Kleding in de vikingtijd

De feestdagen komen er weer aan, voor velen het moment om de mooiste kleding uit de kast te trekken. Wat droegen mensen in de Vikingtijd eigenlijk in Scandinavië? En was het ook in die tijd al belangrijk hoe je gekleed ging?

In de Scandinavische mythen en sagen worden verschillende soorten kleding beschreven. Mensen droegen in deze periode vaak donkere of bruin geverfde kleding van makkelijk te verkrijgen materialen, zoals wol en linnen. In de winter droegen ze mantels van bont.

Kleding van luxe stoffen was een teken van status. Archeologische vondsten laten zien dat de Vikingen zich lieten beïnvloeden door de stoffen die zij aantroffen tijdens verre reizen. Zo zijn in het Osebergschip roodgekleurde stroken van zijde met een ingeweven gouden patroon gevonden. Deze linten komen oorspronkelijk uit Byzantium en het Midden-Oosten en werden waarschijnlijk gebruikt als decoratie op effen wollen kledingstukken. Er zijn ook borduursels gevonden op zijde en wol; de motieven komen waarschijnlijk van de Britse eilanden. Met zijdedraad werden dieren- of plantenmotieven geborduurd op zijden stroken die vervolgens als versiering op kleding werden aangebracht.

Gekleurde kleding wordt ook genoemd in verhalen, niet alleen om status te tonen, maar ook om bepaalde verhaalelementen aan te kondigen, bijvoorbeeld als voorbode van een crisis of andere gevaarlijke gebeurtenis. Een personage wordt ook vaak door zijn vijanden herkend (of herkent zijn vijanden) aan de kleur van zijn kleding.

In oudere saga’s wordt vaak alleen genoemd dat kleding litklæði – lichtgekleurd – is, maar soms wordt ook de kleur specifiek benoemd. Rode kleding wordt bijvoorbeeld vaak gedragen door personages die op reis gaan en door mensen met status, of ijdele mensen die zich, door zich in blauw of rood te kleden, meer status willen aanmeten. Daarnaast wordt blauwe kleding vaak gedragen door hoofdmannen die een gevecht leiden. Bijvoorbeeld in Laxdœla saga waar Þorgill Hölluson een leger leidt tegen Helgi Harðbeinsson.

De schrijvers van de saga’s gebruiken de kleur van kleding ook simpelweg als een manier om personages van elkaar te onderscheiden of herkenbaar te maken. Bekende personages als Gisli in Gísla saga Súrssonar en Hrafnkell in Hrafnkels saga zijn vaak te herkennen aan de kleur van hun kleding; zo draagt Gisli vaak een blauwe mantel en is Hrafnkell tijdens gevechten vaak in het blauw gekleed.

Een specifiek soort blauw kledingstuk wordt gedagen als mensen zich extra mooi willen kleden, een möttul. In Njáls saga wordt beschreven hoe Hallgerðr haar entree maakt op de Alþingi om Glúmr te ontmoeten die om haar hand heeft gevraagd. Hallgerðr leidt een groep vrouwen en is het mooist gekleed, ze ziet er oogverblindend uit in haar blauwe vefjarmöttul, een pachtige, geweven mantel. Naast de blauwe mantel draagt ze tijdens deze belangrijke gebeurtenis ook rood, wat haar status en rijkdom benadrukt. Rood wordt verder vaak gedragen om superioriteit te tonen en respect te krijgen.

Groene kleding wordt weinig genoemd in Oudnoordse verhalen. Wanneer een groen kledingstuk wel wordt beschreven, blijkt in veel gevallen Odin de drager te zijn. In Völsunga saga bijvoorbeeld betreedt een onbekend persoon met groene kleding en maar één oog de hal van koning Völsungr, hij steekt zijn zwaard in de boom die barnstokk heet en meldt dat het zwaard toebehoort aan degene die het zwaard uit de boom kan krijgen. (Dit verhaalelement lijkt overigens verdacht veel op het zwaard in de steen in de verhalen over koning Arthur.)

Naast kleding in de kleuren blauw, rood en groen wordt af en toe ook witte kleding beschreven. Wit wordt, net als groen, niet zo vaak genoemd. Waar het wel voorkomt, wordt witte kleding veelal in verband gebracht met het christendom. In Orkneyinga saga lezen we over graaf Rögnvaldr Kali Kolsson die terugkeert van een reis naar Noorwegen. Hij is gekleed in een wit gewaad met een kap zoals ook monniken dragen. Hij komt een boer tegen die wacht op zijn visgezelschap. Rögnvaldr besluit met de boer te gaan vissen. De boer waarschuwt dat ze ver weg moeten blijven van de gevaarlijke stroming. Rögnvaldr negeert zijn waarschuwing, en ze komen in een woeste stroom terecht waar Rögnvaldr ze wonderbaarlijk genoeg uit kan redden. Veilig keren ze weer terug aan land, waar de boer Rögnvaldr een deel van de gevangen vis aanbiedt. Rögnvaldr neemt de vis aan en geeft alle vis weg aan de arme bevolking.

Zoals we kunnen zien, hechtten de mensen in de Vikingtijd veel waarde aan mooie kleding en een verzorgd uiterlijk. Zeker bij belangrijke gebeurtenissen werd extra aandacht besteed aan kleding en werd vaak gekozen voor opvallende kleuren, gekleurde borduursels en luxe stoffen die afstaken tegen de saaie, ruwe kleding die normaal gesproken gedragen werd.

Exotische Reizen

Exotische reizen 

De Vikingen hebben verre reizen gemaakt; de verhalen over de ontdekking van Amerika en het plunderen en stichten van nederzettingen in Schotland en Engeland zijn bekend. Dat ze ook naar het Heilige Land hebben gereisd en in Byzantium zijn geweest, is minder bekend, maar niet minder interessant.

 

Viking Expansion
Waar zijn de Vikingen allemaal geweest? – The Viking Expansion Door Max Naylor (Own work) [Public domain], via Wikimedia Commons
De Vikingen hadden verschillende redenen om op reis te gaan. Soms was het puur om te handelen of waren ze huursoldaat in een plaats ver weg; andere keren gingen ze op ontdekkingsreis om zich op nieuwe, onbekende (vruchtbaarder) plaatsen te kunnen vestigen, of maakten ze een pelgrimstocht. Vikingen reisden ook om persoonlijke redenen, om bijvoorbeeld zelf kennis te vergaren. Dat zien we in Laxdæla saga, waar Bolli Bollason naar het Zuiden reist omdat hij respectabeler wil worden en meer kennis over de wereld wil opdoen. In Eireks saga gaat Eirek op zoek naar het paradijs en lijkt hij te worden gestuurd door een hogere macht. In andere gevallen is een verre reis het gevolg van een dronken opmerking of een weddenschap die gemaakt wordt tijdens een drinkgelag.

De verre reizen naar het Zuiden, naar Rome, het Heilige Land en Byzantium bijvoorbeeld, zijn goed gedocumenteerd in de saga’s. Het is interessant om te zien dat er bij reizen naar het Zuiden nooit over ontdekkingen gepraat wordt. Dit wijst erop dat de Vikingen bekend waren met de Grieken, de Romeinen en de plaatsen die ze gingen bezoeken, in tegenstelling tot de reizen die ze maakten naar het Noorden. Daar hadden ze nog nooit verhalen over gehoord, dat waren nieuwe, onbewoonde, gebieden (Groenland) of landen met beschavingen die ze niet kenden (Amerika).

De Vikingen gingen meestal naar Byzantium om te werken als huursoldaat of om gewoon uit eigen wil mee te vechten als heldendaad. Soms gingen ze erheen om handel te drijven, maar dat komt veel minder vaak voor. De legers van voornamelijk noorderlingen in Byzantium worden de Varjagen genoemd; hun verhalen worden beschreven in bijvoorbeeld Íslendingasögur en konungasögur. In Hrafnkels saga wordt Þorkell Þjóstarson genoemd, een IJslander die als huursoldaat naar Byzantium reist. Zijn bijnaam is leppr, verwijzend naar de lichtgekleurde lok in zijn kastanjebruine haar. Een andere man, Sámr, komt bij de rivier Øxará een leger mannen tegen dat aangevoerd wordt door een lange, kleurrijk geklede man die een prachtig versierd zwaard draagt. De aanvoerder stelt zichzelf voor als Þorkell en vertelt dat hij de laatste zes jaar in Byzantium onder de keizer gediend heeft. Daarvoor heeft hij een andere reis gemaakt, die vier jaar duurde.

Byzantium wordt beschreven als een keizerrijk vol rijkdom, met een overvloed aan zijde en goud. De reizigers die terugkeerden naar het Noorden namen veel van die rijkdommen mee. Haraldr Sigurðarson keerde terug in een met goud versierd schip met zijden zeilen en gouden kisten (Morkinskinna).

Het Heilige Land was het reisdoel voor pelgrimstochten en kruistochten. De woorden suðrferð en suðrganga betekenen dan ook niet ‘reis naar het zuiden’ maar ‘pelgrimstocht’; suðrferð wordt vaak gebruikt in teksten waarin men op pelgrimstocht naar Jeruzalem gaat, terwijl suðrganga in de meeste gevallen verwijst naar pelgrimstochten naar Rome. Zowel mannen als vrouwen gingen op pelgrimstocht. Een van de oudste bronnen is een runeninscriptie uit Zweden waarin een vrouw, Ingirun, zegt plannen te maken voor een pelgrimstocht.

Reizigers naar het Heilige Land kwamen veelal om te baden in de Jordaan en om relikwieën mee terug te nemen, om zo het christendom te kunnen verspreiden, zoals koning Sigurðr Magnusson, bijnaam Jórsalafari – ‘Jeruzalemganger’ – in Magnússona saga in Heimskringla. Andere reizigers kwamen naar Jeruzalem om heilige plaatsen te bezoeken, zoals Oddr in Örvar Odds saga.

Wat opvalt in saga’s waarin personen op reis gaan, is dat de reis op zichzelf niet of nauwelijks beschreven wordt; alleen dramatische gebeurtenissen die tijdens de reis plaatsvinden of gebeurtenissen op de plaats van bestemming worden beschreven. Er staat dan vaak iets als: ‘Er valt niets over hun reis te vertellen totdat …’ . In moderne reisverhalen is dat wel anders; we zijn juist ook geïnteresseerd in de ervaringen (en ontberingen!) tijdens de reis.

Een uitzondering op deze regel is een IJslandse abt, Nikulás Bergsson. Nikulás maakte een pelgrimstocht naar Rome en Jeruzalem halverwege de 12e eeuw. Hij heeft een reisdagboek bijgehouden dat hij Leiðarvísir noemde, ‘reisgids’, waarin hij op basis van zijn eigen ervaringen en literaire bronnen zijn reis beschrijft. Hij vertelt over de plaatsen die hij bezocht heeft en beschrijft kerken en andere bezienswaardigheden, maar laat ook weten welke afstanden hij heeft afgelegd, welke route hij heeft genomen en wat de reistijd tussen verschillende plaatsen was. Eigenlijk schreef Nikulás in de 12e eeuw dus een van de eerste reisgidsen!