Kenningen en heiti

Kenningen en heiti

In de vorige aflevering heb ik het over raadsels en wedstrijden in de Vikingtijd gehad, deze keer wilde ik het over een ander terrein hebben waar het competitie-element ook een rol speelt: skaldenpoëzie.

In de middeleeuwen wordt informatie veelal mondeling overgeleverd. Verhalen worden verteld door skalden, hofdichters. Om alle informatie makkelijker te kunnen onthouden, gebeurt dit in versvorm waarbij het ritme en metrum en dichterlijke formules om bepaalde dingen uit te drukken belangrijke hulpmiddelen zijn. In de Vikingtijd is het een sport om zo ingewikkeld mogelijke beeldspraak en synoniemen te gebruiken in gedichten, want een personage wordt liever niet alleen maar bij naam genoemd. Een skald die dat kan en de toehoorder die hem begrijpt, geven blijk van intelligentie en scholing en zorgen voor een gevoel van saamhorigheid tussen de toehoorder en de skald. Ze (her) kennen dezelfde geschiedenis en verhalen.

De beeldspraak of metaforen die door de skalden gebruikt worden, heten kenningen, de synoniemen worden heiti genoemd. Ze worden ingezet om personages te beschrijven. Een heiti kan onderdeel zijn van een kenning. Dus als een skald iets over de god Thor wil zeggen, dan zou hij naar Thor kunnen verwijzen met de kenning ‘de zoon van Odin’. Dat is echter vrij simpel; hij zou er ook voor kunnen kiezen om de naam Odin te vervangen door een heiti, een synoniem, voor Odin. Odin wordt bijvoorbeeld vaak ‘de verschrikkelijke’ genoemd. Zo zou een skald dus naar Thor kunnen verwijzen als ‘de zoon van de verschrikkelijke’. De kenningen en heiti maken het aan de ene kant voor de moderne lezer moeilijker om de mythologische verhalen en saga’s te begrijpen, aan de andere kant kunnen ze juist ook extra informatie over het karakter of het uiterlijk van een personage geven waardoor de verhalen levendiger worden.

Elders in deze KL staat mijn recensie van de eerste Nederlandse vertaling van de Proza-Edda, een handboek voor de skald geschreven door Snorri Sturluson waarin de kenningen en heiti worden uitgelegd en verzameld. Om goede kenningen te kunnen maken, moet een skald de mythologie tot in de puntjes beheersen.

Een kenning die Snorri gebruikt voor goud is bijvoorbeeld ‘ottergeld’; een toespeling op het goud dat Odin als genoegdoening aan Hreidmar moet betalen nadat Odin diens zoon had gedood die zich in een otter had veranderd. Van een skald wordt verwacht dat hij zoveel mogelijk verschillende kenningen voor een begrip bedenkt. Zo is een andere kenning voor goud ‘het mondgetal van Dikkop’, verwijzend naar de manier waarop Dikkop, een van de zonen van Almachtig, na de dood van zijn vader met zijn broers de erfenis verdeelt: ieder neemt steeds een mondvol goud.

Ook voor goden zijn verschillende kenningen bekend. Zo kan een skald naar Sif verwijzen met de kenningen ‘de vrouw van Thor’, ‘de moeder van Ull’, ‘de godin met het fraaie haar’, ‘de rivale van IJzerdolk’, en ‘de moeder van Kracht’. Met deze voorbeelden wordt duidelijk dat er naar afstamming of familierelaties verwezen kan worden, dat uiterlijke kenmerken gebruikt worden of dat de naam van een andere godin gebruikt wordt als kenning. Voor Sif worden weinig kenningen genoemd, maar voor bekendere goden als Odin, Loki of Thor worden pagina’s vol met kenningen, uitleg en omschrijvingen gegeven.

Niet alleen goden worden met kenningen omschreven. Als een skald een kenning kan gebruiken, zal hij dat niet laten. Zo kan er naar een man verwezen worden door zijn daden te noemen of door naar zijn eigendommen, familie of successen te verwijzen. Hij kan ook benoemd worden aan de hand van de mensen die hij heeft gedood, de reizen die hij heeft gemaakt of de jachtpartijen waar hij aan heeft meegedaan. Naar beroepen kan ook door middel van een kenning worden verwezen, zo is een matroos een ‘man van de eland van het fjord’, waarbij de eland van het fjord weer een kenning is voor een schip.

Naar vrouwen wordt verwezen door middel van vrouwelijke namen van bomen, edelstenen en glazen kralen. Hiervoor geeft Snorri een uitleg: ‘omdat in de oudheid een vrouwelijk sieraad een “ketting van stenen” werd genoemd die om de hals werd gedragen. Nu is er een kenning van gemaakt, zodat met termen voor stenen en met alle woorden voor stenen naar een vrouw wordt verwezen.’

Naast kenningen voor mensen, goden, belangrijke zaken als goud, de aarde en de zee, zijn er ook kenningen voor lichaamsdelen en bijvoorbeeld tranen. Zo kunnen tranen worden omschreven als ‘dauw van de wimpers’ of ‘de stemming van vrouwen’.

Er wordt ook rekening mee gehouden dat skalden het christelijke geloof willen verspreiden na de kerstening, dus er zijn ook talloze kenningen voor Christus opgeschreven. In eerste instantie zijn die nog begrijpelijk: ‘de schepper van hemel en aarde’, ‘de meester van de apostelen en heiligen’, ‘de koning van de zon’ of ‘de zoon van Maria’. Ze worden echter al snel meerduidig want er wordt ook naar Christus verwezen als ‘de koning van de Grieken’, of ‘de koning van Jerusalem’ en dat kan immers ook slaan op een in die tijd heersende vorst. Het lijkt alsof niets besproken kan worden zonder een kenning of heiti te gebruiken; zowel de skalden als de normale bevolking moesten in de Vikingtijd dus een goed getraind geheugen hebben om dit allemaal te kunnen onthouden!

Advertisements

Recensie: Edda – Marcel Otten

Edda

Edda is de naam van een verzameling literaire en mythologische werken uit het middeleeuwse IJsland. De oudste is de Poëtische Edda of Lied-Edda, deze is bewaard gebleven in een 14e eeuws manuscript, de Codex Regius. De Lied Edda bevat 29 liederen of gedichten, deze gedichten gaan over goden en helden. Naast de Lied Edda is de zogenaamde Proza-Edda overgeleverd, deze wordt ook wel de Jongere Edda genoemd. Van deze Proza-Edda is eind vorig jaar de eerste Nederlandse vertaling verschenen. De vertaler is Marcel Otten, hij heeft in 1994 ook al de Lied Edda vertaald en is dus goed bekend met de materie.

De Proza-Edda is door Snorri Sturluson in de 13e eeuw samengesteld omdat hij na de kerstening de traditionele dichtkunst wilde behoeden voor de ondergang. Het boek is bedoeld als een handleiding en naslagwerk voor IJslandse dichters, zogenoemde skalden; zij beschikten hiermee over een overzicht van mythologische begrippen en verklaringen die zij in hun gedichten konden gebruiken. Snorri’s handleiding bestaat, naast een proloog over het ontstaan van het geloof in goden, uit drie hoofddelen:
– de zogenaamde Gylfaginning, ‘de begoocheling van Gylfi’, over de wereld van de oudnoordse goden, het scheppingsverhaal en de ondergang;
– het tweede deel heet de Skáldskaparmál, ‘de taal van de dichtkunst’, dit bespreekt de taal van de dichtkunst;
– het laatste deel, de Háttatal, ‘de lijst van versvormen’, behandelt versvormen en rijmschema’s.
Om ons beeld van de oudnoordse mythologie compleet te maken heeft Marcel Otten ook een fragment uit Heimskringla, ‘De schijf van de wereld’, in deze vertaling opgenomen.

Deze eerste Nederlandse vertaling van Snorri’s werk is een omvangrijke publicatie geworden. Voor geïnteresseerden is het een prachtig en compleet naslagwerk omdat de vertaler naast de Proza Edda ook enkele andere verhalen ter verduidelijking van de oudnoordse mythologie heeft opgenomen. Dat maakt het boek zeer toegankelijk. Omdat het bedoeld is als een handboek voor de skald, zijn sommige delen wat langdradig om te lezen. Vooral Skáldskaparmál bevat pagina’s lang enkel kenningen, een soort metaforen, voor begrippen, goden en dingen. Het is dan ook niet zozeer een boek om van begin tot eind te lezen, het is beter als een soort encyclopedie te gebruiken. Het is bij uitstek geschikt om als hulpmiddel bij de hand te hebben bij het lezen van de Lied-Edda of om informatie, of bijnamen, over goden op te zoeken.

Als kritiekpuntje wil ik opmerken dat Marcel Otten in deze vertaling veel namen vertaald heeft, wat hij vaker doet. In de inleiding geeft hij hier als verklaring voor dat hij ‘altijd het intuïtieve gevoel heeft gehad dat de namen van goden, reuzen, dwergen etc. een betekenis moeten hebben gehad voor de middeleeuwer die met die namen geconfronteerd werd.’ Hier is veel voor te zeggen, alleen vergeet Otten hierbij volgens mij, dat deze (vertaalde) namen voor moderne mensen in de huidige maatschappij niet hetzelfde gevoel of dezelfde betekenis oproepen als voor de mensen in de middeleeuwen. Ik denk zelf dat handhaving van de oorspronkelijke namen, met een vertaling in het register bijvoorbeeld, beter zou werken en minder gekunsteld zou aanvoelen. Daarnaast geven de kenningen, die zoals u elders in deze KL kunt lezen, te pas en te onpas in de mythologie gebruikt worden en allemaal in dit boek staan, toch al genoeg informatie over de betekenis van de naam.

Al met al is deze eerste Nederlandse vertaling een succes te noemen. Door de goede inleiding, de uitgebreide noten, een genealogie, het register en de compleetheid door extra toegevoegde verhalen is dit voor liefhebbers van de Scandinavische mythologie een fantastisch boek om in de kast te hebben staan, en ook een boek waar je vaak op terug zult vallen bij het zoeken naar informatie.

    • Naschrift:

Snorri Sturluson: Edda

    , vertaald door Marcel Otten, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2011