Magie in de Scandinavische mythologie

In de Scandinavische mythologie zien we vaak verwijzingen naar magie of magische gebeurtenissen. De meest
voorkomende woorden voor verschillende vormen van magie zijn trolldómmr (magie), gandr (magische staf), galdr (bezweren) en seiðr, waarbij seiðr de meest bekende term is. In latere teksten, na de kerstening, worden de termen hindrvitni (bijgeloof) en vantrú (ongeloof) gebruikt en deze nieuwere termen geven meteen ook weer dat de opvatting over magie veranderd is ten opzichte van de heidense tijd.

Seiðr

Seiðr betekent letterlijk ‘koord/streng’; het is een vorm van het veranderen (opnieuw ‘weven’) van iemands lot. Het is net als de andere vormen van magie een techniek om in contact te komen met de bovennatuurlijke krachten en hen te verplichten of proberen te overtuigen om te doen wat de beoefenaar wil.

Freyja en Odin worden in verband gebracht met seiðr. Van Freya wordt in Ynglinga saga gezegd dat de Vanen het beheersen en dat Freya deze kunst aan de Æsir leert:

Dóttir Njarðar var Freyja. Hon var blótgyðja. Hon kenndi fyrst með Ásum seið, sem Vönum var títt.

‘Freya was de dochter van Njord, ze zat het offer voor. Zij was de eerste die de Æsir seiðr leert, wat de gewoonte was bij de Vanen’.

Seiðr is iets waar voornamelijk vrouwen zich mee bezighouden. Odin beoefent het ook, maar hij is een uitzondering. In Lokasenna beschuldigt Loki Odin van het beoefenen van seiðr. Loki noemt het een verwijfde (ergi) kunst. In Ynglinga saga lezen we daarnaast dat het beoefenen van seiðr ervoor zorgt dat de beoefenaar zwak en hulpeloos wordt.

Magie in het dagelijks leven en wetten 

Naast de goden beoefenen gewone mensen ook tovenarij. Vrouwen die seiðr beoefenen worden vǫlva ‘drager van een (magische) staf’ genoemd. De vǫlva spelen een belangrijke rol in de middeleeuwse Scandinavische maatschappij. Het zijn meestal wat oudere vrouwen  die rondreizen, vaak met een gevolg van jonge mensen om zich heen. Ze reizen langs iedere boerderij en verlenen in ruil voor onderdak en eten en op uitnodiging magische diensten, zoals waarzeggerij, het voorspellen van de toekomst en het weer en het verkopen van amuletten.

De 13e eeuwse saga Eiríks saga rauða, over Erik de Rode, vertelt over Thorbjorg, een seiðkona of vǫlva in Groenland. Ze draagt een blauwe mantel met kap en een muts van zwarte lamswol, afgewerkt met wit kattenvel; in haar handen heeft ze de symbolische toverstaf (seiðstafr). Ze draagt een tas bij zich met amuletten die ze nodig heeft in haar wijsheid. Aan haar handen draagt ze handschoenen van kattenpels, binnenin zijn de handschoenen wit en harig. 

In wetteksten zijn deze praktijken na de kerstening meteen in de ban gedaan. In een 13e-eeuws manuscript (dat waarschijnlijk een eeuw eerder is opgetekend) uit het westelijke fjordengebied van Noorwegen, de Gulaþingslög, staat een hoofdstuk ‘Aangaande profetieën en hekserij’. In dit hoofdstuk wordt gezegd dat mensen niet in waarzeggerij, hekserij en vloeken moeten geloven en er worden straffen voorgeschreven voor mensen die er wel in geloven of die zich ermee bezighouden.

Om te weten te komen wat deze magische praktijken precies inhouden, komen we niet veel verder met deze wettekst.

De Borgarþing wetten, de overgeleverde wetten van het gebied rondom de Oslofjord, geven gelukkig meer details. Deze wetten worden gedateerd in het midden van de 12e eeuw en zijn in 14e-eeuwse manuscripten overgeleverd. Er wordt hierin verteld over een vrouw die de vinger of teen van haar kind afbijt om zo te zorgen dat het kind lang leeft. Ook wordt gezegd dat ‘de slechtste heks’ een heks is die een man, vrouw, kind, koe of kalf vernietigt. Er wordt ook gesproken over amuletten (van mensenhaar, nagels of kikkerpoten) die in bedden of houten balken gevonden worden. De plaats Finnmark wordt specifiek genoemd, er staat namelijk een straf op als iemand naar Finnmark reist voor waarzeggerij. Tenslotte worden trollenrijders, waarzeggers en mensen die in landgeesten geloven genoemd en wordt specifiek melding gemaakt van een ritueel waarbij iemand ‘buiten zit’ om de toekomst te ontrafelen. 

Dat spreuken en magie niet altijd over kikkerpoten of waarzeggerij gaan, bewijst het volgende mooie voorbeeld van een spreuk die we kunnen volgen van vroege sagen, via wetteksten van eeuwen later tot aan het huidige IJsland. Het gaat om de uitdrukking ‘til árs ok friðar’. We vinden deze uitdrukking in de Edda, waar Snorri zegt dat je bij de god Freyr moet zijn om te bidden voor ‘overvloedige oogsten en vrede’ (til árs ok friðar). In de Gulaþingslög wordt dezelfde uitdrukking gebruikt als een gebed naar Jezus en Maria voor overvloedige oogst en tegenwoordig wordt het tijdens nieuwjaar nog als gelukwens gebruikt in IJsland. 

Het getal 3 in de Scandinavische mythologie

In bijna alle culturen wordt aan bepaalde getallen symbolische betekenissen toegekend. Deze verschillen in diverse culturen. In Nederland zien we dat terug bij het getal 11, dat veel mensen als het gekkengetal zien. Carnaval begint (dan) ook op de 11e dag van de 11e maand. Het getal 13 zien we collectief als het ongeluksgetal en als de 13e dag van een maand op een vrijdag valt, hebben we helemaal de poppen aan het dansen! Wat maakt getallen zo bijzonder?

Getalstelsels

Er zijn verschillende redenen waarom we bepaalde getallen belangrijk of herkenbaar vinden, zo maken wij gebruik van het tientallig stelsel, dat is terug te herleiden naar onze twee handen met elk 5 vingers.

Niet iedereen maakte echter gebruik van deze handigheid, de Babyloniërs gebruikten een zestigtallig stelsel dat ze van de Sumeriërs hadden geleend. Dat klinkt in eerste instantie heel lastig, maar wij maken daar nu ook nog steeds gebruik van bij onze uren en minuten. Een uur heeft immers 60 minuten en een minuut bestaat uit 60 seconden. Ook gebruiken we het zestigtallig stelsel om cirkels te verdelen in 6 x 60, dus 360 graden. Het getal 60 is een ‘hogelijk samengesteld getal’ dat houdt in dat het getal deelbaar is door meer getallen dan elk kleiner positief getal. 60 is deelbaar door 12 getallen, terwijl 100 slechts deelbaar is door negen getallen. Dit maakt 60 een goed getal om voor tijdsindeling te gebruiken.

Het principe van de cirkel komt ook van de Sumeriërs, zij rondden het aantal dagen in een jaar af op 360 en gebruikten daar het symbool van een cirkel voor. Door de verdeling van jaar en een cirkel in 360 delen schuift de aarde in een dag ongeveer één graad verder in zijn baan om de zon.

Symboliek in het getal 3

Uit dit uitstapje naar getalstelsels blijkt dat wat wij als normaal zien al duizenden jaren bestaat. Ook symbolische betekenissen van getallen kennen vaak een lange geschiedenis, zo vinden we beschrijvingen van getallen in de bijbel, de koran en in verschillende mythologieën. In de Scandinavische mythologie lijkt vooral het getal 3 speciaal. Dit getal komt in veel culturen en teksten terug. In de Griekse mythologie wordt het getal 3 gezien als het toppunt van volmaaktheid. Ook in het Oude en Nieuwe Testament verschijnt het getal 3 regelmatig, denk aan de 3 wijzen uit het Oosten, maar ook als de symbolische voorstelling van de Heilige Drie Eenheid.

Het getal 3 zien we in de Scandinavische mythologie vaak als een drie-eenheid: de wereldboom Yggdrasil heeft 3 wortels, er zijn 3 x 3, werelden, Loki heeft 3 kinderen gekregen van de jötunn (reus) Angrboða: Hel, de wolf Fenrir en de Midgardslang Jörmungandr. Odin heeft nog twee broers, Ville en Ve. En trollen hebben altijd 3, 6 of 9 neuzen!

Ook in verhalen komen groepen van 3 vaak voor. In Gylfaginning gaat Gylfi naar een paleis, daar ziet hij 3 tronen boven elkaar, met 3 mannen erop: De Hoge, Evenhoog en Derde. Er wordt ook verteld dat voor Ragnarök er 3 opeenvolgende strenge winters zullen komen, zonder zomer ertussen. Dit wordt de Fimbulwinter genoemd.

We zien het getal 3 ook gebruikt worden als een magisch getal: zo wordt Loki vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon en worden de ingewanden 3maal om de steen heen gedraaid. Tyr bindt de kaken van Fenrir door het touw er 3 maal omheen te slaan.

In veel mythologieën komen goden of godinnen in een godentriade voor, de 3 Nornen zijn daar een voorbeeld van, net zoals de 3 moedergodinnen Freyja, Frigg en Skaði. In de Keltische mythologie vormt de triade Badb, Macha en Emain de oorlogsgodin die de Mórrígan genoemd wordt. In het oude Egypte hadden verschillende steden een triade, een bekend voorbeeld is de triade van Heliopolis die bestaat uit Osiris, Isis en Horus.

De socioloog Georges Dumézil zag gelijkenissen tussen de godentriaden van vele Indo-Europese culturen. Volgens hem zou Indo-Europese godentrias de 3 maatschappelijke lagen vertegenwoordigen: de heersende klasse, de krijgersklasse en de boerenklasse. In deze theorie passen Odin, Freyr, en Thor, zij worden ook als een triade gezien. Odin is de god van de lucht, dood, poëzie en oorlog, Freyr is de god van de zomer en vruchtbaarheid en Thor is de dondergod en god van verwoesting.

Ik begon dit stuk met het huidige ongeluksgetal 13, ook dat heeft een lange geschiedenis. Als eerste kennen we het ongeluksgetal van het laatste avondmaal, waar Jezus voor het laatst met zijn 12 apostelen aan tafel zit. Ook in de Romeinse tijd lezen we over 13 als een getal dat ongeluk en verwoesting brengt en in de Middeleeuwen wordt verteld dat een heksencoven uit dertien personen bestaat. In de Scandinavische mythologie tenslotte, is Baldr samen met 11 andere goden op een feest. Nadat Loki als dertiende god binnenkomt, loopt het uit de hand: een streek van Loki veroorzaakt de dood van Baldr.

Om de cirkel helemaal rond te krijgen: vrijdag is een ongeluksdag door Goede Vrijdag, toen Jezus werd gekruisigd, daarnaast voerden de Romeinen en later ook de Engelsen doodvonnissen op vrijdag uit. In 1307 werden op vrijdag de 13e alle Tempeliers opgepakt op bevel van Philip de Schone, dit bleek de opmaat voor de uiteindelijke vernietiging van de orde van de Tempeliers. Met recht een ongeluksdag dus.

Thorlak, de beschermheilige van IJsland

IJsland is lang onbewoond gebleven. Pas in de 8e en 9e eeuw kwamen de eerste kolonisten aan land. Het grootste deel van de kolonisten was heiden en IJsland was nog grotendeels een heidens gebied in een Europa waar het christendom steeds weider verspreid werd. Een deel van de eerste bewoners was echter afkomstig van de Britse Eilanden, zij waren daar vaak al eerder met het christendom in aanraking gekomen en namen het geloof mee naar IJsland. Zij slaagden er echter niet in om de overige eerste bewoners te bekeren.

Vanaf 980 bezochten verschillende missionarissen IJsland. De eerste was een terugkerende IJslander: Þorvaldr Konráðsson inn víðförli: Thorvald Konradsson de verbereisde. Hij reisde samen met een Saksische bisschop, Fridrek. Þorvaldr bereikte weinig, werd bespot en uiteindelijk gedwongen om IJsland te ontvluchten. Niet lang daarna werd de christelijke Olaf Tryggvason koning van Noorwegen. Hij vond het erg belangrijk om ook IJsland te bekeren.

Veel van zijn pogingen mislukten en de gewelddadige acties van de door hem naar IJsland gestuurde missionarissen, zoals vernielingen van heidense beelden en moord, maakten Tryggvason en het christendom niet populair. Tryggvason werd echter steeds meer vastberaden om IJsland te bekeren. Als laatste redmiddel besloot hij de Noorse havens te sluiten voor IJslandse schepen. IJsland kon nu niet meer handelen met haar belangrijkste handelspartner. Ook gijzelde Tryggvason een paar zonen van IJslandse hoofdmannen en dreigde hen te doden als de IJslanders zich niet zouden bekeren.

De IJslanders wilden koste wat kost de relaties met Noorwegen goed houden en de druk vanuit Noorwegen sterkte de christenen in het land in hun bekeringsdrift. Er dreigde een burgeroorlog uit te breken tussen de heidenen en de christenen. De situatie werd al snel tijdens de jaarlijkse Althing beslecht, er werd tot arbitrage besloten door de volksvertegenwoordiging.

Er werd een bemiddelaar benoemd die zou besluiten of IJsland christelijk zou worden. De goði Þorgeir ljósvetningagoði werd door beide partijen als bemiddelaar geaccepteerd. Hij aanvaardde deze belangrijke taak onder voorwaarde dat iedereen zich bij zijn besluit zou neerleggen. Na zich een dag en nacht teruggetrokken te hebben, besloot hij dat IJsland christelijk werd, mits er een paar uitzonderingswetten zouden blijven gelden, waaronder het eten van paardenvlees (door de paus verboden) en de eeuwenoude praktijk op IJsland om ‘overbodige’ kinderen bloot te stellen aan de elementen om te voorkomen dat het eiland overbevolkt zou raken. Þorgeir, zelf voorheen een heidense priester, gooide vervolgens al zijn heidense godenbeelden in een waterval, sindsdien bekend als de Goðafoss, de Waterval van de goden. Hierna werden alle aanwezigen op de Althing gedoopt. De vreedzame bekering van IJsland en de manier waarop een burgeroorlog werd afgewend illustreert de unieke volksvertegenwoordiging en wetgeving in IJsland.

Het duurde hierna nog ruim honderd jaar voordat IJsland zijn eerste heilige voortbracht. Þórlákr Þórhallsson werd geboren in 1133, werd op zijn tweede tot priester gewijd en in 1178 werd hij bisschop van Skálholt. Hij stichtte daarna het eerste vrouwenklooster in IJsland, hij richtte het klooster in volgens de regels van de heilige Augustinus en werd abt van het klooster. Þórlákr deed zijn best om kerkelijke tucht in het hele land te vestigen. Hij stierf 15 jaar later op 23 december 1193. Hij werd meteen na zijn dood al als heilige vereerd. In de 13e eeuw verschenen de eerste heiligenlevens over Þórlákr. Pas in 1984 werd zijn heilige status officieel en riep Paus Johannes Paulus II hem uit tot nationaal beschermheilige van IJsland.

In de heiligenlevens zijn een aantal wonderen toegeschreven aan Þórlákr. Zo kon hij bijvoorbeeld ziektes genezen. Er wordt verteld over een man, Tjovri, die zo zwaar gewond raakte aan zijn handen dat zijn handen ontstoken en stijf werden en hij zijn vingers niet meer kon strekken. Na 15 jaar riep hij Þórlákr aan en vroeg hem om hem te zegenen en te genezen. Toen hij de volgende ochtend wakker werd, waren zijn handen volledig genezen. Hij liet zijn handen aan alle aanwezigen zien en het Te Deum werd gezongen. Steeds meer mensen hoorden van dit wonder en vroegen Þórlákr zelf ook om hulp, en Þórlákrs gave leek onuitputtelijk: alle wensen werden meteen ingewilligd.

Þórlákr beschikte ook over meer praktische gaven, zo kon hij economische crises afwenden, koeien van arme boeren weer tot leven wekken en gist in bier veranderen. Er bestaat ook een verhaal waarin Þórlákr wordt aangeroepen door een man die zich met zijn scheermes had gesneden en Þórlákr vroeg om de wond te genezen. Ook is een verhaal bekend over een huisvrouw die haar gouden ring kwijt was en ondanks lang en veel zoeken haar ring niet kon terugvinden. Ze riep heilige Þórlákr aan en vond meteen haar ring terug op een plek waar ze vaak had gezocht.

Het is dus begrijpelijk dat Þórlákr erg populair was bij de IJslandse bevolking, zijn gave om gist in bier te veranderen zal daar zeker bij geholpen hebben! En hij is nog steeds niet vergeten: vandaag de dag vieren IJslanders nog altijd op 23 december Þorláksmessa. Dat feest wordt als de aanloop tot Kerstmis gevierd.

Antihelden in de mythologie

In de mythologieën van verschillende landen zijn antihelden (tricksters) te vinden. In de Scandinavische mythologie is Loki de meest bekende. In de Nederlandse mythologie kun je denken aan de vos Reynaert, bij de Kelten zie je in Ierland Briccriu en in Wales Efnisien. Een kenmerk van deze figuren is dat ze enerzijds goddelijke kenmerken en veel macht bezitten, ze zijn ook sluw en slim, maar aan de andere kant worden hun handelingen vaak belachelijk gemaakt en bestraft.

 

Loki wordt in verschillende bronnen genoemd, hij is een complex personage en is niet altijd slecht of een verrader. Er zijn ook verhalen waarin hij andere goden de helpende hand biedt. Loki kan van gedaante wisselen en neemt dan vaak de vorm van een dier aan (zo verschijnt hij als een merrie, een zalm en een zeehond). Of Loki nu goed of slecht is, nadat hij de dood van Baldr veroorzaakt, zijn de andere goden hem niet meer goedgezind.

Een van de bekendste gedichten rondom Loki is Lokasenna (Loki’s ruzie). Dit gedicht gaat over de wedstrijd in beledigingen die Loki met andere goden houdt. Het gedicht begint met Aegir die een feest houdt waar Loki niet voor is uitgenodigd. Loki vraagt een bediende waar de gasten over praten, de bediende meldt dat het over oorlog en vechten gaat en dat niemand iets positiefs over Loki te melden heeft. Loki wordt boos en dreigt naar binnen te gaan en ervoor te zorgen dat hij voor het eind van het feest iedereen tegen elkaar heeft opgezet en de drank (mede) die zij drinken met kwaadaardigheid zal vermengen.

 

Loki gaat vervolgens naar binnen, doet een beroep op de algemene gastvrijheidsregels en vraagt om een stoel en mede. De god Bragi antwoordt dat hij niet welkom is. Loki reageert daarop door Odin te herinneren aan een oude eed die zij gezworen hadden, waarin zij elkaar hadden beloofd samen te zullen drinken. Odin vraagt zijn zoon Vidar om plaats te maken voor Loki, Vidar gehoorzaamt en biedt Loki ook een beker aan. Loki proost vervolgens op de goden, waarbij hij Bragi nadrukkelijk uitsluit. Bragi is de beroerdste niet en biedt Loki een zwaard, een paard en een ring aan om hem tevreden te stellen. Loki is echter uit op onrust stoken en beledigt Bragi door zijn moed in twijfel te trekken. Bragi merkt op dat de gedragscode hem verbiedt om in de hal van Aegir te vechten, maar dat als ze in Asgard waren geweest, niemand hem had kunnen tegenhouden. Bragi’s vrouw probeert Bragi te sussen, wat ervoor zorgt dat Loki zijn beledigingen op haar richt en uiteindelijk iedere god en godin op het feest op zijn of haar tekortkomingen wijst. Dan komt Thor binnen. Hij dreigt Loki te onthoofden met zijn hamer, waarop Loki zegt dat hij de bedreigingen van Thor als enige serieus neemt en de feesthal verlaat.

 

De Lokasenna heeft overeenkomsten met het Ierse verhaal Fled Bricrenn (het feest van Briccriu). In dit verhaal organiseert Briccriu een feest in zijn nieuwe huis voor Conchobar mac Nessa en de helden van Ulster. Briccriu is echter een notoire onruststoker en hij weet dat hij iets zal moeten bedenken om de Ulstermannen op zijn feest te krijgen. De Ulstermannen zullen immers denken dat hij kwaad in de zin heeft en zal proberen ze tegen elkaar op te zetten. Na een aantal bedreigingen weet Briccriu de Ulstermannen zover te krijgen dat ze op zijn feest komen.

Briccriu zou Briccriu niet zijn als hij niet toch de Ulstermannen tegen elkaar op wil zetten. Voordat het feest begint bezoekt hij daarom achtereenvolgens de drie Ierse helden, Cúchulainn, Conall Cernach en Lóegaire Búadach en belooft hen alledrie de curadmír. Dat is de kampioenenportie, in dit geval een geroosterd zwijn, een ketel wijn en honderd in honing gebakken tarwecakes. Tijdens het feest staan de drie helden op en claimen de kampioenenportie, waarna bijna een gevecht tussen hen uitbreekt. Om dit te voorkomen wordt de kampioenenportie verdeeld tussen alle Ulstermannen en wordt er een wedstrijd georganiseerd om te bepalen wie de enige echte held is. De wedstrijd zal op verschillende plekken plaatsvinden en deels gejureerd worden door Ailill en Medb van Connacht en deels door Cú Roí van Munster. Na alle uitdagingen die de moed en vaardigheden van de helden testen, komt Cúchulainn als winnaar uit de bus. Conall Cernach en Lóegaire weigeren dit te accepteren. Cú Roí probeert een beslissing te forceren door zich te vermommen als een barbaar en daagt de helden uit hem te onthoofden en hem de volgende dag toe te staan om de helden op zijn beurt te onthoofden. Het lukt de drie de helden de barbaar te onthoofden. De barbaar pakt zijn hoofd op en loopt weg… De dag erna zijn Conall Cernach en Lóegaire nergens te bekennen, alleen Cúchulainn komt opdagen en strekt zijn nek uit. De barbaar spaart hem, laat zien wie hij werkelijk is en verklaart Cúchulainn tot enige echte held die recht heeft op de kampioenenportie.

 

In beide verhalen lezen we dat de onruststokers het allebei niet kunnen laten om mensen te beledigen en tegen elkaar uit te spelen en dat hun acties grote gevolgen hebben.

Wetten in Scandinavië

We weten veel over Oudnoorse wetten. Vooral in IJsland zijn veel wetten en wettradities opgeschreven rond 1117-1118. Ook in de saga’s worden wetten en wettelijke procedures veel gebruikt als centrale ijkpunten.

In de 10e eeuw creëerden en ontwikkelden de IJslanders een unieke regeerstructuur, die heel anders was dan in de rest van Europa. Volgens Adam van Bremen waren de IJslanders van mening dat ze geen koning nodig hadden, de wet was bepalend. Er werd een systeem opgezet waarmee door middel van consensus geregeerd werd en waarbij onenigheden werden opgelost door onderhandeling en het sluiten van compromissen. Soms was ook geweld toegestaan om de eer te bewaken van de partijen die een geschil hadden.

IJsland was in die tijd verdeeld in vier districten, ieder district had 9 hoofdmannen die goði (mv. goðar) werden genoemd. Deze hoofdmannen hadden specifieke juridische en administratieve verantwoordelijkheden en stonden dicht bij de goden. De eerste goðar waren waarschijnlijk de leiders van de eerste schepen die naar IJsland kwamen. Het ambt van goði (goðorð genoemd) was in principe overerfelijk, maar kon ook overgedragen en zelfs gedeeld worden tussen personen. Steeds kon echter maar één goði naar de Alþing, de landelijke jaarlijkse bijeenkomst. Je mocht zelf kiezen door welke goði je je liet vertegenwoordigen, en je kon ook van goði wisselen. Je was dus bijvoorbeeld niet gebonden aan de goði die het dichtst bij jou in de buurt woonde, of iets dergelijks. In ruil voor de vertegenwoordiging beloofde jij de goði te zullen bijstaan en (indien nodig) mee te vechten bij ruzies en andere geschillen.

De þing werden jaarlijks door heel Scandinavië georganiseerd om het land / de regio of de clan samen te regeren. Iedereen die niet vogelvrij verklaard was, mocht hierbij aanwezig zijn. Regionale þing werden in de lente gehouden en várþing genoemd. Ze werden voorgezeten door drie goðar en alle aanhangers van deze goðar, de þingmenn, waren verplicht aanwezig. Tijdens de várþing werden regionale geschillen opgelost.

Op IJsland werd de landelijke þing, de Alþing, elk jaar gedurende twee weken eind juni gehouden op þingvellir, een prachtige plek met grotten, rivieren, bronnen en kloven. De eerste Alþing was in 930 en heeft daarna eeuwenlang jaarlijks plaatsgevonden. Tijdens de Alþing werden wetten voorgedragen door de wetspreker, wetten aangenomen door de Raad en werd er rechtgesproken door de vier districtshoven.

Alle 39 goðar waren op de Alþing aanwezig, ze werden ieder vergezeld door minimaal twee adviseurs. Iedereen mocht in principe aanwezig zijn, maar de goðar verplichtten een op de 9 þingmenn om mee te gaan. Kwam je niet, dan moest je een soort belasting betalen om de reiskosten van de anderen te dekken.

De Raad (Lögretta), de goðar en hun adviseurs, kozen iedere drie jaar een wetspreker (lögsögumaður), verantwoordelijk voor verduidelijking en behoud van de wetten. Tijdens elke þing droeg hij een derde van de wetten voor, in die tijd waren de wetten immers nog niet opgeschreven. De wetspreker was daarom de bron van wetskennis. Hij werd ook geconsulteerd bij onduidelijkheden. Om de wetten makkelijker te kunnen onthouden, maakte hij gebruik van alliteratie, rijm en ritme. Na drie jaar waren dus alle wetten voorgedragen. De wetspreker werd als enige betaald voor zijn rol.

De Raad was het wetgevend orgaan van de Alþing, de goðar hadden stemrecht. De Raad maakte nieuwe wetten, wijzigde wetten en bepaalden uitzonderingen voor de wet. Ze mochten ook verdragen sluiten met andere landen.

De vier districtshoven bestonden uit 39 rechters, gekozen en bestuurd door de goði van elk district. Een rechter moest ouder dan 12 jaar zijn, verantwoordelijk zijn voor wat hij zei en een eigen huis hebben. De besluiten moesten vrijwel unaniem genomen worden en dat zorgde soms voor problemen. Daarom werd in de 11e eeuw een vijfde hof aangesteld, als hof van beroep. Als daar een besluit genomen werd, hoefde het alleen door de meerderheid genomen te worden.

Geschillen werden niet alleen door de hoven beslecht, er kon ook door middel van arbitrage een besluit genomen worden. Beide partijen konden er dan voor kiezen om neutrale derden de zaak te laten onderzoeken en een vonnis laten geven. Er kon ook gekozen worden voor een duel. Verder stonden procedures hoog in het vaandel. Als een van de partijen de procedures niet goed had gevolgd, won de andere partij automatisch.

De uitvoering van de straf of de beslissing kon niet door de hoven of de Raad worden afgedwongen, dat was iets tussen de partijen met een geschil. De opgelegde straf bestond vaak uit het compenseren van de geleden schade door de schuldige partij aan de andere partij. In de wet stonden standaard compensaties genoemd, afhankelijk van de schade en de status van beide partijen. De meeste opgelegde straf was echter het vogelvrij verklaren van de schuldige. Een ontzettend zware straf met grote psychologische gevolgen.

De Noorse invloed op de Orkney eilanden

Een 9e eeuwse familiegeschiedenis rond een Noorse edelman en zijn trouwe vazal Mooihaar

De Orkney eilanden hebben een belangrijke rol gespeeld in de Vikingtijd. Vikingen vestigden zich daar en dreven handel. In verschillende bronnen worden Noorse personen genoemd die een belangrijke rol speelden op de Orkney eilanden, dit geeft aan dat Noorwegen er veel invloed had.

In Heimskringla wordt een Noorse graaf, Rognvald van Møre, genoemd. Deze Rognvald knipt het haar van koning Harald nadat deze het 10 jaar had laten groeien. Dat levert Harald zijn bijnaam Hárfagri, ‘schoonhaar’ op. Rognvald gaat samen met koning Harald Hárfagri op expeditie naar de Orkney- en Shetland eilanden om deze te verlossen van Vikingen die Noorwegen, Schotland, Ierland en het eiland Man hadden geplunderd. Tijdens deze tocht wordt Ivarr, de zoon van Rognvald, gedood. Om Rognvald voor zijn verlies te compenseren, krijgt hij de Orkney- en Shetland eilanden van de koning. Rognvald geeft de Orkney eilanden aan zijn broer Sigurd Eysteinsson die door de koning tot graaf wordt benoemd, de eerste graaf van de Orkney eilanden. Het feit dat er een graaf benoemd moest worden, suggereert dat de Orkney eilanden misschien zelfs als een deel van Noorwegen werden gezien.

Sigurd sterft, ondanks zijn belangrijke positie, op een bizarre manier. Volgens Orkneyinga saga daagt hij de hoofdman van de Picten, Máel Brigte ‘met de vooruitstekende voortand’, uit tot een gevecht waarbij ieder 40 man mocht meenemen. Sigurd neemt er 80 mee, tot irritatie van Máel Brigte. Máel Brigte wordt verslagen waarna Sigurd diens hoofd aan zijn zadel vastbindt. Bij het naar huis rijden schampt de tand van Máel het been van Sigurd, de ontstane wond raakt geïnfecteerd en Sigurd sterft.

In de Fragmentary Annals of Ireland lezen we in verband met de Orkney eilanden over Ragnall, een zoon van Halfdan, koning van Lochlann (Noorwegen). De Annals vertellen hoe twee andere zoons van koning Halfdan Ragnall uit Noorwegen verdrijven, omdat ze vrezen dat hij hun het koningschap zal afnemen. Ragnall besluit zich samen met zijn zoon op de Orkney eilanden te vestigen. Er wordt niet specifiek gesproken over het feit dat hij tot graaf wordt benoemd, het is dus niet duidelijk of dit dezelfde persoon is als de eerder genoemde Rognvald. Op de Orkney eilanden is in de grafheuvel Maeshowe een steen met runeninscriptie gevonden die zegt dat Maeshowe “gebouwd is voor Loðbrók”, dit suggereert dat de legendarische Ragnar Loðbrók *) een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de Orkney eilanden en misschien wel dezelfde persoon is als Rognvald.

Maar volgens Orkneyinga saga is Rognvald echter de zoon van Eystein Ivarsson. Rognvald is getrouwd met Ragnhild, ook Hild genoemd, de dochter die sterft bij de expeditie naar de Orkney en Shetland eilanden van Hrólfr Nefja ‘de Neus’. Vóór zijn huwelijk kreeg Rognvald drie zonen bij maîtresses: Hallad, Einarr en Hrollaug. Rognvald en Ragnhild krijgen samen drie zonen, Ivarr, Thorir en Hrólfr. Hrólfr is zo groot dat geen paard hem kan dragen, daarom krijgt hij de bijnaam Ganger Hrólf, ‘Hrólfr de loper’. Hij wordt door de schrijvers van de sages gelijkgesteld aan de legendarische Rollo van Normandië, die in de herfst van 911 het verdrag van Saint-Clair-sur-Epte getekend heeft, samen met koning Carolus Simplex, Karel de Eenvoudige, van Frankrijk. Als onderdeel van het verdrag kreeg Rollo het gebied in leen dat later het hertogdom Normandië zou vormen. In ruil zou hij de toegang tot de Seine verdedigen tegen aanvallen door andere Vikingen.

Na de dood van Rognvalds broer Sigurd, wordt Rognvalds zoon Hallad graaf van de Orkney eilanden. Hallad kan echter niet op tegen de plunderingen en invallen van Deense legers. Hij hangt uiteindelijk zijn graaftitel aan de wilgen en keert terug naar Noorwegen, dit was natuurlijk totaal niet heldhaftig. Hallad werd bespot door de gemeenschap en Rognvald is woedend. Rognvald roept zijn zoons bij elkaar om met behulp van voorspellingen te bepalen wie naar Orkney zal vertrekken. Van Thorir wordt voorspeld dat hij in Noorwegen blijft, Hrollaug moet volgens de voorspellingen zijn heil op IJsland gaan zoeken. Alleen de jongste zoon Einarr blijft over. Moedig biedt hij aan wel naar de Orkney eilanden te willen vertrekken. Dat was niet helemaal volgens het plan van Rognvald. Die reageert namelijk met de woorden: ‘Als we op je afkomst moeten afgaan, je moeder is immers dochter van twee slaven, ben je niet erg geschikt om een leider te worden. Maar ik ben het met je eens: hoe sneller je vertrekt en hoe langer je wegblijft, hoe gelukkiger je me maakt.’ Ondanks dat zijn vader openlijk twijfelt aan zijn capaciteiten, slaagt Einarr erin om de Denen te verslaan. Zijn afstammelingen hebben nog tot eeuwen na zijn dood de dienst uitgemaakt op de Orkney eilanden.

Zoals al eerder uit deze rubriek gebleken is, lijken veel namen in de mythologie en sages of elkaar, waardoor het niet altijd duidelijk is of de verhalen nu telkens over dezelfde persoon gaan. Feit blijft dat in elk geval een familie van Noorse Vikingen een grote invloed heeft gehad op de Orkney – en Shetland eilanden. Tot de 17e eeuw werd er op deze eilanden zelfs een vanuit het Oudnoords ontwikkelde taal gesproken, het Norn. Deze taal deelde veel aspecten met dialecten uit Zuidwest-Noorwegen. Nu nog wordt Oudnoords ceremonieel gebruikt op de Orkney en Shetland eilanden.

*) Ragnar Loðbrók is de hoofdpersoon van de – interessante en behoorlijk historisch correcte – serie Vikings die momenteel op de zender Fox wordt uitgezonden.

Cerball mac Dúnlaige, een Ierse koning duikt op in Oud-noordse verhalen

De Vikingen vielen Ierland voor het eerst binnen rond het jaar 795, bij het eiland Lambay. Gedurende de 40 jaar er na plunderden ze vele kloosters langs de kust. In 837 arriveerden grote konvooien Noorse schepen en stichtten de Vikingen permanente handelsposten en langs de kust de eerste Ierse steden, die begonnen als handelshavens en een steeds grotere invloed uitoefenden op de Ierse economie.

De huidige hoofdstad van Ierland, Dublin, werd in 870 door de Noorse legerleider Olaf de Witte uitgeroepen tot hoofdstad van zijn kolonie. Ondanks dat de Vikingen invloed hebben gehad in Ierland, werden ze niet met open armen ontvangen. De monniken in de kloosters voelden zich bedreigd door de Vikingen en bouwden hoge torens (met een ingang die ver boven de grond lag) om dienst te doen als klokkentoren en, nog belangrijker, uitkijkpost.

In de Vikingtijd was Ierland verdeeld in zeven provincies (Ailech, Airgialla, Connacht, Leinster, Meath, Munster en Ulster) met veel verschillende koningen die streden om de macht. Een van deze koningen was Cerball mac Dúnlaige, koning van Osraige, een koninkrijk dat van de 5e tot 9e eeuw bij Munster hoorde en daarna bij Leinster werd ingelijfd (nu County Kilkenny en het westelijke deel van County Laois).

Cerball wordt genoemd in het Boek van Leinster waarin een lijst van koningen van Osraige wordt vermeld. Van Cerball wordt hierin gezegd dat er geen enkele gemeenschap in Ierland was die weigerde hem iets te geven. In Ierland, dat verdeeld was in vele kleine koninkrijken die elkaar constant in de haren zaten en weigerden zich te verenigen, is dat van Cerball een enorme prestatie!

Cerball komt in 847 in aanraking met de Vikingen als hij de Vikingen van Dublin op een onbekende locatie aanvalt en 1200 van hen ombrengt. Enige tijd later (858) heeft hij volgens de Annalen van Ierland een verbond gesloten met Vikinghoofdman Ímar en samen plunderden zij het gebied van Aradhtíre in het noordwesten van Tipperary. In 859 sluit Amlaíb zich bij hen aan.

Van Amlaíb wordt gezegd dat hij de zoon van de koning van Lochlann (waarschijnlijk Noorwegen) is. Amlaíb was 5 jaar eerder naar Ierland gekomen en was ten tijde van zijn verbond met Cerball de machtigste Vikinghoofdman in Ierland.

Voor zijn verbond met Amlaíb, heeft Cerball ook tegen de Vikingen gevochten. In de Fragmentary Annals of Ireland staat een biografie van Cerball. Hierin lezen we hoe twee vloten Vikingschepen Osraige aanvielen. Er werd een boodschapper naar Cerball gestuurd, die hem dronken aantrof. De volgende ochtend viel Cerball de vloten aan en versloeg ze, zij het met moeite, want de alcohol belemmerde hem in het gevecht. Maar nadat hij had gebraakt, lukte het hem toch om meer dan de helft van het Vikingleger te doden.

Ook in Oud-noordse saga’s duikt Cerball op; hier wordt hij Kjarval genoemd. In Erbyggja Saga wordt verteld dat Kjarvals dochter trouwde met Eyvind ‘de Oosterling’. Zij kregen een beroemde zoon: Helgi ‘de magere’. Helgi trouwde later met een vrouw uit de Noorse kolonie in de Hebriden. Daarna vestigde hij zich in IJsland waar hij een groot stuk land in eigendom nam en dat hij het ‘voorgebergte van Christus’ noemde. Hij was echter nog niet volledig bekeerd tot het Christendom: in tijden van spanning en tijdens zeereizen vroeg hij nog vaak Thor, de god van de donder, om hulp.

In de sages wordt Amlaíb ook vermeld. De relatie tussen Cerball en Amlaíb wordt hierin nog versterkt doordat Amlaíb genoemd wordt als de zwager van Helgi, de schoonzoon van zijn dochter, een indirecte familieband dus. De zoon van Amlaíb trouwt vervolgens met de zus van Helgi (de kleindochter van Cerball), hetgeen de familieband tussen de Ierse koning en de Vikinghoofdman verder versterkt. De kinderen uit dit huwelijk trouwen vervolgens met Vikinghoofdmannen in Orkney, de Faroer eilanden en IJsland.

Kjarval maakte er een gewoonte van om familileden met invloedrijke Vikingleiders te laten trouwen. Of deze verhalen allemaal op waarheid berusten is een andere vraag. Er wordt beweerd dat de Fragmentary Annals of Ireland heel populair was bij de Noors-Ierse bevolking en dat zij de verhalen over de Ierse koningen meegenomen hebben naar IJsland, waar deze heldhaftige koning Cerball nadien is toegevoegd aan de voorouders van de IJslandse bevolking. Hoe het werkelijk is gegaan weet niemand!