Recensie: Norse Mythology

Norse Mythology, Neil Gaiman, W.W. Norton, februari 2017.

Neil Gaiman is zijn carrière begonnen als journalist en schrijver van ‘graphic novels’. De 75-delige reeks Sandman is zijn bekendste en meest geroemde ‘graphic novel’. Deze serie gaat over Morpheus, of ‘Dream’, heerser van de droomwereld, die door een occult ritueel gevangen wordt gezet en na 70 jaar weer vrijkomt. In Sandman wordt fantasie op een indrukwekkende manier verweven met personages, onderwerpen en locaties uit wereldliteratuur, mythologie en geschiedenis.

Na het succes van Sandman is Gaiman ook boeken voor volwassenen en kinderen gaan schrijven. In 2001 kwam American Gods (Amerikaanse Goden in Nederland) uit. Ook in dit met een prijs bekroonde boek combineert Gaimain fantasie met geschiedenis, mythologie en een reis door Amerika.

Hoofdpersoon Shadow heeft drie jaar in de gevangenis gezeten. Na zijn vrijlating ontmoet hij de excentrieke oude man Wednesday (die later Odin blijkt te zijn). Wednesday biedt hem een baan aan als zijn persoonlijke lijfwacht. Shadow wordt meegezogen in een aaneenschakeling van wonderlijke, vaak gewelddadige gebeurtenissen en ontmoetingen met Goden uit de hele wereld als blijkt dat de oude Goden, zoals Odin en Loki, met uitsterven worden bedreigd door de opkomst van nieuwe Goden.*

Gaiman is dus niet onbekend met (oud- noordse) mythologie. In Norse Mythology blijkt dat hij zijn onderzoek grondig hee gedaan. Gaiman blij trouw aan de bronnen van het lied Edda en proza Edda en combineert deze op slimme wijze als dat voor de verhaallijn of chronologie beter uitkomt. Gaiman vertelt op geheel eigen wijze, vaak ook met humor, een aantal bekende mythen zoals Voluspá, het begin van de wereld, en Ragnarok, het einde van de wereld, maar ook Loki’s bezoek aan de reuzen en hoe Thor zijn hamer en Sif haar gouden haar krijgt. Veel van de verhalen zijn eerder aan bod gekomen in afleveringen van Scandinavische Mythologie.

Ik raad iedereen aan het luisterboek te beluisteren. Gaiman leest Norse Mythology zelf voor en hij heeft een prettige stem om naar te luisteren. In Norse Mythology – en zeker in het luisterboek – komen de oudnoordse goden echt tot leven.

*Van American Gods is in mei 2017 ook de tv-serie gestart, deze is vooralsnog te zien op Amazon Prime, maar de serie zal vast ook op de Nederlandse tv verschijnen.

Het getal 3 in de Scandinavische mythologie

In bijna alle culturen wordt aan bepaalde getallen symbolische betekenissen toegekend. Deze verschillen in diverse culturen. In Nederland zien we dat terug bij het getal 11, dat veel mensen als het gekkengetal zien. Carnaval begint (dan) ook op de 11e dag van de 11e maand. Het getal 13 zien we collectief als het ongeluksgetal en als de 13e dag van een maand op een vrijdag valt, hebben we helemaal de poppen aan het dansen! Wat maakt getallen zo bijzonder?

Getalstelsels

Er zijn verschillende redenen waarom we bepaalde getallen belangrijk of herkenbaar vinden, zo maken wij gebruik van het tientallig stelsel, dat is terug te herleiden naar onze twee handen met elk 5 vingers.

Niet iedereen maakte echter gebruik van deze handigheid, de Babyloniërs gebruikten een zestigtallig stelsel dat ze van de Sumeriërs hadden geleend. Dat klinkt in eerste instantie heel lastig, maar wij maken daar nu ook nog steeds gebruik van bij onze uren en minuten. Een uur heeft immers 60 minuten en een minuut bestaat uit 60 seconden. Ook gebruiken we het zestigtallig stelsel om cirkels te verdelen in 6 x 60, dus 360 graden. Het getal 60 is een ‘hogelijk samengesteld getal’ dat houdt in dat het getal deelbaar is door meer getallen dan elk kleiner positief getal. 60 is deelbaar door 12 getallen, terwijl 100 slechts deelbaar is door negen getallen. Dit maakt 60 een goed getal om voor tijdsindeling te gebruiken.

Het principe van de cirkel komt ook van de Sumeriërs, zij rondden het aantal dagen in een jaar af op 360 en gebruikten daar het symbool van een cirkel voor. Door de verdeling van jaar en een cirkel in 360 delen schuift de aarde in een dag ongeveer één graad verder in zijn baan om de zon.

Symboliek in het getal 3

Uit dit uitstapje naar getalstelsels blijkt dat wat wij als normaal zien al duizenden jaren bestaat. Ook symbolische betekenissen van getallen kennen vaak een lange geschiedenis, zo vinden we beschrijvingen van getallen in de bijbel, de koran en in verschillende mythologieën. In de Scandinavische mythologie lijkt vooral het getal 3 speciaal. Dit getal komt in veel culturen en teksten terug. In de Griekse mythologie wordt het getal 3 gezien als het toppunt van volmaaktheid. Ook in het Oude en Nieuwe Testament verschijnt het getal 3 regelmatig, denk aan de 3 wijzen uit het Oosten, maar ook als de symbolische voorstelling van de Heilige Drie Eenheid.

Het getal 3 zien we in de Scandinavische mythologie vaak als een drie-eenheid: de wereldboom Yggdrasil heeft 3 wortels, er zijn 3 x 3, werelden, Loki heeft 3 kinderen gekregen van de jötunn (reus) Angrboða: Hel, de wolf Fenrir en de Midgardslang Jörmungandr. Odin heeft nog twee broers, Ville en Ve. En trollen hebben altijd 3, 6 of 9 neuzen!

Ook in verhalen komen groepen van 3 vaak voor. In Gylfaginning gaat Gylfi naar een paleis, daar ziet hij 3 tronen boven elkaar, met 3 mannen erop: De Hoge, Evenhoog en Derde. Er wordt ook verteld dat voor Ragnarök er 3 opeenvolgende strenge winters zullen komen, zonder zomer ertussen. Dit wordt de Fimbulwinter genoemd.

We zien het getal 3 ook gebruikt worden als een magisch getal: zo wordt Loki vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon en worden de ingewanden 3maal om de steen heen gedraaid. Tyr bindt de kaken van Fenrir door het touw er 3 maal omheen te slaan.

In veel mythologieën komen goden of godinnen in een godentriade voor, de 3 Nornen zijn daar een voorbeeld van, net zoals de 3 moedergodinnen Freyja, Frigg en Skaði. In de Keltische mythologie vormt de triade Badb, Macha en Emain de oorlogsgodin die de Mórrígan genoemd wordt. In het oude Egypte hadden verschillende steden een triade, een bekend voorbeeld is de triade van Heliopolis die bestaat uit Osiris, Isis en Horus.

De socioloog Georges Dumézil zag gelijkenissen tussen de godentriaden van vele Indo-Europese culturen. Volgens hem zou Indo-Europese godentrias de 3 maatschappelijke lagen vertegenwoordigen: de heersende klasse, de krijgersklasse en de boerenklasse. In deze theorie passen Odin, Freyr, en Thor, zij worden ook als een triade gezien. Odin is de god van de lucht, dood, poëzie en oorlog, Freyr is de god van de zomer en vruchtbaarheid en Thor is de dondergod en god van verwoesting.

Ik begon dit stuk met het huidige ongeluksgetal 13, ook dat heeft een lange geschiedenis. Als eerste kennen we het ongeluksgetal van het laatste avondmaal, waar Jezus voor het laatst met zijn 12 apostelen aan tafel zit. Ook in de Romeinse tijd lezen we over 13 als een getal dat ongeluk en verwoesting brengt en in de Middeleeuwen wordt verteld dat een heksencoven uit dertien personen bestaat. In de Scandinavische mythologie tenslotte, is Baldr samen met 11 andere goden op een feest. Nadat Loki als dertiende god binnenkomt, loopt het uit de hand: een streek van Loki veroorzaakt de dood van Baldr.

Om de cirkel helemaal rond te krijgen: vrijdag is een ongeluksdag door Goede Vrijdag, toen Jezus werd gekruisigd, daarnaast voerden de Romeinen en later ook de Engelsen doodvonnissen op vrijdag uit. In 1307 werden op vrijdag de 13e alle Tempeliers opgepakt op bevel van Philip de Schone, dit bleek de opmaat voor de uiteindelijke vernietiging van de orde van de Tempeliers. Met recht een ongeluksdag dus.

Berserkers

Berserkers

Als je aan een vikingkrijger denkt, zal misschien als eerste het beeld van een woest in zijn schild bijtende krijger in je opkomen. Die allesoverheersende woede was een van de vaardigheden van Odin om gevechten te winnen. Volgens een passage in Heimskringla is Odin in staat zijn vijanden in het gevecht blind, doof of bang te maken en hij maakt hun zwaarden zo bot dat ze er niet veel meer mee kunnen uitrichten dan met stokken. Odins mannen gaan het gevecht aan zonder maliënkolders en ze zijn woest als honden of wolven, bijten in hun schilden en ze zijn zo sterk als beren of stieren. Ze doden vele mensen, en vuur noch ijzer kan hen deren. Dit wordt berserkergang genoemd.

Berserkers worden al in vroege literaire bronnen met wolven en beren in verband gebracht en bedekken zich met huiden van deze dieren en hebben namen met de elementen ulf of bjørn. Er wordt zelfs gesuggereerd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Ze vechten in groepen en er worden zware eisen gesteld aan krijgers die mee willen vechten. In Grettir’s Saga wordt verteld dat Grettir, een aspirant berserker, aan Bjorn, de leider van de berserkers, zijn kracht moet bewijzen door zijn mantel uit het hol van een beer te halen. Het lukt Grettir om de beer te doden en zijn mantel terug te pakken.

Over de berserkergang wordt geschreven dat het begint met klappertanden, rillen en een koud gevoel in het lichaam. Daarna zwelt het gezicht op en verandert het van kleur en wordt het hoofd ontzettend heet. Uiteindelijk uit de berserkergang zich in een ontembare woede waarbij de krijgers als wilde dieren huilen en over een bovenmenselijke kracht beschikken.

Berserkers worden in de sagas ook vaak beschreven als reuzen of trollen, omdat ze zo vreselijk lelijk zijn. In Orvar Odds saga wordt een berserker beschreven met zwart haar, waarvan een dikke lok zijn gezicht volledig bedekte zodat alleen zijn tanden en ogen zichtbaar waren. In Egils saga is de berserker Egil aanwezig bij een feest aan het hof van de Engelse koning Æþelstan. Egil wordt beschreven met zwarte ogen en doorlopende zware wenkbrauwen. Hij weigert tijdens zijn bezoek drank aan te nemen en blijft zijn wenkbrauwen steeds om en om optrekken. De koning vindt dat Egil zulke lelijke gezichten trekt dat hij hem uiteindelijk een gouden ring aanbiedt zodat hij ermee stopt.

De berserker en de berserkergang heeft een parallel in de Ierse mythologie waarin de zogenoemde ‘krijgerswoede’ zich bij de held CúChulain nog gruwelijker uit: Hij rilt over zijn hele lichaam waarna zijn lichaam naar achteren beginnen te buigen. Zijn knieën, kuiten en hielen verschuiven naar achteren en de spieren in zijn nek steken uit als bulten. Een oog dringt zich terug in zijn hoofd en de andere steekt uit tot over zijn wang. Zijn mond rekt uit tot aan zijn oren en het schuim stroomt uit zijn kaken. Zijn hartslagen klinken als een grote metalen drum en zijn haar staat in plukken scherp als speren overeind met aan elk uiteinde een vlam.

De berserkergang wordt in sommige gevallen “opgewekt” doordat de krijgers zich bedekken met wolven- of berenhuiden maar het kan ook spontaan optreden zoals in Egils saga. Hier wordt verteld over Skalla Grimr die zo opgewonden wordt van een langdurig balspel dat hij een jonge man doodt en zijn zoon aanvalt. Dit maakt ook duidelijk dat een man onder invloed van berserkergang geen onderscheid meer maakt tussen zijn familie en vijanden.

Als de krijgers uit de berserkergang komen, zijn ze veel zwakker dan normaal. In Egils saga wordt dit ook beschreven. Over Ulf, een gepensioneerde berserker, wordt gezegd dat hij nadat hij uit zijn berserkergang kwam zo moe en zwak was dat hij naar bed moest gaan. Helden maken gretig gebruik van deze zwakte in sagas en verslaan berserkers als ze uitgeteld en zwak van een gevecht terugkomen.

Van de berserkers wordt ook gezegd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Nu verwijst het woord berserk waarschijnlijk naar de berenvellen die deze krijgers droegen. De oudste vermelding is in Haraldskvæði (‘Het lied van Harald Mooihaar’), waar berserkers worden omschreven als bloeddorstige krijgers, bedekt met wolvenhuiden en met speren die rood zijn van het bloed. Er is ook meer tastbaar bewijs overgeleverd: we zien ze met maskers en dierenvellen afgebeeld op een tapijt dat in de Oseberg grafheuvel samen met het beroemde Vikingschip gevonden is.

Fylgjur en Walkuren

Fylgjur en Walkuren

In de Scandinavische mythologie vind je veel bovennatuurlijke wezens, zoals de valkyrjur, de Walkuren, en de fylgjur. Valkyrjur betekent ‘kiezers van de gevallene’, fylgjur betekent iets als ‘zij die volgen’. In de mythologie vinden we van deze laatste twee types: fylgjur die de gedaante van een dier kunnen aannemen en fylgjur die altijd alleen de gedaante van een vrouw aannemen. Soms duiken de fylgjur in gevechten op, rijdend op paarden. Ze zijn dan moeilijk te onderscheiden van de Walkuren. Toch zijn er duidelijke verschillen tussen deze wezens.

Iedereen heeft een fylgja in de vorm van een dier, deze fylgja volgt een mens de wereld in bij de geboorte, en sterft vlak voordat zijn ‘eigenaar’ sterft. Het dier waarin de fylgja verschijnt is een personificatie van de ziel en het karakter van zijn eigenaar. Fylgjur laten zich meestal niet zien en wanneer ze dat wel doen, is dat meestal een voorbode van pech of de dood. Soms laten ze zich ook in andere situaties zien, bijvoorbeeld om te waarschuwen dat er gevaar dreigt. In Örvar-Odds saga ziet Örvar zijn ijsbeer-fylgja op een schip staan en ziet hoe hij het schip laat zinken.

Het andere type fylgja verschijnt alleen in de vorm van een vrouw. In Gísla saga Súrssonar, de saga over Gísli Sursson, komt dit type voor. In deze saga verschijnen twee vrouwen in Gísli’s dromen: een goede en een slechte droomvrouw. De goede vrouw beschermt Gísli en voorziet hem van adviezen, terwijl de slechte vrouw hem constant herinnert aan de verschrikkelijke manier waarop hij zal sterven. Zij verschijnt vaak druipend van het bloed. Met dit bloed wil zij Gísli insmeren en wassen. Hij realiseert zich dat zij een teken van onheil in het gevecht is en dat zij uiteindelijk tevens zijn dood voorspelt. De vrouwelijke fylgja is altijd een voorbode van de dood. Zij is niet gebonden aan een persoon en sterft dan ook niet als de persoon aan wie zij zich getoond heeft sterft. In gevechten duiken deze fylgjur ook op en geven dan advies aan de krijgers. De krijgers sterven hoe dan ook, ongeacht of ze het advies van de fylgjur volgen of niet.

De Walkuren, de vrouwelijke krijgers van Odin, hebben een aantal dingen gemeen met de twee types fylgjur. Zo kunnen de Walkuren ook van gedaante wisselen, en zij kiezen dan meestal de gedaante van een zwaan. In Helreið Brynhildar, ‘Brynhilds Hellevaart’, geeft Odin acht zussen, onder wie Brynhild, zwanenmantels. Deze mantels maken hen Walkuren en zorgen ervoor dat ze door de lucht kunnen vliegen. Agnar steelt de zwanenkleden van de meisjes terwijl zij aan het baden zijn, waardoor zij gedwongen zijn hem te dienen.

In Völundarkviða, ‘De Ballade van Völund’, ontmoeten drie broers drie Walkuren aan de oever van een meer. De meisjes zijn herkenbaar als Walkuren door hun zwanenkleden. De broers verleiden de meisjes en ze brengen zeven winters samen door. Daarna vliegen de meisjes terug naar hun gevechten, om nooit meer terug te keren.

Zwanenmeisjes hebben ook een andere functie: ze kunnen wensen vervullen. Ze worden daarom ook óskmeyjar genoemd, ‘wensmeisjes’, een naam die afgeleid is van het Oudnoordse woord ósk, ‘wens’. Een van de vele verschillende namen van Odin, zoals genoemd in de Snorra Edda, is Óski, dit bevestigt de connectie tussen Odin en de Walkuren.

De Walkuren verschijnen net als de fylgjur ook op het slagveld; ook zij rijden op paarden. Ze geven echter geen advies; de Walkuren kiezen de heldhaftigste strijders uit voor Odin en brengen deze naar Valhalla, waar ze getraind worden om tijdens Ragnarök, het einde der tijden, te vechten. Soms treden ze ook op om de door Odin uitverkoren winnaar in het gevecht te beschermen.

In het gedicht Sígrdrífumál speelt de Walkure Sígrdrífa een andere rol. Zij heeft het heft in eigen hand genomen en heeft de door Odin uitgekozen winnaar, en de man die zij had moeten beschermen, gedood. Als straf steekt Odin haar met een doorn gedrenkt in slaapmiddel en zegt dat zij nooit meer een krijger de overwinning zal brengen op het slagveld.

Walkuren kunnen ook het weer beïnvloeden. Een voorbeeld hiervan zien we in het Oudnoordse gedicht Helgakviða Hundingsbana önnor, ‘De tweede ballade van Helgi, doder van de Hondenzoon’. Helgi is op weg om de oorlog te verklaren aan de man die zich verloofd heeft met de Walkure Sigrun, Helgi’s grote liefde. Sigrun beschermt Helgi tweemaal door een woeste onweersbui te bedaren zodat zijn schip veilig kan afmeren. We zien ook in andere gedichten dat de komst van de Walkuren vaak vergezeld gaat met donder en bliksem.

Uit de hierboven beschreven voorbeelden blijkt dat hoewel de fylgjur en de Walkuren vaak in vergelijkbare situaties in gedichten en verhalen verschijnen, zij verschillende typen wezens met een andere achtergrond en motivatie zijn. Een krijger kan op het slagveld beter een Walkure tegenkomen en als held sterven of beschermd worden, dan een fylgja zien en haar advies opvolgen!

Kenningen en heiti

Kenningen en heiti

In de vorige aflevering heb ik het over raadsels en wedstrijden in de Vikingtijd gehad, deze keer wilde ik het over een ander terrein hebben waar het competitie-element ook een rol speelt: skaldenpoëzie.

In de middeleeuwen wordt informatie veelal mondeling overgeleverd. Verhalen worden verteld door skalden, hofdichters. Om alle informatie makkelijker te kunnen onthouden, gebeurt dit in versvorm waarbij het ritme en metrum en dichterlijke formules om bepaalde dingen uit te drukken belangrijke hulpmiddelen zijn. In de Vikingtijd is het een sport om zo ingewikkeld mogelijke beeldspraak en synoniemen te gebruiken in gedichten, want een personage wordt liever niet alleen maar bij naam genoemd. Een skald die dat kan en de toehoorder die hem begrijpt, geven blijk van intelligentie en scholing en zorgen voor een gevoel van saamhorigheid tussen de toehoorder en de skald. Ze (her) kennen dezelfde geschiedenis en verhalen.

De beeldspraak of metaforen die door de skalden gebruikt worden, heten kenningen, de synoniemen worden heiti genoemd. Ze worden ingezet om personages te beschrijven. Een heiti kan onderdeel zijn van een kenning. Dus als een skald iets over de god Thor wil zeggen, dan zou hij naar Thor kunnen verwijzen met de kenning ‘de zoon van Odin’. Dat is echter vrij simpel; hij zou er ook voor kunnen kiezen om de naam Odin te vervangen door een heiti, een synoniem, voor Odin. Odin wordt bijvoorbeeld vaak ‘de verschrikkelijke’ genoemd. Zo zou een skald dus naar Thor kunnen verwijzen als ‘de zoon van de verschrikkelijke’. De kenningen en heiti maken het aan de ene kant voor de moderne lezer moeilijker om de mythologische verhalen en saga’s te begrijpen, aan de andere kant kunnen ze juist ook extra informatie over het karakter of het uiterlijk van een personage geven waardoor de verhalen levendiger worden.

Elders in deze KL staat mijn recensie van de eerste Nederlandse vertaling van de Proza-Edda, een handboek voor de skald geschreven door Snorri Sturluson waarin de kenningen en heiti worden uitgelegd en verzameld. Om goede kenningen te kunnen maken, moet een skald de mythologie tot in de puntjes beheersen.

Een kenning die Snorri gebruikt voor goud is bijvoorbeeld ‘ottergeld’; een toespeling op het goud dat Odin als genoegdoening aan Hreidmar moet betalen nadat Odin diens zoon had gedood die zich in een otter had veranderd. Van een skald wordt verwacht dat hij zoveel mogelijk verschillende kenningen voor een begrip bedenkt. Zo is een andere kenning voor goud ‘het mondgetal van Dikkop’, verwijzend naar de manier waarop Dikkop, een van de zonen van Almachtig, na de dood van zijn vader met zijn broers de erfenis verdeelt: ieder neemt steeds een mondvol goud.

Ook voor goden zijn verschillende kenningen bekend. Zo kan een skald naar Sif verwijzen met de kenningen ‘de vrouw van Thor’, ‘de moeder van Ull’, ‘de godin met het fraaie haar’, ‘de rivale van IJzerdolk’, en ‘de moeder van Kracht’. Met deze voorbeelden wordt duidelijk dat er naar afstamming of familierelaties verwezen kan worden, dat uiterlijke kenmerken gebruikt worden of dat de naam van een andere godin gebruikt wordt als kenning. Voor Sif worden weinig kenningen genoemd, maar voor bekendere goden als Odin, Loki of Thor worden pagina’s vol met kenningen, uitleg en omschrijvingen gegeven.

Niet alleen goden worden met kenningen omschreven. Als een skald een kenning kan gebruiken, zal hij dat niet laten. Zo kan er naar een man verwezen worden door zijn daden te noemen of door naar zijn eigendommen, familie of successen te verwijzen. Hij kan ook benoemd worden aan de hand van de mensen die hij heeft gedood, de reizen die hij heeft gemaakt of de jachtpartijen waar hij aan heeft meegedaan. Naar beroepen kan ook door middel van een kenning worden verwezen, zo is een matroos een ‘man van de eland van het fjord’, waarbij de eland van het fjord weer een kenning is voor een schip.

Naar vrouwen wordt verwezen door middel van vrouwelijke namen van bomen, edelstenen en glazen kralen. Hiervoor geeft Snorri een uitleg: ‘omdat in de oudheid een vrouwelijk sieraad een “ketting van stenen” werd genoemd die om de hals werd gedragen. Nu is er een kenning van gemaakt, zodat met termen voor stenen en met alle woorden voor stenen naar een vrouw wordt verwezen.’

Naast kenningen voor mensen, goden, belangrijke zaken als goud, de aarde en de zee, zijn er ook kenningen voor lichaamsdelen en bijvoorbeeld tranen. Zo kunnen tranen worden omschreven als ‘dauw van de wimpers’ of ‘de stemming van vrouwen’.

Er wordt ook rekening mee gehouden dat skalden het christelijke geloof willen verspreiden na de kerstening, dus er zijn ook talloze kenningen voor Christus opgeschreven. In eerste instantie zijn die nog begrijpelijk: ‘de schepper van hemel en aarde’, ‘de meester van de apostelen en heiligen’, ‘de koning van de zon’ of ‘de zoon van Maria’. Ze worden echter al snel meerduidig want er wordt ook naar Christus verwezen als ‘de koning van de Grieken’, of ‘de koning van Jerusalem’ en dat kan immers ook slaan op een in die tijd heersende vorst. Het lijkt alsof niets besproken kan worden zonder een kenning of heiti te gebruiken; zowel de skalden als de normale bevolking moesten in de Vikingtijd dus een goed getraind geheugen hebben om dit allemaal te kunnen onthouden!

Raadsels en wedstrijden

Raadsels en wedstrijden

In de Scandinavische mythologie en saga’s lezen we vaak over wedstrijden en raadsels die opgelost moeten worden. Verschillende goden gaan om verschillende redenen wedstrijden aan.

Odin is altijd op zoek naar meer wijsheid. In de Vaftrudnismál wil Odin op bezoek bij de reus Vaftrudnir ‘Sterke Mangelaar’, die aloude kennis zou bezitten. Odin vraagt Frigg om advies en om hem de weg te wijzen. Frigg waarschuwt hem dat Sterke Mangelaar de machtigste reus is die zij kent en dat niemand tegen hem opgewassen is. Odin is verblind in zijn hunkering naar kennis en gaat toch. Eenmaal aangekomen bij Sterke Mangelaar doet hij zich als een gewone reiziger voor en daagt hij de reus uit door te vragen of hij wel zo alwetend is als altijd beweerd wordt. De reus hapt toe en zegt: ‘Nooit kom jij heelhuids uit mijn hal, als je kennis niet groter is!’

De reus bepaalt eerst met vier vragen of zijn tegenstander het waard is om een strijd mee aan te gaan. Hij stelt vier vragen over mythische gegevens, bijvoorbeeld hoe de rivier heet die de grond deelt tussen goden en reuzen.

Nadat de vier vragen naar behoren zijn beantwoord, wil de reus de strijd aangaan met als inzet hun leven. Odin stelt nu twaalf vragen over het oerverleden en de scheppingsmythe. De reus weet ze allemaal te beantwoorden. De reus benadrukt veel gereisd te hebben en weet zelfs de vragen over de godenwereld en Ragnarok, het einde van de wereld, te beantwoorden. Uiteindelijk is Odin hem te slim af, en maakt zichzelf bekend, met de laatste vraag: ‘Wat fluisterde Odin in het oor van zijn zoon toen die op de brandstapel lag?’ Hierop moet de reus het antwoord schuldig blijven, hij verzucht: ‘Ik deelde met Odin mijn talig talent altijd zal jij de wijste blijven.’

Met deze wedstrijd leert de lezer een hoop over de mythologie en het wereldbeeld van de oude Scandinaviërs.

In Alvismál ‘Het lied van Alwijs’ is het Thor die een wedstrijd aangaat met de dwerg Alwijs. Alwijs wil graag de dochter van Thor trouwen, maar Thor wil eerst zijn wijsheid testen. De vragen die Thor stelt, zijn heel anders dan de vragen die Odin aan de reus stelt. Thor vraagt van Alwijs om synoniemen te geven van begrippen als de hemel, de maan en de zon. Thor gaat zolang door met het stellen van vragen dat de dwerg verrast wordt door het zonlicht en versteend. Zowel de vragen van Thor aan Alwijs als de vragen van Odin aan de reus zijn door Snorri Sturluson gebruikt in zijn Proza-Edda waarin hij de godenwereld en de taal van de dichtkunst beschrijft.

In Hervarar Saga ok Heidreks gaat Odin een raadselwedstrijd aan met een koning genaamd Heidrek. Odin is ook hier in vermomming en heeft de gedaante aangenomen van de ter dood veroordeelde boer Gestumblindi. Als hij een raadsel opgeeft dat Heidrek niet kan oplossen, zal hij niet sterven. De raadsels in deze saga zijn echte raadsels. Dit in tegenstelling tot Vaftrudnismál en Alvismál waar puur kennisvragen gesteld worden. In Hervarar saga vinden we raadsels als deze:

“Wat zie ik voor wonderlijks buiten bij de deur van Delling; met acht voeten en vier ogen, en knieën die boven zijn buik torenen? Overdenk dit raadsel, prins Heidrek!” “Spinnen,” antwoordt de koning.”

“Wat zie ik voor wonderlijks buiten bij de deur van Delling; zijn hoofd wendend tot Hel beneden, maar met zijn voeten altijd zoekend naar de zon? Overdenk dit raadsel, prins Heidrek!” “Dit is een goed raadsel, Gestumblindi,” zegt de koning. “Ik heb het geraden. Het is de prei, zijn hoofd zit altijd stevig in de grond, maar vertakt zich boven de grond.”

De laatste vraag die Odin vermomd als Gestumblindi aan Heidrek stelt, is hetzelfde als de laatste vraag in Vaftrudnismal, Heidrek kan het antwoord hierop nooit weten.

Hieruit blijkt maar weer dat het altijd een groot risico is om een wedstrijd aan te gaan, je weet immers maar nooit of je met een vermomde god te maken hebt.

Baldr

Baldr

Baldr is de zoon van Odin en Frigg. Hij is getrouwd met Nanna en woont in Breidablik, wat zoveel betekent als ‘wijds uitzicht’. Over Baldr wordt altijd met veel lof gesproken, hij is de meest geliefde god. Van Baldr wordt in ‘Gylfaginning’ gezegd dat hij zo mooi is dat hij straalt. Het plantje Baldrs brá (Matricaria maritima, een kamillesoort) is zo wit dat hij zijn naam dankt aan de vergelijking met Baldr’s wimpers. Er zijn weinig verhalen over Baldr bekend, maar als hij genoemd wordt is dat altijd uitzonderlijk positief. De enige mythe met Baldr als hoofdpersoon gaat over zijn dood, dit is dan wel weer een van de bekendste Scandinavische mythen.

Volgens deze mythe heeft Baldr een reeks voorspellende dromen waarin zijn leven bedreigd wordt. Als hij de andere Asen over zijn dromen vertelt, besluiten zij dit te voorkomen door alle wezens op de hele wereld een eed te laten afleggen waarin zij beloven Baldr geen kwaad te doen zodat hij tegen al het kwaad beschermd is. Niet alleen mensen, dieren en planten leggen de eed af, ook metaal, stenen, de aarde, gifsoorten, eigenlijk alles wat mogelijk een bedreiging voor Baldrs leven kan vormen, moeten beloven hem geen kwaad te doen. Zodra bekend is dat alles en iedereen de eed heeft afgelegd, hebben Asen er plezier in om op Baldr te schieten en hem te slaan. Baldr komt overal ongeschonden uit en alle goden zijn onder de indruk en blij dat hun geliefde god deze bescherming heeft.

Ook in dit verhaal speelt onruststoker Loki een grote rol. Loki kan het niet verdragen dat Baldr onschendbaar is en wil weten of Baldr geen enkele zwakke plek heeft. Hij verkleedt zich als vrouw en zoekt Frigg op. Loki vertelt Frigg dat de Asen Baldr aan het beschieten en stenigen zijn, maar dat niets hem schijnt te deren. Frigg bevestigt dat elk wapen en elke houtsoort heeft gezworen Baldr geen kwaad te doen. Loki vraagt of echt iedere houtsoort de eed heeft afgelegd en Frigg bekent dat er één jonge maretak is, deze tak groeit ten westen van Valhalla en was te jong om de eed af te leggen.

Loki weet nu wat hij weten moet en verdwijnt meteen om deze maretak te zoeken. Als hij hem gevonden heeft, breekt hij hem af en gaat op zoek naar Baldr. Iedereen is nog steeds op Baldr aan het schieten. Loki ziet Hod, Baldrs blinde broer, langs de kant staan en vraagt waarom hij niet meedoet. Hod zegt dat hij niet meedoet omdat hij geen wapen heeft en ook niet kan zien waar Baldr is.

Loki zegt dat Hod net als de anderen Baldr moet eren en dat hij wel een wapen heeft waarmee hij kan schieten. Hod krijgt de maretak en met behulp van de aanwijzingen van Loki schiet hij. De tak gaat recht door Baldr heen en Baldr valt dood op de grond.

Aangezien Baldr niet eervol op het strijdveld gestorven is, mag hij niet naar Valhalla. In plaats daarvan moet hij naar het dodenrijk van Hel, een van de dochters van Loki. Frigg wil haar zoon laten terugkeren en vraagt wie moedig genoeg is om naar het dodenrijk af te dalen om Hel over te halen Baldr terug te laten keren.

Odins andere zoon Hermod biedt zich aan. Hij maakt de lange rit op Odins achtbenige paard Sleipnir. Hermod rijdt negen nachten door donkere, diepe valleien. Bij de poorten van Hel aangekomen springt Hermod in een keer door de poort heen en gaat de zaal in. Daar ziet hij Baldr op de eretroon zitten. Hermod vraagt Hel of Baldr mag terugkeren naar Asgaard, alle Asen zijn diepbedroefd om de dood van Baldr. Hel zegt dat Baldr op één voorwaarde terug mag: elk levende wezen moet om hem huilen. Als iemand niet huilt, zal zij Baldr bij zich houden. Hermod rijdt terug naar Asgaard en laat boodschappers het nieuws verspreiden. Iedereen die het verhaal hoort, huilt om Baldr te bevrijden. Enkel de reuzin Thokk (Loki in vermomming) weigert een traan te laten waardoor Baldr in het dodenrijk moet blijven.

Baldrs dood blijkt echter niet voor niets: in het Eddagedicht Völuspá voorspelt de zieneres al dat Baldr door zijn broer met een maretak gedood gaat worden. Baldr en zijn broer Hod zullen echter na de ondergang van de wereld in de wereld die dan nieuw ontstaat, als eerste terugkeren, elkaar vergeven en samen in Valhalla wonen.