Tijd in de Scandinavische Mythologie

De tijd vliegt…

We weten het allemaal: de tijd vliegt. Sinds mensenheugenis proberen we de tijd te beheersen, dat probeerde men ook in de Vikingtijd. 

Tijd en het voorbijgaan van tijd is meetbaar. We meten eenheden van tijd tegenwoordig met een klok. In de Vikingtijd worden er andere manieren gebruikt om de tijd in de gaten te houden. Het onderscheid in dag en nacht is universeel. Skáldskaparmál door Snorri Sturluson geeft veel informatie over dagen, weken en maanden.

Boeren verdelen hun dag in acht stukken, áttir, van elk drie uur. Deze acht stukken worden gemeten aan de hand van de afstand tot de horizon die de zon aflegt in drie uur tijd. De acht delen in een dag hebben elk een eigen naam:

  • 6 uur, rismál of miðrmorgun: ‘wektijd’ of ‘midochtend’
  • 9 uur, dagmál: ‘dagmaaltijd’
  • 12 uur, hádegi of miðdegi: ‘hoogdag’ of ‘middag’
  • 3 uur, undorn of nón (van het Latijnse nona): ‘middagmaal’
  • 6 uur, miðraptan: ‘midavond’
  • 9 uur, náttmál: ‘nachtmaal’
  • 12 uur, miðnætti: ‘middernacht’

Net zoals nu maken zeven dagen een week en zitten er 52 weken in een jaar. Het jaar is in tweeën gedeeld aan de hand van de hoeveelheid zon: een periode van licht en een periode van duisternis, zomer en winter. Deze twee seizoenen van ieder 26 weken heten de misseri. Elk zevende jaar wordt er een extra week toegevoegd als correctie. De winter begint met de vetrnætr, winternachten op een zaterdag in een bepaalde week en het begin van de zomer wordt gemarkeerd door de sumermál, de zomermaaltijd op een donderdag.

Ook in de Vikingtijd worden de twee misseri onderverdeeld in maanden. De namen van maanden hangen vaak samen met werkzaamheden in een bepaald seizoen, zoals de oogstmaand, haustmánuðr, de weidemaand, selmánuðr, de slachtmaand, gormánuðr, de eiertijd of schaapskooitijd, eggtíð ok stekktíð of de maand waarin koren wordt geoogst, kornskurðarmánuðr.

Over de seizoenen schrijft Snorri Sturluson (vertaling door Marcel Otten):

Vanaf de equinox* is het herfst tot de zon in het negende uur komt te staan. Dan is het winter tot de volgende equinox en dan is het lente tot het einde van de wonnemaand. Dan is het zomer tot aan de equinox.

Otten vertaalt het Oudnoordse fardaga met wonnemaand, meimaand/ weidemaand. Voor het begrip is het beter om dit woord, letterlijk ‘bewegende dagen’  te vertalen met ‘verhuisdagen’, fardaga duidt namelijk de periode aan waarin het legaal was om te verhuizen. Voor krijgers is daarnaast de lente ook de tijd om naar het buitenland te gaan. Net zoals nu zijn de dagen dat de belastingen betaald moeten worden ook in de vikingtijd belangrijke dagen in het jaar die een tijdsinvestering vergen.

De Vikingen gebruiken ook een kalender, de runenkalender. Die wordt in een stuk hout gekerft, een primstav, en kan zo jarenlang meegaan als een eeuwigdurende kalender. De naam primstav komt van het feit dat het begin van het jaar op de runenkalender valt op de dag van de eerste nieuwe maan na de winter, eerste in het Latijn is primatio. Vanaf deze eerste dag met de nieuwe maan begint men met het tellen van de zeven dagen van de week, iedere dag wordt gemarkeerd met een van de eerste zeven runen van het Jonge Futhark runenalfabet. De begindag van de week valt in een jaar steeds op dezelfde dag, maar het begin van het jaar valt niet elk jaar op dezelfde dag. De dag van de week waarop het jaar begint, blijft het hele jaar door de eerste dag van de week. Na 19 jaar valt de eerste dag van het jaar weer op dezelfde dag, dat heet de Cyclus van Meton, naar een Griekse astronoom. Deze cyclus wordt ook in de runenkalender aangehouden.

Een primstav is meestal verdeeld in drie rijen. In de middelste rij staan vaak de runen voor de dagen van de week. Daarboven staan symbolen voor belangrijke dagen, zoals lokale feestdagen voor heiligen. Ook de dagen om te zaaien en oogsten staan hier gemarkeerd. Op de onderste rij staan de negentien gouden nummers, elk jaar in de Cyclus van Meton wordt aangeduid door een van deze nummers. De nummers heten gouden nummers omdat ze in manuscripten vaak in gouden inkt werden geschreven. Op de primstav worden de 16 runentekens gebruikt uit het Jonge Futhark aangevuld met drie speciale tekens, Arlaug, Tvimadur en Belgthor. Deze tekens markeren de nieuwe manen in dat jaar. Deze nummers worden ook gebruikt om te bepalen wanneer Pasen valt in dat specifieke jaar omdat Pasen immers steeds op een andere dag valt.

Nu ik de indeling on dagen, maanden, seizoenen en jaren besproken heb, rest me nog te melden dat we in Skaldskaparmál  ook benamingen voor kleinere en abstractere eenheden van tijd vinden:

Þessi eru nöfn stundanna: öld, forðum, aldr, fyrir löngu, (…) árla, snemma, síðla, í sinn, fyrra dag, í næst, í gær, á morgun, stund, mél.

Dit zijn benamingen voor tijd: ‘leeftijd’, ‘vroeger’, ‘levensduur’, ‘lang geleden’, (…) ‘avondval’, ‘vroeg’, ‘gauw’, ‘laat’, ‘nu’, ‘eergisteren’, ‘laatst’, ‘gisteren’, ‘morgen’, ‘uur’ en ‘een poosje’.

*Equinox is een tijdstip in het jaar waarop de zon loodrecht boven de evenaar staat.

Advertisements

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs

De twee Edda’s

De meeste informatie over de Scandinavische mythologie is ons bekend geworden dankzij de in de middeleeuwen op IJsland opgetekende saga’s en twee manuscripten die allebei Edda worden genoemd: de Proza Edda en de Poëtische of Lied Edda. De laatste is het oudst; deze is bewaard gebleven in een manuscript uit de 14e eeuw, dat de Codex Regius wordt genoemd en dat 29 liederen of gedichten bevat waarvan er 11 betrekking hebben op de oudnoordse goden en de overige 18 de zgn. Volsungasaga bevatten waarin de held Sigurd centraal staat. Deze laatste zou je de Scandinavische versie van het Duitse Nibelungenlied kunnen noemen. Naast de Lied Edda is de Proza Edda overgeleverd, ook wel de Jongere Edda genoemd, geschreven door Snorri Sturluson. Deze twee Edda’s vormen samen de belangrijkste bron van kennis over het oudnoordse wereldbeeld, de mythen en legenden.

Het werk van Snorri

De vertel- en dichtkunst werd in de vikingtijd bedreven door zgn. skalden, dichters/zangers die zelfgemaakte of bestaande rijmverhalen en liederen voordroegen, zoals bijvoorbeeld de liederen die in de Lied Edda staan. Deze liederen werden veelal van skald tot skald overgedragen. Snorri Sturluson, een IJslandse hoofdman en geleerde uit de 13e eeuw, wilde na de kerstening van IJsland de traditionele dichtkunst behoeden voor de ondergang en tekende daarom zoveel mogelijk mondeling overgeleverde oude rijmverhalen op. Hij bundelde deze verhalen samen met een handboek van de oudnoordse poëzie met de bedoeling skalden in opleiding een overzicht van mythologische begrippen en verklaringen daarvan te geven, als een soort naslagwerk zou je kunnen zeggen. Zijn boekwerk bestaat naast een proloog over het ontstaan van het geloof in goden uit drie hoofddelen: de zogenaamde Gylfaginning, ‘de begoocheling van Gylfi’, over de wereld van de oudnoordse goden, het scheppingsverhaal en de ondergang; het tweede deel heet de Skáldskaparmál ‘over de dichtkunst’, dit bespreekt de taal van de dichtkunst, terwijl het laatste deel, de Háttatal, versvormen en rijmschema’s behandelt.

Wereldbeeld

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs is vrij onoverzichtelijk. In de overleverde teksten is er sprake van twee verschillende wereldbeelden die naast en door elkaar heen bestaan, de ene is horizontaal, de andere verticaal. Waar ze het over eens zijn, is dat na Ragnarok, de ondergang, een betere wereld zal verrijzen. In het horizontale wereldbeeld is de aarde rond en plat. In het centrum liggen Åsgard, de godenwereld, en de Yggdrasill, de wereldboom, daaromheen ligt de mensenwereld Midgard. De reuzenwereld Jotunheimen ligt daar weer omheen. Dit alles wordt omringd door een machtige oceaan. Aan de overkant daarvan bevindt zich het rijk van de reus Utgardaloki. Boven de wereld wordt de hemel gesteund door vier dwergen die de windrichtingen verbeelden. Goden, reuzen en mensen leven samen op deze aarde. Diep onder de aarde bevindt zich het dodenrijk Hel. De windrichtingen spelen een grote rol: de dreigingen die Ragnarok zullen veroorzaken komen voornamelijk uit het oosten en het zuiden. Het verticale wereldbeeld onderscheidt een onbekend aantal werelden die boven elkaar bestaan. Snorri zelf noemt negen werelden waarvan Niflhel de onderste is, terwijl de reus Vafthrudnir in de Lied Edda pocht dat hij door negen werelden naar de Niflhel is afgedaald. Ook naar boven toe, boven Åsgard`, zouden nog verschillende hemels bestaan. De brug Bifrost is de verbindende schakel tussen aarde en Åsgard. Wereldboom Yggdrasil verbeeldt de verbinding tussen alle werelden, met vertakkingen naar boven toe en met wortels die op, onder en boven de aarde liggen, bij het dodenrijk Hel, de mensen en de goden.

De goden en andere wezens

De familie van de goden valt uiteen in Asen en Wanen. Deze tweedeling is ontstaan na de schepping van de wereld door Odin, Vili en Ve. Vili en Ve zijn na enige tijd tevreden met hun schepping en willen in de wereld rondtrekken, Odin is nog niet tevreden. Hier splitst de godenfamilie zich in tweeën: de Asen worden de volgelingen van Odin, de Wanen volgen Vili en Ve. De Asen worden veelal geassocieerd met strijd en handel, de Wanen zijn oorspronkelijk vruchtbaarheidsgoden, goden van zee en overvloed en zij worden door de Asen gevreesd vanwege hun magische krachten. De belangrijkste tegenstanders van de goden zijn de reuzen, de Jotner. Er zijn verder ook elfen of alven die vaak op een lijn met de goden gesteld worden. De Lichtalven wonen in een prachtig oord grenzend aan Åsgard. De Zwartalven wonen onder de grond en worden als aardgeesten gezien en vaak in een adem met de dwergen genoemd.