Recensie: Norse Mythology

Norse Mythology, Neil Gaiman, W.W. Norton, februari 2017.

Neil Gaiman is zijn carrière begonnen als journalist en schrijver van ‘graphic novels’. De 75-delige reeks Sandman is zijn bekendste en meest geroemde ‘graphic novel’. Deze serie gaat over Morpheus, of ‘Dream’, heerser van de droomwereld, die door een occult ritueel gevangen wordt gezet en na 70 jaar weer vrijkomt. In Sandman wordt fantasie op een indrukwekkende manier verweven met personages, onderwerpen en locaties uit wereldliteratuur, mythologie en geschiedenis.

Na het succes van Sandman is Gaiman ook boeken voor volwassenen en kinderen gaan schrijven. In 2001 kwam American Gods (Amerikaanse Goden in Nederland) uit. Ook in dit met een prijs bekroonde boek combineert Gaimain fantasie met geschiedenis, mythologie en een reis door Amerika.

Hoofdpersoon Shadow heeft drie jaar in de gevangenis gezeten. Na zijn vrijlating ontmoet hij de excentrieke oude man Wednesday (die later Odin blijkt te zijn). Wednesday biedt hem een baan aan als zijn persoonlijke lijfwacht. Shadow wordt meegezogen in een aaneenschakeling van wonderlijke, vaak gewelddadige gebeurtenissen en ontmoetingen met Goden uit de hele wereld als blijkt dat de oude Goden, zoals Odin en Loki, met uitsterven worden bedreigd door de opkomst van nieuwe Goden.*

Gaiman is dus niet onbekend met (oud- noordse) mythologie. In Norse Mythology blijkt dat hij zijn onderzoek grondig hee gedaan. Gaiman blij trouw aan de bronnen van het lied Edda en proza Edda en combineert deze op slimme wijze als dat voor de verhaallijn of chronologie beter uitkomt. Gaiman vertelt op geheel eigen wijze, vaak ook met humor, een aantal bekende mythen zoals Voluspá, het begin van de wereld, en Ragnarok, het einde van de wereld, maar ook Loki’s bezoek aan de reuzen en hoe Thor zijn hamer en Sif haar gouden haar krijgt. Veel van de verhalen zijn eerder aan bod gekomen in afleveringen van Scandinavische Mythologie.

Ik raad iedereen aan het luisterboek te beluisteren. Gaiman leest Norse Mythology zelf voor en hij heeft een prettige stem om naar te luisteren. In Norse Mythology – en zeker in het luisterboek – komen de oudnoordse goden echt tot leven.

*Van American Gods is in mei 2017 ook de tv-serie gestart, deze is vooralsnog te zien op Amazon Prime, maar de serie zal vast ook op de Nederlandse tv verschijnen.

Advertisements

Het getal 3 in de Scandinavische mythologie

In bijna alle culturen wordt aan bepaalde getallen symbolische betekenissen toegekend. Deze verschillen in diverse culturen. In Nederland zien we dat terug bij het getal 11, dat veel mensen als het gekkengetal zien. Carnaval begint (dan) ook op de 11e dag van de 11e maand. Het getal 13 zien we collectief als het ongeluksgetal en als de 13e dag van een maand op een vrijdag valt, hebben we helemaal de poppen aan het dansen! Wat maakt getallen zo bijzonder?

Getalstelsels

Er zijn verschillende redenen waarom we bepaalde getallen belangrijk of herkenbaar vinden, zo maken wij gebruik van het tientallig stelsel, dat is terug te herleiden naar onze twee handen met elk 5 vingers.

Niet iedereen maakte echter gebruik van deze handigheid, de Babyloniërs gebruikten een zestigtallig stelsel dat ze van de Sumeriërs hadden geleend. Dat klinkt in eerste instantie heel lastig, maar wij maken daar nu ook nog steeds gebruik van bij onze uren en minuten. Een uur heeft immers 60 minuten en een minuut bestaat uit 60 seconden. Ook gebruiken we het zestigtallig stelsel om cirkels te verdelen in 6 x 60, dus 360 graden. Het getal 60 is een ‘hogelijk samengesteld getal’ dat houdt in dat het getal deelbaar is door meer getallen dan elk kleiner positief getal. 60 is deelbaar door 12 getallen, terwijl 100 slechts deelbaar is door negen getallen. Dit maakt 60 een goed getal om voor tijdsindeling te gebruiken.

Het principe van de cirkel komt ook van de Sumeriërs, zij rondden het aantal dagen in een jaar af op 360 en gebruikten daar het symbool van een cirkel voor. Door de verdeling van jaar en een cirkel in 360 delen schuift de aarde in een dag ongeveer één graad verder in zijn baan om de zon.

Symboliek in het getal 3

Uit dit uitstapje naar getalstelsels blijkt dat wat wij als normaal zien al duizenden jaren bestaat. Ook symbolische betekenissen van getallen kennen vaak een lange geschiedenis, zo vinden we beschrijvingen van getallen in de bijbel, de koran en in verschillende mythologieën. In de Scandinavische mythologie lijkt vooral het getal 3 speciaal. Dit getal komt in veel culturen en teksten terug. In de Griekse mythologie wordt het getal 3 gezien als het toppunt van volmaaktheid. Ook in het Oude en Nieuwe Testament verschijnt het getal 3 regelmatig, denk aan de 3 wijzen uit het Oosten, maar ook als de symbolische voorstelling van de Heilige Drie Eenheid.

Het getal 3 zien we in de Scandinavische mythologie vaak als een drie-eenheid: de wereldboom Yggdrasil heeft 3 wortels, er zijn 3 x 3, werelden, Loki heeft 3 kinderen gekregen van de jötunn (reus) Angrboða: Hel, de wolf Fenrir en de Midgardslang Jörmungandr. Odin heeft nog twee broers, Ville en Ve. En trollen hebben altijd 3, 6 of 9 neuzen!

Ook in verhalen komen groepen van 3 vaak voor. In Gylfaginning gaat Gylfi naar een paleis, daar ziet hij 3 tronen boven elkaar, met 3 mannen erop: De Hoge, Evenhoog en Derde. Er wordt ook verteld dat voor Ragnarök er 3 opeenvolgende strenge winters zullen komen, zonder zomer ertussen. Dit wordt de Fimbulwinter genoemd.

We zien het getal 3 ook gebruikt worden als een magisch getal: zo wordt Loki vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon en worden de ingewanden 3maal om de steen heen gedraaid. Tyr bindt de kaken van Fenrir door het touw er 3 maal omheen te slaan.

In veel mythologieën komen goden of godinnen in een godentriade voor, de 3 Nornen zijn daar een voorbeeld van, net zoals de 3 moedergodinnen Freyja, Frigg en Skaði. In de Keltische mythologie vormt de triade Badb, Macha en Emain de oorlogsgodin die de Mórrígan genoemd wordt. In het oude Egypte hadden verschillende steden een triade, een bekend voorbeeld is de triade van Heliopolis die bestaat uit Osiris, Isis en Horus.

De socioloog Georges Dumézil zag gelijkenissen tussen de godentriaden van vele Indo-Europese culturen. Volgens hem zou Indo-Europese godentrias de 3 maatschappelijke lagen vertegenwoordigen: de heersende klasse, de krijgersklasse en de boerenklasse. In deze theorie passen Odin, Freyr, en Thor, zij worden ook als een triade gezien. Odin is de god van de lucht, dood, poëzie en oorlog, Freyr is de god van de zomer en vruchtbaarheid en Thor is de dondergod en god van verwoesting.

Ik begon dit stuk met het huidige ongeluksgetal 13, ook dat heeft een lange geschiedenis. Als eerste kennen we het ongeluksgetal van het laatste avondmaal, waar Jezus voor het laatst met zijn 12 apostelen aan tafel zit. Ook in de Romeinse tijd lezen we over 13 als een getal dat ongeluk en verwoesting brengt en in de Middeleeuwen wordt verteld dat een heksencoven uit dertien personen bestaat. In de Scandinavische mythologie tenslotte, is Baldr samen met 11 andere goden op een feest. Nadat Loki als dertiende god binnenkomt, loopt het uit de hand: een streek van Loki veroorzaakt de dood van Baldr.

Om de cirkel helemaal rond te krijgen: vrijdag is een ongeluksdag door Goede Vrijdag, toen Jezus werd gekruisigd, daarnaast voerden de Romeinen en later ook de Engelsen doodvonnissen op vrijdag uit. In 1307 werden op vrijdag de 13e alle Tempeliers opgepakt op bevel van Philip de Schone, dit bleek de opmaat voor de uiteindelijke vernietiging van de orde van de Tempeliers. Met recht een ongeluksdag dus.

Geen noorderlicht in de Scandinavische Mythologie

Scandinavische Mythologie

Het Noorderlicht
Het noorderlicht, of aurora borealis, heeft op velen een grote aantrekkingskracht. Tegenwoordig is alle kennis over de oorzaak van de aurora makkelijk te vinden en weten we dus waar het vandaan komt. In de Vikingtijd was deze kennis niet makkelijk te achterhalen. Als het voor ons al zo’n magisch fenomeen is, moet het in de Vikingtijd ook bijzonder genoeg zijn geweest om genoemd te worden in de mythologie en sagen. Het is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk dat het noorderlicht maar in één sage genoemd wordt en dan ook nog eentje uit 1250, ver na de Vikingtijd die van 800 tot 1100 duurde.

Het noorderlicht, of norðrljós, wordt genoemd in Konungs Skuggsjá, de Koningsspiegel. Hier zagen kolonisten uit Groenland het noorderlicht. De verteller leefde in een tijd waarin men dacht dat de aarde plat was en omringd werd door oceanen. Hij geeft drie mogelijke verklaringen voor het ontstaan van het schouwspel: misschien werden de oceanen omringd door grote vuren, mogelijk was er brand op Groenland, of gletsjers konden zoveel energie opslaan dat ze uiteindelijk licht uitstraalden.

In de Edda en in andere vroegere teksten, ontbreekt elk spoor van het noorderlicht. In het begin van de negentiende eeuw dacht men daar echter anders over, onder invloed van de Romantiek zagen veel onderzoekers van Oudnoordse teksten in iedere reflectie van licht in een schild een verwijzing naar het noorderlicht. Lange tijd dachten onderzoekers dat de brug Bifrost naar het noorderlicht verwees, nu is algemeen aanvaard dat de brug in verband staat met de regenboog. Om het gebrek aan vermeldingen van het noorderlicht in de mythologie te kunnen verklaren, moeten we ons verdiepen in het ontstaan van het noorderlicht en de natuurkunde rondom dit fenomeen.

Het poollicht wordt veroorzaakt door de zonnewind. Deze zonnewind is vooral sterk bij uitbarstingen van plasmawolken op de zon. Bij de uitbarstingen worden grote hoeveelheden geladen deeltjes het heelal ingeslingerd. Het aardmagnetisch veld zorgt ervoor dat de deeltjesstroom bij de aarde wordt afgebogen en in de buurt van de Noord- en Zuidpool met verhoogde snelheid de atmosfeer binnendringt. De deeltjes botsen in de atmosfeer met atomen en moleculen. De energie uit de deeltjes komt dan vrij en wordt op 80 tot 1000 kilometer hoogte uitgestraald in de vorm van het kleurrijke poollicht.

Aurora borealis is niet over de hele poolcirkel te zien, het is alleen zichtbaar in een ovalen gebied rondom de geomagnetische pool (de noord- en zuidpool van het aardmagnetische veld). Soms, bij extra sterke zonneactiviteit is de aurora verder weg te zien. In 1619 zelfs tot in Italië, waar Galileo Galilei de term aurora borealis voor het eerst gebruikte om het fenomeen te beschrijven dat volgens hem een vroege, rode zonsopgang was. De geomagnetische polen bewegen door instabiliteit in de kern van de aarde. Om het extra verwarrend te maken, ligt de geomagnetische zuidpool bij de geografische noordpool en andersom.

Een eerste verklaring van het ontbreken van de vermeldingen in de mythologie ligt in deze beweging van de geomagnetische polen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat in de Vikingtijd de geomagnetische pool zich verplaatst heeft van Scandinavië richting Noord Canada en daarna richting Siberië. Omdat de pool zich verplaatste, verplaatste het gebied waarin het poollicht te zien is mee, waardoor de aurora in de Vikingtijd waarschijnlijk gewoon niet te zien is geweest boven Scandinavië.

Voor de zichtbaarheid van het poollicht is daarnaast de mate van activiteit van de zon van belang . Een maat daarvoor is het aantal zonnevlekken dat te zien is, hoe meer, hoe actiever de zon is. Een actieve zon produceert de uitbarstingen van energie, waarbij de geladen deeltjes die het poollicht veroorzaken vrijkomen. De kans op poollicht is het grootst in jaren met veel zonneactiviteit. Vroege Chinese waarnemers van zonnevlekken hebben aangetoond dat er bijna geen zonnevlekken te zien waren in de Vikingtijd. Ze legden wel een hoogtepunt vast rond 1130 en dat valt samen met een vermelding in de IJslandse annalen uit 1118 waar de winter als roðavetr, rode winter, wordt beschreven. Als de aurora buiten het normale gebied te zien is, is dat namelijk vaak als rood licht.

Een derde oorzaak van de ontbrekende vermeldingen van het Noorderlicht in de mythologie ligt in het bijgeloof van de Vikingen. De omstandigheden om het Noorderlicht te zien zijn ideaal in Scandinavië: de winters zijn lang, donker en koud. De Vikingen hadden echter veel mythes over doden die in het donker rondzwierven en de donkere elfen die in het donker nachtmerries veroorzaakten. Misschien bleven mensen daarom vaak binnen.

Tot de vorige eeuw bestond nog steeds bijgeloof over het noorderlicht, waaruit blijkt dat het niet alleen als mooi verschijnsel gezien werd. In Vestlandet dacht men dat het noorderlicht oude vrijgezelle vrouwen waren, die dansten en met witte wanten zwaaiden. Hier bestond ook een gezegde over: ‘Ho er så gamal ho kjem snart i verlyset.’ Zij is zo oud, dat zij snel naar het noorderlicht gaat.

Recensie: Edda – Marcel Otten

Edda

Edda is de naam van een verzameling literaire en mythologische werken uit het middeleeuwse IJsland. De oudste is de Poëtische Edda of Lied-Edda, deze is bewaard gebleven in een 14e eeuws manuscript, de Codex Regius. De Lied Edda bevat 29 liederen of gedichten, deze gedichten gaan over goden en helden. Naast de Lied Edda is de zogenaamde Proza-Edda overgeleverd, deze wordt ook wel de Jongere Edda genoemd. Van deze Proza-Edda is eind vorig jaar de eerste Nederlandse vertaling verschenen. De vertaler is Marcel Otten, hij heeft in 1994 ook al de Lied Edda vertaald en is dus goed bekend met de materie.

De Proza-Edda is door Snorri Sturluson in de 13e eeuw samengesteld omdat hij na de kerstening de traditionele dichtkunst wilde behoeden voor de ondergang. Het boek is bedoeld als een handleiding en naslagwerk voor IJslandse dichters, zogenoemde skalden; zij beschikten hiermee over een overzicht van mythologische begrippen en verklaringen die zij in hun gedichten konden gebruiken. Snorri’s handleiding bestaat, naast een proloog over het ontstaan van het geloof in goden, uit drie hoofddelen:
– de zogenaamde Gylfaginning, ‘de begoocheling van Gylfi’, over de wereld van de oudnoordse goden, het scheppingsverhaal en de ondergang;
– het tweede deel heet de Skáldskaparmál, ‘de taal van de dichtkunst’, dit bespreekt de taal van de dichtkunst;
– het laatste deel, de Háttatal, ‘de lijst van versvormen’, behandelt versvormen en rijmschema’s.
Om ons beeld van de oudnoordse mythologie compleet te maken heeft Marcel Otten ook een fragment uit Heimskringla, ‘De schijf van de wereld’, in deze vertaling opgenomen.

Deze eerste Nederlandse vertaling van Snorri’s werk is een omvangrijke publicatie geworden. Voor geïnteresseerden is het een prachtig en compleet naslagwerk omdat de vertaler naast de Proza Edda ook enkele andere verhalen ter verduidelijking van de oudnoordse mythologie heeft opgenomen. Dat maakt het boek zeer toegankelijk. Omdat het bedoeld is als een handboek voor de skald, zijn sommige delen wat langdradig om te lezen. Vooral Skáldskaparmál bevat pagina’s lang enkel kenningen, een soort metaforen, voor begrippen, goden en dingen. Het is dan ook niet zozeer een boek om van begin tot eind te lezen, het is beter als een soort encyclopedie te gebruiken. Het is bij uitstek geschikt om als hulpmiddel bij de hand te hebben bij het lezen van de Lied-Edda of om informatie, of bijnamen, over goden op te zoeken.

Als kritiekpuntje wil ik opmerken dat Marcel Otten in deze vertaling veel namen vertaald heeft, wat hij vaker doet. In de inleiding geeft hij hier als verklaring voor dat hij ‘altijd het intuïtieve gevoel heeft gehad dat de namen van goden, reuzen, dwergen etc. een betekenis moeten hebben gehad voor de middeleeuwer die met die namen geconfronteerd werd.’ Hier is veel voor te zeggen, alleen vergeet Otten hierbij volgens mij, dat deze (vertaalde) namen voor moderne mensen in de huidige maatschappij niet hetzelfde gevoel of dezelfde betekenis oproepen als voor de mensen in de middeleeuwen. Ik denk zelf dat handhaving van de oorspronkelijke namen, met een vertaling in het register bijvoorbeeld, beter zou werken en minder gekunsteld zou aanvoelen. Daarnaast geven de kenningen, die zoals u elders in deze KL kunt lezen, te pas en te onpas in de mythologie gebruikt worden en allemaal in dit boek staan, toch al genoeg informatie over de betekenis van de naam.

Al met al is deze eerste Nederlandse vertaling een succes te noemen. Door de goede inleiding, de uitgebreide noten, een genealogie, het register en de compleetheid door extra toegevoegde verhalen is dit voor liefhebbers van de Scandinavische mythologie een fantastisch boek om in de kast te hebben staan, en ook een boek waar je vaak op terug zult vallen bij het zoeken naar informatie.

    • Naschrift:

Snorri Sturluson: Edda

    , vertaald door Marcel Otten, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2011

Raadsels en wedstrijden

Raadsels en wedstrijden

In de Scandinavische mythologie en saga’s lezen we vaak over wedstrijden en raadsels die opgelost moeten worden. Verschillende goden gaan om verschillende redenen wedstrijden aan.

Odin is altijd op zoek naar meer wijsheid. In de Vaftrudnismál wil Odin op bezoek bij de reus Vaftrudnir ‘Sterke Mangelaar’, die aloude kennis zou bezitten. Odin vraagt Frigg om advies en om hem de weg te wijzen. Frigg waarschuwt hem dat Sterke Mangelaar de machtigste reus is die zij kent en dat niemand tegen hem opgewassen is. Odin is verblind in zijn hunkering naar kennis en gaat toch. Eenmaal aangekomen bij Sterke Mangelaar doet hij zich als een gewone reiziger voor en daagt hij de reus uit door te vragen of hij wel zo alwetend is als altijd beweerd wordt. De reus hapt toe en zegt: ‘Nooit kom jij heelhuids uit mijn hal, als je kennis niet groter is!’

De reus bepaalt eerst met vier vragen of zijn tegenstander het waard is om een strijd mee aan te gaan. Hij stelt vier vragen over mythische gegevens, bijvoorbeeld hoe de rivier heet die de grond deelt tussen goden en reuzen.

Nadat de vier vragen naar behoren zijn beantwoord, wil de reus de strijd aangaan met als inzet hun leven. Odin stelt nu twaalf vragen over het oerverleden en de scheppingsmythe. De reus weet ze allemaal te beantwoorden. De reus benadrukt veel gereisd te hebben en weet zelfs de vragen over de godenwereld en Ragnarok, het einde van de wereld, te beantwoorden. Uiteindelijk is Odin hem te slim af, en maakt zichzelf bekend, met de laatste vraag: ‘Wat fluisterde Odin in het oor van zijn zoon toen die op de brandstapel lag?’ Hierop moet de reus het antwoord schuldig blijven, hij verzucht: ‘Ik deelde met Odin mijn talig talent altijd zal jij de wijste blijven.’

Met deze wedstrijd leert de lezer een hoop over de mythologie en het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs.

In Alvismál ‘Het lied van Alwijs’ is het Thor die een wedstrijd aangaat met de dwerg Alwijs. Alwijs wil graag de dochter van Thor trouwen, maar Thor wil eerst zijn wijsheid testen. De vragen die Thor stelt, zijn heel anders dan de vragen die Odin aan de reus stelt. Thor vraagt van Alwijs om synoniemen te geven van begrippen als de hemel, de maan en de zon. Thor gaat zolang door met het stellen van vragen dat de dwerg verrast wordt door het zonlicht en versteend. Zowel de vragen van Thor aan Alwijs als de vragen van Odin aan de reus zijn door Snorri Sturluson gebruikt in zijn Proza-Edda waarin hij de godenwereld en de taal van de dichtkunst beschrijft.

In Hervarar Saga ok Heidreks gaat Odin een raadselwedstrijd aan met een koning genaamd Heidrek. Odin is ook hier in vermomming en heeft de gedaante aangenomen van de ter dood veroordeelde boer Gestumblindi. Als hij een raadsel opgeeft dat Heidrek niet kan oplossen, zal hij niet sterven. De raadsels in deze saga zijn echte raadsels. Dit in tegenstelling tot Vaftrudnismál en Alvismál waar puur kennisvragen gesteld worden. In Hervarar saga vinden we raadsels als deze:

“Wat zie ik voor wonderlijks buiten bij de deur van Delling; met acht voeten en vier ogen, en knieën die boven zijn buik torenen? Overdenk dit raadsel, prins Heidrek!” “Spinnen,” antwoordt de koning.”

“Wat zie ik voor wonderlijks buiten bij de deur van Delling; zijn hoofd wendend tot Hel beneden, maar met zijn voeten altijd zoekend naar de zon? Overdenk dit raadsel, prins Heidrek!” “Dit is een goed raadsel, Gestumblindi,” zegt de koning. “Ik heb het geraden. Het is de prei, zijn hoofd zit altijd stevig in de grond, maar vertakt zich boven de grond.”

De laatste vraag die Odin vermomd als Gestumblindi aan Heidrek stelt, is hetzelfde als de laatste vraag in Vaftrudnismal, Heidrek kan het antwoord hierop nooit weten.

Hieruit blijkt maar weer dat het altijd een groot risico is om een wedstrijd aan te gaan, je weet immers maar nooit of je met een vermomde god te maken hebt.

Runen

De Runen

Tegenwoordig vinden we op wc-deuren nog wel eens de woorden ‘Laura was hier’ of ‘Emma is verliefd op Thijs’. Dit is niet alleen iets van onze tijd. Ook in de Vikingtijd worden er boodschappen in hout, op voorwerpen of in muren gekrast. De oude Scandinaviërs gebruiken hier het runenalfabet voor. Het runenschrift, ook futhark genoemd naar de eerste zes tekens, is ontstaan in de Romeinse tijd, toen de Latijnse letters door heel Europa waren verspreid. Een aantal runentekens lijkt ook erg op tekens in ons eigen alfabet. De oudste inscripties stammen uit circa 200 na Chr. Oorspronkelijk heeft het runenalfabet 24 tekens, dit schrift wordt het oude futhark genoemd. Aan het begin van de Vikingtijd wordt het aantal tekens teruggebracht naar 16. Sommige tekens krijgen verschillende betekenissen; de rune voor de letter ‘u’ wordt bijvoorbeeld gebruikt voor u, o, y, ø en w. Als rond de 11e eeuw het christendom naar Scandinavië komt, wordt het Latijnse schrift steeds meer gebruikt. Runen worden echter nog tot de 15e eeuw gebruikt voor korte boodschappen. In die periode wordt het schrift ook verder uitgebreid, zodat elk karakter correspondeert met een letter in het Latijnse alfabet.

In de mythologie duiken de runen op in verband met toekomstvoorspellingen en wijsheid. Zo hangt Odin zichzelf negen dagen lang op aan de wereldboom Yggdrasil. Door zichzelf op deze manier te offeren krijgt Odin de wijsheid van de runen. In de Edda worden de runen als reginkunnr, ‘afstammend van de goden’, aangeduid. De normale mens gebruikt de runen echter voor minder verheven zaken. Op allerlei gebruiksvoorwerpen zijn boodschappen achtergelaten; de objecten variëren van juwelen (ringen of broches) tot gespen van riemen en wapens. Vaak geeft de inscriptie simpelweg aan wie de eigenaar van het object is of wie de runen erop gezet heeft. Ook zijn er inscripties op (graf)stenen gevonden. Een beroemd voorbeeld is de steen die bij de Eggja-boerderij in Sogndal is gevonden. De steen wordt gedateerd op 650-700 na Chr. De inscriptie op de grafsteen is erg lang en het is nog steeds niet zeker wat er nu precies op staat. De steen lijkt een spreuk voor bescherming van het graf te bevatten en een beschrijving van een begrafenisritueel.

Om korte berichten naar elkaar te sturen, vergelijkbaar met hoe wij nu sms’jes sturen, worden boodschappen in stokjes gekrast die door een bode naar de andere persoon worden gebracht. Op die stokjes worden bijvoorbeeld liefdesverklaringen gekerfd, zoals dit bericht dat in Bergen gevonden is: ‘Ik hou zoveel van de vrouw van die man, dat vuur koud aanvoelt voor mij. En ik ben de minnaar van die vrouw.’ Een ander stokje dat in Bergen gevonden is, meldt simpelweg: ‘Gylda zegt dat je thuis moet komen’ en weer een ander (van de ontvanger van de vorige boodschap misschien?) meldt ‘Ik zou willen dat ik vaker naar de kroeg kon.’ In de staafkerk van Lom is een stokje met een uitgebreide inscriptie gevonden uit 1200-1400: ‘Håvard zendt Guny Gods zegen en zijn vriendschap. En nu is het mijn volledige en complete wens om je om je hand te vragen, als je niet met Kolbein wil zijn. Overdenk je verwachtingen van het huwelijk en laat me weten wat je wenst.’

In de muren van staafkerken zijn veel namen van heiligen, God, Maria en het woord ‘kerk’ of teksten in het Latijn in runen gevonden. In de Hopperstad- staafkerk in Vik zijn daarnaast ook uitgebreidere teksten in het Oudnoords gevonden als: ‘Vandaag is de dag voor Palmzondag. Moge de Heer de man bijstaan die deze runen gekerfd heeft evenals hij die deze runen leest’.

Runeninscripties hebben zich met de Vikingen verspreid. Er zijn inscripties in Rusland en zelfs Bosnië gevonden, maar voornamelijk in Groot Brittannië en op de Orkney Eilanden. De grootste collectie runeninscripties en graffiti is door de Vikingen achtergelaten in Maes Howe (Orkney), een prehistorische grafheuvel met een bekamerde tombe. In een van de ruim 33 inscripties vertellen ze wat ze er in de 12e eeuw komen doen: ‘Kruisvaarders hebben in Maes Howe ingebroken. De kok van Graaf Lif heeft deze runen gekerfd. Een grote schat is verstopt in het noordwesten. Lang geleden is de schat hier verstopt. Blij is hij die deze grote schat zal vinden. Alleen Hakon heeft een schat van deze grafheuvel gebracht. Simon Sirith.’

Ook in Nederland (voornamelijk in Friesland) zijn korte runeninscripties gevonden. Er zijn voorwerpen met namen erop gevonden en een kam met het woord ‘kam’. Daarnaast is er in 1996 een zwaardschede met inscriptie gevonden in Bergakker. Dit is vermoedelijk een Frankische inscriptie uit 425-450. Deze inscriptie laat zien dat de runen door verschillende bevolkingsgroepen gebruikt werden. De runen die op de zwaardschede staan, behoren op één na tot het oudste futhark. De tekst wordt als volgt geïnterpreteerd: ‘(van) Haþuþȳw. Ik(hij?) gun(t) een vlam (zwaard) aan de uitverkorenen’. Er wordt gesuggereerd dat dit de alleroudste Nederlandse zin is. Dan zou de oudste Nederlandse zin dus in runen geschreven zijn!

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs

De twee Edda’s

De meeste informatie over de Scandinavische mythologie is ons bekend geworden dankzij de in de middeleeuwen op IJsland opgetekende saga’s en twee manuscripten die allebei Edda worden genoemd: de Proza Edda en de Poëtische of Lied Edda. De laatste is het oudst; deze is bewaard gebleven in een manuscript uit de 14e eeuw, dat de Codex Regius wordt genoemd en dat 29 liederen of gedichten bevat waarvan er 11 betrekking hebben op de oudnoordse goden en de overige 18 de zgn. Volsungasaga bevatten waarin de held Sigurd centraal staat. Deze laatste zou je de Scandinavische versie van het Duitse Nibelungenlied kunnen noemen. Naast de Lied Edda is de Proza Edda overgeleverd, ook wel de Jongere Edda genoemd, geschreven door Snorri Sturluson. Deze twee Edda’s vormen samen de belangrijkste bron van kennis over het oudnoordse wereldbeeld, de mythen en legenden.

Het werk van Snorri

De vertel- en dichtkunst werd in de vikingtijd bedreven door zgn. skalden, dichters/zangers die zelfgemaakte of bestaande rijmverhalen en liederen voordroegen, zoals bijvoorbeeld de liederen die in de Lied Edda staan. Deze liederen werden veelal van skald tot skald overgedragen. Snorri Sturluson, een IJslandse hoofdman en geleerde uit de 13e eeuw, wilde na de kerstening van IJsland de traditionele dichtkunst behoeden voor de ondergang en tekende daarom zoveel mogelijk mondeling overgeleverde oude rijmverhalen op. Hij bundelde deze verhalen samen met een handboek van de oudnoordse poëzie met de bedoeling skalden in opleiding een overzicht van mythologische begrippen en verklaringen daarvan te geven, als een soort naslagwerk zou je kunnen zeggen. Zijn boekwerk bestaat naast een proloog over het ontstaan van het geloof in goden uit drie hoofddelen: de zogenaamde Gylfaginning, ‘de begoocheling van Gylfi’, over de wereld van de oudnoordse goden, het scheppingsverhaal en de ondergang; het tweede deel heet de Skáldskaparmál ‘over de dichtkunst’, dit bespreekt de taal van de dichtkunst, terwijl het laatste deel, de Háttatal, versvormen en rijmschema’s behandelt.

Wereldbeeld

Het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs is vrij onoverzichtelijk. In de overleverde teksten is er sprake van twee verschillende wereldbeelden die naast en door elkaar heen bestaan, de ene is horizontaal, de andere verticaal. Waar ze het over eens zijn, is dat na Ragnarok, de ondergang, een betere wereld zal verrijzen. In het horizontale wereldbeeld is de aarde rond en plat. In het centrum liggen Åsgard, de godenwereld, en de Yggdrasill, de wereldboom, daaromheen ligt de mensenwereld Midgard. De reuzenwereld Jotunheimen ligt daar weer omheen. Dit alles wordt omringd door een machtige oceaan. Aan de overkant daarvan bevindt zich het rijk van de reus Utgardaloki. Boven de wereld wordt de hemel gesteund door vier dwergen die de windrichtingen verbeelden. Goden, reuzen en mensen leven samen op deze aarde. Diep onder de aarde bevindt zich het dodenrijk Hel. De windrichtingen spelen een grote rol: de dreigingen die Ragnarok zullen veroorzaken komen voornamelijk uit het oosten en het zuiden. Het verticale wereldbeeld onderscheidt een onbekend aantal werelden die boven elkaar bestaan. Snorri zelf noemt negen werelden waarvan Niflhel de onderste is, terwijl de reus Vafthrudnir in de Lied Edda pocht dat hij door negen werelden naar de Niflhel is afgedaald. Ook naar boven toe, boven Åsgard`, zouden nog verschillende hemels bestaan. De brug Bifrost is de verbindende schakel tussen aarde en Åsgard. Wereldboom Yggdrasil verbeeldt de verbinding tussen alle werelden, met vertakkingen naar boven toe en met wortels die op, onder en boven de aarde liggen, bij het dodenrijk Hel, de mensen en de goden.

De goden en andere wezens

De familie van de goden valt uiteen in Asen en Wanen. Deze tweedeling is ontstaan na de schepping van de wereld door Odin, Vili en Ve. Vili en Ve zijn na enige tijd tevreden met hun schepping en willen in de wereld rondtrekken, Odin is nog niet tevreden. Hier splitst de godenfamilie zich in tweeën: de Asen worden de volgelingen van Odin, de Wanen volgen Vili en Ve. De Asen worden veelal geassocieerd met strijd en handel, de Wanen zijn oorspronkelijk vruchtbaarheidsgoden, goden van zee en overvloed en zij worden door de Asen gevreesd vanwege hun magische krachten. De belangrijkste tegenstanders van de goden zijn de reuzen, de Jotner. Er zijn verder ook elfen of alven die vaak op een lijn met de goden gesteld worden. De Lichtalven wonen in een prachtig oord grenzend aan Åsgard. De Zwartalven wonen onder de grond en worden als aardgeesten gezien en vaak in een adem met de dwergen genoemd.