Heksenvervolgingen in Noorwegen

Eerder schreef ik over Magie in mythologie en over het Steilneset monument in Vardø. In deze aflevering van Scandinavische mythologie besteed ik aandacht aan deze donkere periode van heksenvervolgingen in Europa waarin duidelijk wordt welke vreselijke consequenties bijgeloof en propaganda in combinatie met natuurgeweld en angst voor het onbekende kunnen hebben.

Angst voor heksen

In alle religies en culturen bestaan opvattingen over heksen en tovenarij. In het Westen wordt hekserij lange tijd in verband gebracht met volksgeloof. Het ongeletterde volk zoekt bij ongeluk en tegenslagen een verklaring en een zondebok. Iemand die buiten de samenleving staat of “anders”, ziek of gebrekkig is, is dan een makkelijke prooi. Vanaf de 15e eeuw wordt binnen Europa, onder invloed van het Christendom, hekserij steeds meer gerelateerd aan aanbidding van de duivel en afvalligheid van God.

Heksenvervolging in Europa

Er hebben vanaf de oudheid al veroordelingen plaatsgevonden van gebeurtenissen die aan magie worden toegeschreven, het gaat dan om misoogsten of onverklaarbare of tragische sterfgevallen waarbij een zondebok gezocht wordt. Tot de vroege Middeleeuwen blij de straf meestal beperkt tot een geldboete of verbanning. Hekserij wordt in de Middeleeuwen veelal gezien als een heidens overblijfsel en als onbelangrijk terzijde geschoven.

In 1250 verandert dit, dan wordt het kerkelijke gerecht, de inquisitie, ingesteld tegen ketterij. Vanaf 1375 verschijnen geschriften tegen hekserij waarin gesproken wordt van een ‘ketters verbond’ tussen de heks en de duivel. Als gevolg van deze geschriften worden er meer heksen dan voorheen gewelddadiger beschuldigd, gemarteld en op brandstapels verbrand.

Het ‘hoogtepunt’ van de heksenvervolging wordt bereikt tussen 1560 en 1680. Er gaan verhalen rond dat overal heksen zijn die het land willen overnemen. Deze angst leidt tot massaprocessen. Pas in 1660 verandert de mentaliteit bij de elite. Men wordt steeds sceptischer en verwerpt het concept van onstoffelijke wezens. Hierdoor laat de elite ideeën over duivelspacten en heksensabbats langzaam maar zeker varen. Ook worden processen tegen heksen tegengewerkt door rechters en wordt wetgeving aangepast waardoor processen steeds minder vaak leiden tot een veroordeling. Nadat uiteindelijk ook marteling afgeschaft wordt, komt er rond 1720 een eind aan de heksenvervolging in Europa.

Heksenvervolging in Noorwegen

Door de overgeleverde rechtbankverslagen weten we dat in de 17e eeuw veel heksenprocessen in Finnmark gevoerd worden. Dat kan verklaard worden doordat in Noord Noorwegen de lokale macht bij buitenlandse, vaak Schotse, Duitse en Deense mannen ligt. Mannen uit landen waar heksenvervolging al eeuwenlang aan de orde van de dag is. Religieuze experts in Europa beweren in die tijd dat ‘het kwaad’ uit het Noorden komt, specifiek uit Nordkalotten waar de Sami wonen. Ze beweren ook dat de noordenwind magie uit het Noorden over Europa verspreidt. De bestuurders geloven deze vooroordelen. De Sami zijn daarnaast geen Christenen en hebben de reputatie magie te bedrijven. De bestuurders raken ervan overtuigd dat zij naar deze regio zijn gestuurd om de Sami op het ‘rechte pad’ te krijgen.

De bestuurders keuren het ook af dat de Scandinavische vrouwen langs de kust vaak maandenlang alleen zijn terwijl hun mannen op zee varen om te vissen. Ze verdenken de vrouwen ervan dat ze vreemdgaan met demonen.

In 1617 wordt Oost Finnmark verrast door een plotselinge, verwoestende storm. De meerderheid van de mannelijke bevolking is op dat moment op zee. Tien boten zinken en 40 mannen sterven. In hetzelfde jaar wordt in Denemarken-Noorwegen een nieuwe wet tegen hekserij en tovenarij van kracht, die in 1620 Finnmark bereikt.

In 1621 vindt in Vardø een heksenproces plaats in het fort van Vardøhus. Uiteindelijk worden hier 77 vrouwen en 14 mannen ondervraagd, veroordeeld en verbrand.

Mari Jørgensdatter uit Kiberg wordt op 21 januari gemarteld en ondervraagd. Ze vertelt dat ze rond kerst in 1620 samen met de Duivel naar haar buurvrouw Kirsti Sørensdatter is gegaan. Kirsti nodigt haar uit om mee te gaan naar een feest bij de Lydhorn berg, net buiten Bergen. Zij verandert Mari in een vos en Mari en Kirsti vliegen vervolgens naar Bergen. Mari herkent op het feest twee mannen en een aantal vrouwen uit het gebied rond de Varangerfjord, ook zij zijn in de gedaantes van dieren, ze noemt katten, honden, zeemonsters en vo- gels. Alle heksen, behalve Kirsti, vliegen na het feest terug naar huis. Kirsti blij achter om Bergen te bezoeken.
Deze heksen zijn volgens Mari ook verantwoordelijk voor de grote storm van 1617. Dit wordt bevestigd door Else Knutsdatter. Nadat Else is blootgesteld aan de waterproef bevestigt ze Mari’s verhaal. Ze vertelt verder dat de heksen in 1617 een visdraad driemaal knoopten, erop spuugden en weer losmaakten waarna de zee als as oprees en de schepen zonken.

Kirsti Sørensdatter wordt door veel van de veroordeelde vrouwen aangewezen als hun leider. Kirsti wordt opgepakt als ze terugkomt uit Bergen. Ze wordt gemarteld en bevestigt de verhalen van de andere vrouwen. Ze wordt op 28 april 1621 op de brandstapel verbrand en is het laatste slachto er van het grootste heksenproces van Vardø.

In Noord Noorwegen zijn tussen 1621 en 1663 150 mensen ter dood veroordeeld vanwege hekserij. Alle veroordeelde mannen waren Samisch en alle vrouwen Noors.

 

Advertisements

Dwergen in de Scandinavische mythologie

Dwergen (svartalf, zwartelven) spelen een belangrijke rol in Scandinavische mythologie. Ze wonen ondergronds in Svartalfheim, een rijk vol mijnen en labyrinten, en ze zijn pikzwart. Hun bekendste eigenschap is dat ze fantastische smeden zijn, ze maken de beste wapens en de mooiste juwelen.

In de mythologie wordt verteld dat de dwergen gemaakt zijn uit zand en steen. Als ze blootgesteld worden aan zonlicht vallen ze ook weer uiteen in zand en aarde. Daarom wonen de dwergen ondergronds. In Gylfaginning wordt verteld dat de vier dwergen Norðri, Suðri, Austri en Vestri de hemel op hun schouders dragen.

Hun status als gedreven ambachtslieden wordt geïllustreerd doordat dwergen verantwoordelijk zijn voor de drie belangrijkste godenartefacten. Zo worden de dwergen Brokk en Eitri genoemd als makers van Thors hamer Mjölnir, Odins armring Draupnir en Gullinbursti, het gouden wilde zwijn van Freyr. Zij maken deze voorwerpen om aan Loki te bewijzen dat zij mooiere dingen kunnen maken dan de dwergen die ‘de zonen van Ivaldi’ worden genoemd. De zonen van Ivaldi hebben bijvoorbeeld Gungnir, de speer van Odin, en Skíðblaðnir, de opvouwbare boot van Freyr gemaakt.
Helaas voor Loki slagen de dwergen erin om de zonen van Ivaldi te overtreffen, Loki heeft namelijk zijn eigen hoofd ingezet in de weddenschap. Hij weet zich eruit te praten door de dwergen er op te wijzen dat ze zijn nek moeten doorsnijden om zijn hoofd te krijgen, en zijn nek is natuurlijk nooit onderdeel geweest van de weddenschap! De dwergen moeten hem daar gelijk in geven maar laten zijn bedrog niet ongestraft: ze besluiten om zijn mond dicht te naaien zodat hij anderen niet kan bedriegen met zijn woordspelletjes.
Dwergen zijn ook zeer bedreven in het werken met goud, ze kunnen er zelfs haar van maken. In Skáldskaparmál lezen we hoe de dwergen haar van goud maken, zo fijn als zijde en zo licht dat zelf een vogel het gewicht niet kan voelen. Dit alles omdat Loki als grap het haar van Thors vrouw Sif heeft afgeknipt en alleen haar van goud Sif weer gelukkig kan maken.
Andere voorwerpen die in de mythologie terugkomen zijn een helm, Huliðshjálmr, met een bijbehorende cape die er voor zorgen dat de dwergen onzichtbaar worden en een ring die vergelijkbaar is met Odins Draupnir. Deze ring is gemaakt door de dwerg Andvari, Waakzaam.
Andvari leeft onder een waterval en kan zichzelf veranderen in een snoek. Hij heeft een ring gesmeed, Andvaranaut (het geschenk van Andvari) met dezelfde magische eigenschap als Draupnir: ook uit deze ring komen elke negende dag acht nieuwe ringen. Andvari is schatrijk geworden. Op een dag wordt Andvari in zijn gedaante als snoek gevangen door Loki die op zoek is naar goud. Loki eist al het goud van Andvari en in zijn hebzucht pakt hij ook de ring. Andvari vervloekt de ring en zijn schat: iedereen die de volledige schat bezit, zal sterven.
Er zijn ook dwergen beroemd (of berucht) geworden om andere dingen dan de voorwerpen die ze maken. Fjalar en Galar, bijvoorbeeld. Zij besluiten om de reus Kvasir te vermoorden om zijn kennis te stelen, zijn bloed mengen ze met honing om mede te maken. Ieder die deze mede drinkt, wordt dichter of geleerde. De dwergen raken de mede kwijt als ze de reus Gilling en zijn vrouw vermoorden. Suttung, de zoon van Gilling, ontdekt dat Fjalar en Galar zijn ouders hebben vermoord en bedreigt de dwergen. Om hem te sussen bieden Fjalar en Galar Suttung de magische mede aan. Suttung verstopt de mede middenin een berg en laat zijn zus Gunnlod de mede bewaken.

Een andere beroemde dwerg is Alviss, Alwijs. Zijn verhaal is een tragisch liefdesverhaal. Thrud, de mooie dochter van Thor, is als vrouw beloofd aan Alviss. Thor wil echter niet dat Thrud met een dwerg trouwt, hij eist dat Alviss eerst bewijst dat hij echt alwetend is. Alviss stem toe, verblind door liefde voor Thrud. Thor begint vraag na vraag af te vuren op Alviss, de vragen gaan over alle werelden, over de zee, de hemel, de aarde, het duurt zo lang dat de ochtend aanbreekt en Alviss verrast wordt door het zonlicht waardoor hij in steen verandert.
Er is ook nog een aantal andere dwergen uit de Scandinavische mythologie eeuwen later beroemd geworden. Het is geen geheim dat Tolkien geïnspireerd is geraakt door de Scandinavische mythologie. Hij studeerde in 1915 af in Engelse filologie (taalkunde die zich op dode talen richt) met Oud-noords als extra vak. De namen die hij geeft aan zijn dwergen in De Hobbit, komen rechtstreeks uit Völuspá: Thorin met het Eikenschild, Dvalin, Bifur, Bofur, Bömbur, Nóri, Óinn, Thrór, Thrain, Fíli en Kíli. Zo leeft de Scandinavische mythologie ook in moderne media en literatuur voort.

Offerfeesten

De dagen worden langzaam weer kouder en donkerder en de feestdagen komen weer in zicht. Welke feesten vierden de vroegere Scandinaviërs eigenlijk?

In de Ynglinga saga wordt een aantal oude feesten genoemd en deze worden aangeduid met de term blót. Blót betekent ‘offer’, ‘verering’. Het woord offer is beladen, maar blót is etymologisch gezien niet gelinkt aan woorden voor bloed. Er werden vermoedelijk ook niet mensen ritueel geofferd. Een blót hield voornamelijk in dat mensen elkaar tijdens een feest ontmoeten en samen aten en dronken. Iedereen gaf bier en mede aan elkaar door en er werd geproost op voorspoed en gezondheid, of op een goed jaar en vrede (til árs ok friðar), terwijl in grote ketels op hete stenen varkensvlees en paardenvlees werd gekookt. In Håkon Góði saga wordt wel een gruwelijk detail van de viering genoemd: het bloed van de dieren werd als magisch gezien en werd over de muren en over beelden van goden gesprenkeld.

Voorbeelden van blót

Blót werden om verschillende redenen gehouden, vaak op speciale momenten in het jaar. Zo werd rond de oogsttijd een blót gehouden voor een goede oogst. In de winter tijdens de zonnewende, werd de terugkeer van het licht en het lengen van de dagen gevierd. Blót werden op speciale plekken gehouden. Zo wordt in de Ynglinga saga het Mälarenmeer in Zweden genoemd, het huidige Sigtuna. Odin ging bij dit meer wonen en liet een grote tempel bouwen waar blót gehouden werden.

Jaarlijkse blót

Volgens de wetten die Odin in Ynglinga saga voorschreef, moesten verschillende blót gehouden worden:

Een offer moest gebracht worden aan het begin van de winter voor een goed jaar, en midden in de winter een offer voor voorspoedige groei, het derde moest aan het begin van de zomer gehouden worden. Dat was het zegeoffer.

In Heimskringla schrijft Snorri ook een aantal keer dat jaarlijks drie offerfeesten gehouden werden, bijvoorbeeld in Olafs Saga Helga: ‘Nu is het hun oude gebruik om in de herfst een offerfeest te hebben om de winter te begroeten, een tweede in het midden van de winter en een derde aan het begin van de zomer om de zomer te begroeten.’

In Ólafs Saga Tryggvasonar wordt  nog een vierde offerfeest genoemd dat in het midden van de zomer plaats vond: het midzomerofferfeest (miðsumarsblót).Daarnaast wordt een landsofferfeest genoemd, het höfuðblót (hoofdoffer). Dit werd eens in de negen jaar gevierd. In Olafs saga helga staat daarover het volgende:

In Zweden was het een oud gebruik, toen het land nog heidens was, dat het hoofdoffer plaatsvond in Uppsala, in de maand gói. Offers werden gebracht voor vrede en voor de zege van de koning. Op deze plek kwamen mensen uit het gehele Svea-rijk, en tegelijk zou ook het þing van de Zweden er plaatsvinden. Ook werden er markten gehouden die een week duurden.

Na de kerstening werden deze feesten vervangen door christelijke feesten. Dit wordt beschreven in de Ágrip af Nóregskonungasögum (Synopsis van de sagen van de Noorse koningen). Deze synopsis werd geschreven rond 1190 door een onbekende Noorse auteur. Daarin wordt verteld dat koning Olaf Tryggvason het heidense offeren verbood, en in plaats daarvan vier feestelijke drinkgelagen‚ blótdrykkjur‘, invoerde: met Kerstmis, met Pasen, een ‘lichtbier’ met Sint Jan en een ‘herfstbier’ met Sint Michaël.

Blót in huiselijke kring

Naast deze landelijke vieringen waar veel mensen samenkwamen, waren er ook blót die thuis in de familiekring werden gevierd. Een voorbeeld daarvan is de álfablót. Dit was een familieaangelegenheid waarbij vreemden niet welkom waren. De vrouw van het huis leidde deze viering waarbij ook bier gedronken werd. We lezen hierover in het skaldendicht Austrfararvísur. Sighvatr komt na een lange reis met zijn gevolg hongerig en vermoeid aan in Hof, het huidige Stora Hova in Västergötland. Deze keer worden ze niet gastvrij ontvangen zoals ze gewend zijn, maar wordt de deur niet eens voor ze opengedaan. Sighvatr moet zijn neus door een nauwe opening steken om met de bewoners te praten; deze sturen Sighvatr echter weg vanwege de álfablót. Sighvatr antwoordt dat hij hoopt dat de trollen hen zullen komen halen! Ook bij de volgende plekken worden ze weggestuurd, zelfs bij de hoffelijkste man van de streek. Sighvatr verzucht dat als dit de beste man is, hij de gemeenste man nooit hoopt te ontmoeten.

Tegenwoordig zijn we gelukkig wat gastvrijer tijdens de feestdagen!

 

Magie in de Scandinavische mythologie

In de Scandinavische mythologie zien we vaak verwijzingen naar magie of magische gebeurtenissen. De meest
voorkomende woorden voor verschillende vormen van magie zijn trolldómmr (magie), gandr (magische staf), galdr (bezweren) en seiðr, waarbij seiðr de meest bekende term is. In latere teksten, na de kerstening, worden de termen hindrvitni (bijgeloof) en vantrú (ongeloof) gebruikt en deze nieuwere termen geven meteen ook weer dat de opvatting over magie veranderd is ten opzichte van de heidense tijd.

Seiðr

Seiðr betekent letterlijk ‘koord/streng’; het is een vorm van het veranderen (opnieuw ‘weven’) van iemands lot. Het is net als de andere vormen van magie een techniek om in contact te komen met de bovennatuurlijke krachten en hen te verplichten of proberen te overtuigen om te doen wat de beoefenaar wil.

Freyja en Odin worden in verband gebracht met seiðr. Van Freya wordt in Ynglinga saga gezegd dat de Vanen het beheersen en dat Freya deze kunst aan de Æsir leert:

Dóttir Njarðar var Freyja. Hon var blótgyðja. Hon kenndi fyrst með Ásum seið, sem Vönum var títt.

‘Freya was de dochter van Njord, ze zat het offer voor. Zij was de eerste die de Æsir seiðr leert, wat de gewoonte was bij de Vanen’.

Seiðr is iets waar voornamelijk vrouwen zich mee bezighouden. Odin beoefent het ook, maar hij is een uitzondering. In Lokasenna beschuldigt Loki Odin van het beoefenen van seiðr. Loki noemt het een verwijfde (ergi) kunst. In Ynglinga saga lezen we daarnaast dat het beoefenen van seiðr ervoor zorgt dat de beoefenaar zwak en hulpeloos wordt.

Magie in het dagelijks leven en wetten 

Naast de goden beoefenen gewone mensen ook tovenarij. Vrouwen die seiðr beoefenen worden vǫlva ‘drager van een (magische) staf’ genoemd. De vǫlva spelen een belangrijke rol in de middeleeuwse Scandinavische maatschappij. Het zijn meestal wat oudere vrouwen  die rondreizen, vaak met een gevolg van jonge mensen om zich heen. Ze reizen langs iedere boerderij en verlenen in ruil voor onderdak en eten en op uitnodiging magische diensten, zoals waarzeggerij, het voorspellen van de toekomst en het weer en het verkopen van amuletten.

De 13e eeuwse saga Eiríks saga rauða, over Erik de Rode, vertelt over Thorbjorg, een seiðkona of vǫlva in Groenland. Ze draagt een blauwe mantel met kap en een muts van zwarte lamswol, afgewerkt met wit kattenvel; in haar handen heeft ze de symbolische toverstaf (seiðstafr). Ze draagt een tas bij zich met amuletten die ze nodig heeft in haar wijsheid. Aan haar handen draagt ze handschoenen van kattenpels, binnenin zijn de handschoenen wit en harig. 

In wetteksten zijn deze praktijken na de kerstening meteen in de ban gedaan. In een 13e-eeuws manuscript (dat waarschijnlijk een eeuw eerder is opgetekend) uit het westelijke fjordengebied van Noorwegen, de Gulaþingslög, staat een hoofdstuk ‘Aangaande profetieën en hekserij’. In dit hoofdstuk wordt gezegd dat mensen niet in waarzeggerij, hekserij en vloeken moeten geloven en er worden straffen voorgeschreven voor mensen die er wel in geloven of die zich ermee bezighouden.

Om te weten te komen wat deze magische praktijken precies inhouden, komen we niet veel verder met deze wettekst.

De Borgarþing wetten, de overgeleverde wetten van het gebied rondom de Oslofjord, geven gelukkig meer details. Deze wetten worden gedateerd in het midden van de 12e eeuw en zijn in 14e-eeuwse manuscripten overgeleverd. Er wordt hierin verteld over een vrouw die de vinger of teen van haar kind afbijt om zo te zorgen dat het kind lang leeft. Ook wordt gezegd dat ‘de slechtste heks’ een heks is die een man, vrouw, kind, koe of kalf vernietigt. Er wordt ook gesproken over amuletten (van mensenhaar, nagels of kikkerpoten) die in bedden of houten balken gevonden worden. De plaats Finnmark wordt specifiek genoemd, er staat namelijk een straf op als iemand naar Finnmark reist voor waarzeggerij. Tenslotte worden trollenrijders, waarzeggers en mensen die in landgeesten geloven genoemd en wordt specifiek melding gemaakt van een ritueel waarbij iemand ‘buiten zit’ om de toekomst te ontrafelen. 

Dat spreuken en magie niet altijd over kikkerpoten of waarzeggerij gaan, bewijst het volgende mooie voorbeeld van een spreuk die we kunnen volgen van vroege sagen, via wetteksten van eeuwen later tot aan het huidige IJsland. Het gaat om de uitdrukking ‘til árs ok friðar’. We vinden deze uitdrukking in de Edda, waar Snorri zegt dat je bij de god Freyr moet zijn om te bidden voor ‘overvloedige oogsten en vrede’ (til árs ok friðar). In de Gulaþingslög wordt dezelfde uitdrukking gebruikt als een gebed naar Jezus en Maria voor overvloedige oogst en tegenwoordig wordt het tijdens nieuwjaar nog als gelukwens gebruikt in IJsland. 

Het getal 3 in de Scandinavische mythologie

In bijna alle culturen wordt aan bepaalde getallen symbolische betekenissen toegekend. Deze verschillen in diverse culturen. In Nederland zien we dat terug bij het getal 11, dat veel mensen als het gekkengetal zien. Carnaval begint (dan) ook op de 11e dag van de 11e maand. Het getal 13 zien we collectief als het ongeluksgetal en als de 13e dag van een maand op een vrijdag valt, hebben we helemaal de poppen aan het dansen! Wat maakt getallen zo bijzonder?

Getalstelsels

Er zijn verschillende redenen waarom we bepaalde getallen belangrijk of herkenbaar vinden, zo maken wij gebruik van het tientallig stelsel, dat is terug te herleiden naar onze twee handen met elk 5 vingers.

Niet iedereen maakte echter gebruik van deze handigheid, de Babyloniërs gebruikten een zestigtallig stelsel dat ze van de Sumeriërs hadden geleend. Dat klinkt in eerste instantie heel lastig, maar wij maken daar nu ook nog steeds gebruik van bij onze uren en minuten. Een uur heeft immers 60 minuten en een minuut bestaat uit 60 seconden. Ook gebruiken we het zestigtallig stelsel om cirkels te verdelen in 6 x 60, dus 360 graden. Het getal 60 is een ‘hogelijk samengesteld getal’ dat houdt in dat het getal deelbaar is door meer getallen dan elk kleiner positief getal. 60 is deelbaar door 12 getallen, terwijl 100 slechts deelbaar is door negen getallen. Dit maakt 60 een goed getal om voor tijdsindeling te gebruiken.

Het principe van de cirkel komt ook van de Sumeriërs, zij rondden het aantal dagen in een jaar af op 360 en gebruikten daar het symbool van een cirkel voor. Door de verdeling van jaar en een cirkel in 360 delen schuift de aarde in een dag ongeveer één graad verder in zijn baan om de zon.

Symboliek in het getal 3

Uit dit uitstapje naar getalstelsels blijkt dat wat wij als normaal zien al duizenden jaren bestaat. Ook symbolische betekenissen van getallen kennen vaak een lange geschiedenis, zo vinden we beschrijvingen van getallen in de bijbel, de koran en in verschillende mythologieën. In de Scandinavische mythologie lijkt vooral het getal 3 speciaal. Dit getal komt in veel culturen en teksten terug. In de Griekse mythologie wordt het getal 3 gezien als het toppunt van volmaaktheid. Ook in het Oude en Nieuwe Testament verschijnt het getal 3 regelmatig, denk aan de 3 wijzen uit het Oosten, maar ook als de symbolische voorstelling van de Heilige Drie Eenheid.

Het getal 3 zien we in de Scandinavische mythologie vaak als een drie-eenheid: de wereldboom Yggdrasil heeft 3 wortels, er zijn 3 x 3, werelden, Loki heeft 3 kinderen gekregen van de jötunn (reus) Angrboða: Hel, de wolf Fenrir en de Midgardslang Jörmungandr. Odin heeft nog twee broers, Ville en Ve. En trollen hebben altijd 3, 6 of 9 neuzen!

Ook in verhalen komen groepen van 3 vaak voor. In Gylfaginning gaat Gylfi naar een paleis, daar ziet hij 3 tronen boven elkaar, met 3 mannen erop: De Hoge, Evenhoog en Derde. Er wordt ook verteld dat voor Ragnarök er 3 opeenvolgende strenge winters zullen komen, zonder zomer ertussen. Dit wordt de Fimbulwinter genoemd.

We zien het getal 3 ook gebruikt worden als een magisch getal: zo wordt Loki vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon en worden de ingewanden 3maal om de steen heen gedraaid. Tyr bindt de kaken van Fenrir door het touw er 3 maal omheen te slaan.

In veel mythologieën komen goden of godinnen in een godentriade voor, de 3 Nornen zijn daar een voorbeeld van, net zoals de 3 moedergodinnen Freyja, Frigg en Skaði. In de Keltische mythologie vormt de triade Badb, Macha en Emain de oorlogsgodin die de Mórrígan genoemd wordt. In het oude Egypte hadden verschillende steden een triade, een bekend voorbeeld is de triade van Heliopolis die bestaat uit Osiris, Isis en Horus.

De socioloog Georges Dumézil zag gelijkenissen tussen de godentriaden van vele Indo-Europese culturen. Volgens hem zou Indo-Europese godentrias de 3 maatschappelijke lagen vertegenwoordigen: de heersende klasse, de krijgersklasse en de boerenklasse. In deze theorie passen Odin, Freyr, en Thor, zij worden ook als een triade gezien. Odin is de god van de lucht, dood, poëzie en oorlog, Freyr is de god van de zomer en vruchtbaarheid en Thor is de dondergod en god van verwoesting.

Ik begon dit stuk met het huidige ongeluksgetal 13, ook dat heeft een lange geschiedenis. Als eerste kennen we het ongeluksgetal van het laatste avondmaal, waar Jezus voor het laatst met zijn 12 apostelen aan tafel zit. Ook in de Romeinse tijd lezen we over 13 als een getal dat ongeluk en verwoesting brengt en in de Middeleeuwen wordt verteld dat een heksencoven uit dertien personen bestaat. In de Scandinavische mythologie tenslotte, is Baldr samen met 11 andere goden op een feest. Nadat Loki als dertiende god binnenkomt, loopt het uit de hand: een streek van Loki veroorzaakt de dood van Baldr.

Om de cirkel helemaal rond te krijgen: vrijdag is een ongeluksdag door Goede Vrijdag, toen Jezus werd gekruisigd, daarnaast voerden de Romeinen en later ook de Engelsen doodvonnissen op vrijdag uit. In 1307 werden op vrijdag de 13e alle Tempeliers opgepakt op bevel van Philip de Schone, dit bleek de opmaat voor de uiteindelijke vernietiging van de orde van de Tempeliers. Met recht een ongeluksdag dus.

Thorlak, de beschermheilige van IJsland

IJsland is lang onbewoond gebleven. Pas in de 8e en 9e eeuw kwamen de eerste kolonisten aan land. Het grootste deel van de kolonisten was heiden en IJsland was nog grotendeels een heidens gebied in een Europa waar het christendom steeds weider verspreid werd. Een deel van de eerste bewoners was echter afkomstig van de Britse Eilanden, zij waren daar vaak al eerder met het christendom in aanraking gekomen en namen het geloof mee naar IJsland. Zij slaagden er echter niet in om de overige eerste bewoners te bekeren.

Vanaf 980 bezochten verschillende missionarissen IJsland. De eerste was een terugkerende IJslander: Þorvaldr Konráðsson inn víðförli: Thorvald Konradsson de verbereisde. Hij reisde samen met een Saksische bisschop, Fridrek. Þorvaldr bereikte weinig, werd bespot en uiteindelijk gedwongen om IJsland te ontvluchten. Niet lang daarna werd de christelijke Olaf Tryggvason koning van Noorwegen. Hij vond het erg belangrijk om ook IJsland te bekeren.

Veel van zijn pogingen mislukten en de gewelddadige acties van de door hem naar IJsland gestuurde missionarissen, zoals vernielingen van heidense beelden en moord, maakten Tryggvason en het christendom niet populair. Tryggvason werd echter steeds meer vastberaden om IJsland te bekeren. Als laatste redmiddel besloot hij de Noorse havens te sluiten voor IJslandse schepen. IJsland kon nu niet meer handelen met haar belangrijkste handelspartner. Ook gijzelde Tryggvason een paar zonen van IJslandse hoofdmannen en dreigde hen te doden als de IJslanders zich niet zouden bekeren.

De IJslanders wilden koste wat kost de relaties met Noorwegen goed houden en de druk vanuit Noorwegen sterkte de christenen in het land in hun bekeringsdrift. Er dreigde een burgeroorlog uit te breken tussen de heidenen en de christenen. De situatie werd al snel tijdens de jaarlijkse Althing beslecht, er werd tot arbitrage besloten door de volksvertegenwoordiging.

Er werd een bemiddelaar benoemd die zou besluiten of IJsland christelijk zou worden. De goði Þorgeir ljósvetningagoði werd door beide partijen als bemiddelaar geaccepteerd. Hij aanvaardde deze belangrijke taak onder voorwaarde dat iedereen zich bij zijn besluit zou neerleggen. Na zich een dag en nacht teruggetrokken te hebben, besloot hij dat IJsland christelijk werd, mits er een paar uitzonderingswetten zouden blijven gelden, waaronder het eten van paardenvlees (door de paus verboden) en de eeuwenoude praktijk op IJsland om ‘overbodige’ kinderen bloot te stellen aan de elementen om te voorkomen dat het eiland overbevolkt zou raken. Þorgeir, zelf voorheen een heidense priester, gooide vervolgens al zijn heidense godenbeelden in een waterval, sindsdien bekend als de Goðafoss, de Waterval van de goden. Hierna werden alle aanwezigen op de Althing gedoopt. De vreedzame bekering van IJsland en de manier waarop een burgeroorlog werd afgewend illustreert de unieke volksvertegenwoordiging en wetgeving in IJsland.

Het duurde hierna nog ruim honderd jaar voordat IJsland zijn eerste heilige voortbracht. Þórlákr Þórhallsson werd geboren in 1133, werd op zijn tweede tot priester gewijd en in 1178 werd hij bisschop van Skálholt. Hij stichtte daarna het eerste vrouwenklooster in IJsland, hij richtte het klooster in volgens de regels van de heilige Augustinus en werd abt van het klooster. Þórlákr deed zijn best om kerkelijke tucht in het hele land te vestigen. Hij stierf 15 jaar later op 23 december 1193. Hij werd meteen na zijn dood al als heilige vereerd. In de 13e eeuw verschenen de eerste heiligenlevens over Þórlákr. Pas in 1984 werd zijn heilige status officieel en riep Paus Johannes Paulus II hem uit tot nationaal beschermheilige van IJsland.

In de heiligenlevens zijn een aantal wonderen toegeschreven aan Þórlákr. Zo kon hij bijvoorbeeld ziektes genezen. Er wordt verteld over een man, Tjovri, die zo zwaar gewond raakte aan zijn handen dat zijn handen ontstoken en stijf werden en hij zijn vingers niet meer kon strekken. Na 15 jaar riep hij Þórlákr aan en vroeg hem om hem te zegenen en te genezen. Toen hij de volgende ochtend wakker werd, waren zijn handen volledig genezen. Hij liet zijn handen aan alle aanwezigen zien en het Te Deum werd gezongen. Steeds meer mensen hoorden van dit wonder en vroegen Þórlákr zelf ook om hulp, en Þórlákrs gave leek onuitputtelijk: alle wensen werden meteen ingewilligd.

Þórlákr beschikte ook over meer praktische gaven, zo kon hij economische crises afwenden, koeien van arme boeren weer tot leven wekken en gist in bier veranderen. Er bestaat ook een verhaal waarin Þórlákr wordt aangeroepen door een man die zich met zijn scheermes had gesneden en Þórlákr vroeg om de wond te genezen. Ook is een verhaal bekend over een huisvrouw die haar gouden ring kwijt was en ondanks lang en veel zoeken haar ring niet kon terugvinden. Ze riep heilige Þórlákr aan en vond meteen haar ring terug op een plek waar ze vaak had gezocht.

Het is dus begrijpelijk dat Þórlákr erg populair was bij de IJslandse bevolking, zijn gave om gist in bier te veranderen zal daar zeker bij geholpen hebben! En hij is nog steeds niet vergeten: vandaag de dag vieren IJslanders nog altijd op 23 december Þorláksmessa. Dat feest wordt als de aanloop tot Kerstmis gevierd.

Antihelden in de mythologie

In de mythologieën van verschillende landen zijn antihelden (tricksters) te vinden. In de Scandinavische mythologie is Loki de meest bekende. In de Nederlandse mythologie kun je denken aan de vos Reynaert, bij de Kelten zie je in Ierland Briccriu en in Wales Efnisien. Een kenmerk van deze figuren is dat ze enerzijds goddelijke kenmerken en veel macht bezitten, ze zijn ook sluw en slim, maar aan de andere kant worden hun handelingen vaak belachelijk gemaakt en bestraft.

 

Loki wordt in verschillende bronnen genoemd, hij is een complex personage en is niet altijd slecht of een verrader. Er zijn ook verhalen waarin hij andere goden de helpende hand biedt. Loki kan van gedaante wisselen en neemt dan vaak de vorm van een dier aan (zo verschijnt hij als een merrie, een zalm en een zeehond). Of Loki nu goed of slecht is, nadat hij de dood van Baldr veroorzaakt, zijn de andere goden hem niet meer goedgezind.

Een van de bekendste gedichten rondom Loki is Lokasenna (Loki’s ruzie). Dit gedicht gaat over de wedstrijd in beledigingen die Loki met andere goden houdt. Het gedicht begint met Aegir die een feest houdt waar Loki niet voor is uitgenodigd. Loki vraagt een bediende waar de gasten over praten, de bediende meldt dat het over oorlog en vechten gaat en dat niemand iets positiefs over Loki te melden heeft. Loki wordt boos en dreigt naar binnen te gaan en ervoor te zorgen dat hij voor het eind van het feest iedereen tegen elkaar heeft opgezet en de drank (mede) die zij drinken met kwaadaardigheid zal vermengen.

 

Loki gaat vervolgens naar binnen, doet een beroep op de algemene gastvrijheidsregels en vraagt om een stoel en mede. De god Bragi antwoordt dat hij niet welkom is. Loki reageert daarop door Odin te herinneren aan een oude eed die zij gezworen hadden, waarin zij elkaar hadden beloofd samen te zullen drinken. Odin vraagt zijn zoon Vidar om plaats te maken voor Loki, Vidar gehoorzaamt en biedt Loki ook een beker aan. Loki proost vervolgens op de goden, waarbij hij Bragi nadrukkelijk uitsluit. Bragi is de beroerdste niet en biedt Loki een zwaard, een paard en een ring aan om hem tevreden te stellen. Loki is echter uit op onrust stoken en beledigt Bragi door zijn moed in twijfel te trekken. Bragi merkt op dat de gedragscode hem verbiedt om in de hal van Aegir te vechten, maar dat als ze in Asgard waren geweest, niemand hem had kunnen tegenhouden. Bragi’s vrouw probeert Bragi te sussen, wat ervoor zorgt dat Loki zijn beledigingen op haar richt en uiteindelijk iedere god en godin op het feest op zijn of haar tekortkomingen wijst. Dan komt Thor binnen. Hij dreigt Loki te onthoofden met zijn hamer, waarop Loki zegt dat hij de bedreigingen van Thor als enige serieus neemt en de feesthal verlaat.

 

De Lokasenna heeft overeenkomsten met het Ierse verhaal Fled Bricrenn (het feest van Briccriu). In dit verhaal organiseert Briccriu een feest in zijn nieuwe huis voor Conchobar mac Nessa en de helden van Ulster. Briccriu is echter een notoire onruststoker en hij weet dat hij iets zal moeten bedenken om de Ulstermannen op zijn feest te krijgen. De Ulstermannen zullen immers denken dat hij kwaad in de zin heeft en zal proberen ze tegen elkaar op te zetten. Na een aantal bedreigingen weet Briccriu de Ulstermannen zover te krijgen dat ze op zijn feest komen.

Briccriu zou Briccriu niet zijn als hij niet toch de Ulstermannen tegen elkaar op wil zetten. Voordat het feest begint bezoekt hij daarom achtereenvolgens de drie Ierse helden, Cúchulainn, Conall Cernach en Lóegaire Búadach en belooft hen alledrie de curadmír. Dat is de kampioenenportie, in dit geval een geroosterd zwijn, een ketel wijn en honderd in honing gebakken tarwecakes. Tijdens het feest staan de drie helden op en claimen de kampioenenportie, waarna bijna een gevecht tussen hen uitbreekt. Om dit te voorkomen wordt de kampioenenportie verdeeld tussen alle Ulstermannen en wordt er een wedstrijd georganiseerd om te bepalen wie de enige echte held is. De wedstrijd zal op verschillende plekken plaatsvinden en deels gejureerd worden door Ailill en Medb van Connacht en deels door Cú Roí van Munster. Na alle uitdagingen die de moed en vaardigheden van de helden testen, komt Cúchulainn als winnaar uit de bus. Conall Cernach en Lóegaire weigeren dit te accepteren. Cú Roí probeert een beslissing te forceren door zich te vermommen als een barbaar en daagt de helden uit hem te onthoofden en hem de volgende dag toe te staan om de helden op zijn beurt te onthoofden. Het lukt de drie de helden de barbaar te onthoofden. De barbaar pakt zijn hoofd op en loopt weg… De dag erna zijn Conall Cernach en Lóegaire nergens te bekennen, alleen Cúchulainn komt opdagen en strekt zijn nek uit. De barbaar spaart hem, laat zien wie hij werkelijk is en verklaart Cúchulainn tot enige echte held die recht heeft op de kampioenenportie.

 

In beide verhalen lezen we dat de onruststokers het allebei niet kunnen laten om mensen te beledigen en tegen elkaar uit te spelen en dat hun acties grote gevolgen hebben.