijke goden centraal, deze keer ga ik het hebben over de belangrijkste vrouwelijke godin in de Scandinavische mythologie: Freya. Freya is de godin van de vruchtbaarheid en liefde. Ze is een van de Wanen, de andere Godenfamilie naast de Asen. Freya is dochter van Njord, de god van de zee, de wind en het vuur. De god Freyr is haar tweelingbroer. Freya is getrouwd met Od en samen met hem heeft zij twee prachtige dochters, Hnoss en Gersemi (beide namen betekenen ‘juweel’). Od is helaas vaak op reis, als hij weg is huilt Freya tranen van rood goud en gaat ze onder verschillende namen naar hem op zoek. Net als Odin heeft ook Freya vele namen: Gefn, Hörn, Mardöll, Sýr, Valfreyja, en Vanadís.

Volgens de ‘Gylfaginning’ is Freya de meest betoverende van alle godinnen. Omdat ze zo ontzettend mooi is, vragen reuzen of goden in ruil voor een dienst om Freya’s hand. Freya is daar uiteraard niet van gediend, en dat levert problemen op als de dienst is verricht en het ‘loon’ wordt opgeëist. Dit is ook het geval in de mythe over de reus die de funderingen van Asgard heeft gebouwd. Hij eist de zon, de maan en de hand van Freya als loon. De listige Loki broedt vervolgens op een plan om de reus in zijn werk te belemmeren. Zoals u in de vorige aflevering kon lezen, kan Loki van gedaante veranderen, deze gave komt hem nu goed van pas: hij besluit zichzelf in een merrie te veranderen. Als merrie verleidt Loki het paard dat de spullen van de reus draagt, hierdoor kan de reus zijn muur om Asgard niet op tijd afmaken. Hij heeft dus geen recht op zijn loon. Uit de romance tussen de merrie (Loki) en het paard wordt volgens de mythen Sleipnir, het achtbenige paard van Odin, geboren.

Freya’s meest gekoesterde bezit is de ketting Brisingamen. Deze ketting is door vier lelijke dwergen gesmeed. Freya wil deze ketting dolgraag hebben en vraagt de dwergen om haar de ketting te geven. De dwergen willen haar deze wel geven als zij met ieder van hen een nacht doorbrengt. Freya kan de schoonheid van de ketting niet weerstaan en geeft uiteindelijk toe, maar spreekt hierna nooit met iemand over de prijs die ze voor haar ketting heeft moeten betalen. Zoals u in de vorige aflevering over Loki heeft kunnen lezen, wordt Brisingamen in het skaldendicht Húsdrápa door Loki gestolen. In Þrymskviða wordt de hamer van Thor gestolen door de reus Þrymr. De reus is bereid de hamer terug te geven in ruil voor de hand van Freya. Freya wordt ontzettend kwaad als ze dit hoort, van woede knapt de ketting van haar hals, wat zullen de andere goden wel niet van haar denken als ze hierop ingaat? Uiteindelijk leent ze Thor haar halsketting zodat hij zich kan voordoen als Freya om zo zelf zijn hamer terug te krijgen.

Loki weet Freya’s schoonheid en begeerlijkheid ook tegen haar te gebruiken: in Lokasenna, waarin verhaald wordt over Loki’s grote scheldpartij tijdens het zeebanket van zeegod Ægir, beschuldigt Loki Freya van ontrouw en noemt hij haar een venijnige heks. Freya’s vader neemt het echter voor haar op door te zeggen dat het echt geen schande is als een vrouw een minnaar heeft.

Naast de meest begeerde godin is Freya ook een strijdlustige dame. Als strijdgodin heeft ze een strijdwagen die door een zwarte en een witte boskat wordt voortgetrokken. In Grímnismál wordt vermeld dat de helft van alle heldhaftige krijgers die de Walkuren voor Odin uitkiezen, voor Freya bestemd zijn. Zij worden naar Folkvang gebracht, dit is de verblijfplaats van Freya.

Freya wordt ook met magie in verband gebracht. Ze bezit een magisch kleed van veren waarmee ze in een vogel kan veranderen. Dit kleed leent zij uit aan Loki zodat hij onherkenbaar kan uitzoeken wie de hamer van Thor gestolen heeft. In het gedicht Hyndluljóð speelt Freya een hoofdrol en zien we ook waartoe ze met haar magische krachten in staat is. Haar beschermeling Ottar wil zijn stamboom achterhalen om zo een weddenschap te kunnen winnen, maar voor deze kennis moet hij naar de reuzin en zieneres Hyndla. Freya verandert Ottar in haar everzwijn Hildisvíni en terwijl Hyndla en Freya naar Walhalla rijden, vertelt Hyndla wat ze weet over Ottars voorouders. Als Hyndla Freya en Ottar wil verlaten, zorgt Freya dat Hyndla door vuur omringd blijft totdat ze een geheugendrankje brouwt zodat Ottar ook in mensenvorm alles wat hij gehoord heeft zal onthouden.

Freya speelt dankzij haar veelzijdigheid een centrale rol in de Scandinavische mythologie en haar naam kom je ook tegenwoordig nog veel tegen, als meisjesnaam of als naam van een firma of (sport)vereniging.

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs

De twee Edda’s

De meeste informatie over de Scandinavische mythologie is ons bekend geworden dankzij de in de middeleeuwen op IJsland opgetekende saga’s en twee manuscripten die allebei Edda worden genoemd: de Proza Edda en de Poëtische of Lied Edda. De laatste is het oudst; deze is bewaard gebleven in een manuscript uit de 14e eeuw, dat de Codex Regius wordt genoemd en dat 29 liederen of gedichten bevat waarvan er 11 betrekking hebben op de oudnoordse goden en de overige 18 de zgn. Volsungasaga bevatten waarin de held Sigurd centraal staat. Deze laatste zou je de Scandinavische versie van het Duitse Nibelungenlied kunnen noemen. Naast de Lied Edda is de Proza Edda overgeleverd, ook wel de Jongere Edda genoemd, geschreven door Snorri Sturluson. Deze twee Edda’s vormen samen de belangrijkste bron van kennis over het oudnoordse wereldbeeld, de mythen en legenden.

Het werk van Snorri

De vertel- en dichtkunst werd in de vikingtijd bedreven door zgn. skalden, dichters/zangers die zelfgemaakte of bestaande rijmverhalen en liederen voordroegen, zoals bijvoorbeeld de liederen die in de Lied Edda staan. Deze liederen werden veelal van skald tot skald overgedragen. Snorri Sturluson, een IJslandse hoofdman en geleerde uit de 13e eeuw, wilde na de kerstening van IJsland de traditionele dichtkunst behoeden voor de ondergang en tekende daarom zoveel mogelijk mondeling overgeleverde oude rijmverhalen op. Hij bundelde deze verhalen samen met een handboek van de oudnoordse poëzie met de bedoeling skalden in opleiding een overzicht van mythologische begrippen en verklaringen daarvan te geven, als een soort naslagwerk zou je kunnen zeggen. Zijn boekwerk bestaat naast een proloog over het ontstaan van het geloof in goden uit drie hoofddelen: de zogenaamde Gylfaginning, ‘de begoocheling van Gylfi’, over de wereld van de oudnoordse goden, het scheppingsverhaal en de ondergang; het tweede deel heet de Skáldskaparmál ‘over de dichtkunst’, dit bespreekt de taal van de dichtkunst, terwijl het laatste deel, de Háttatal, versvormen en rijmschema’s behandelt.

Wereldbeeld

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs is vrij onoverzichtelijk. In de overleverde teksten is er sprake van twee verschillende wereldbeelden die naast en door elkaar heen bestaan, de ene is horizontaal, de andere verticaal. Waar ze het over eens zijn, is dat na Ragnarok, de ondergang, een betere wereld zal verrijzen. In het horizontale wereldbeeld is de aarde rond en plat. In het centrum liggen Åsgard, de godenwereld, en de Yggdrasill, de wereldboom, daaromheen ligt de mensenwereld Midgard. De reuzenwereld Jotunheimen ligt daar weer omheen. Dit alles wordt omringd door een machtige oceaan. Aan de overkant daarvan bevindt zich het rijk van de reus Utgardaloki. Boven de wereld wordt de hemel gesteund door vier dwergen die de windrichtingen verbeelden. Goden, reuzen en mensen leven samen op deze aarde. Diep onder de aarde bevindt zich het dodenrijk Hel. De windrichtingen spelen een grote rol: de dreigingen die Ragnarok zullen veroorzaken komen voornamelijk uit het oosten en het zuiden. Het verticale wereldbeeld onderscheidt een onbekend aantal werelden die boven elkaar bestaan. Snorri zelf noemt negen werelden waarvan Niflhel de onderste is, terwijl de reus Vafthrudnir in de Lied Edda pocht dat hij door negen werelden naar de Niflhel is afgedaald. Ook naar boven toe, boven Åsgard`, zouden nog verschillende hemels bestaan. De brug Bifrost is de verbindende schakel tussen aarde en Åsgard. Wereldboom Yggdrasil verbeeldt de verbinding tussen alle werelden, met vertakkingen naar boven toe en met wortels die op, onder en boven de aarde liggen, bij het dodenrijk Hel, de mensen en de goden.

De goden en andere wezens

De familie van de goden valt uiteen in Asen en Wanen. Deze tweedeling is ontstaan na de schepping van de wereld door Odin, Vili en Ve. Vili en Ve zijn na enige tijd tevreden met hun schepping en willen in de wereld rondtrekken, Odin is nog niet tevreden. Hier splitst de godenfamilie zich in tweeën: de Asen worden de volgelingen van Odin, de Wanen volgen Vili en Ve. De Asen worden veelal geassocieerd met strijd en handel, de Wanen zijn oorspronkelijk vruchtbaarheidsgoden, goden van zee en overvloed en zij worden door de Asen gevreesd vanwege hun magische krachten. De belangrijkste tegenstanders van de goden zijn de reuzen, de Jotner. Er zijn verder ook elfen of alven die vaak op een lijn met de goden gesteld worden. De Lichtalven wonen in een prachtig oord grenzend aan Åsgard. De Zwartalven wonen onder de grond en worden als aardgeesten gezien en vaak in een adem met de dwergen genoemd.