Kaupang en Dorestad

De Vikingen en de Friezen, Kaupang en Dorestad
Het huidige Nederland is in de 7e eeuw voornamelijk een veenmoeras. De belangrijkste plaatsen liggen vooral langs de kust en in de buurt van kanalen en rivieren. De Rijn en de Lek zijn in deze periode belangrijke handelsroutes. De inwoners van deze streek worden Friezen genoemd. Ze wonen langs de kust tussen het huidige west Vlaanderen en Noord Duitsland: Friesland, Frisia genoemd, dat in die tijd bestaat uit een groep op zichzelf staande ‘eilandjes’. De Friezen staan bekend als uitstekende handelslieden en zeevaarders. Dorestad, het huidige Wijk bij Duurstede, is een belangrijke handelsstad. De stad bestaat uit een grote haven met een paar duizend inwoners. In Dorestad vindt veel handel en ruilhandel plaats, maar er worden ook zilveren en gouden munten ingezet als betaalmiddel. Deze munten zijn later door heel Europa teruggevonden.

In de 8e eeuw wordt Frisia door de Franken veroverd en Karel de Grote lijft Frisia in 785 officieel in tot zijn rijk. Omdat het moerassige kustgebied moeilijk te verdedigen is, raken de Franken Frisia rond 830 weer kwijt aan Deense Vikingen. Vanuit Dorestad beginnen Vikingen plaatsen in de buurt te plunderen, ze vullen hun schepen met kostbare goederen en varen weer terug naar huis. Er is nooit bewijs gevonden dat de Vikingen ook Dorestad zelf hebben geplunderd. In de 9e eeuw raakt Dorestad haar positie als belangrijkste handelsstad kwijt, de oorzaak is onbekend. Het kan zijn dat Utrecht belangrijker is geworden, of dat de loop van de Rijn veranderd is waardoor deze niet meer langs Dorestad loopt. In Nederland zijn overblijfselen van Vikingen gevonden die het bewijs vormen van de handelscontacten tussen Scandinavië en Frisia. De meeste vondsten zijn gedaan in Dorestad. In Noorwegen zijn in Kaupang overblijfselen gevonden die een link met Dorestad suggereren.

Dorestad
Een van de belangrijkste vondsten in Dorestad is de Broche van Dorestad, een rijk gedecoreerde, gouden broche. De broche is gevonden op de bodem van een put en is daar rond 850 terecht gekomen. De broche wordt in verband gebracht met plunderingen door de Vikingen. Verder zijn er armbanden en ringen uit de 8e eeuw en naalden of haarpennen, een zilveren broche met een dierenmotief, een gesp met dierenmotief, een zilveren gesp met dierenmotieven, een spiraal armband met een abstract dierenpatroon en een zilveren schildpadbroche gevonden die alle een link met Scandinavië hebben.

Kaupang
Wat Kaupang interessant maakt in de relatie met Dorestad, is dat de handelswijk in Kaupang op dezelfde wijze is opgezet als in Dorestad het geval was. Langs het vaarwater is een gebied langs een havenweg in regelmatige percelen verdeeld, parallel aan het water. De kavels vertonen qua vorm en grootte grote overeenkomsten met kavels in Dorestad. Kaupang en een aantal vergelijkbare plaatsen (het Deense Ribe aan de westkust van Jutland, Hedeby aan de oostkant van Jutland en Birka in het Zweedse Mälarmeer) zijn rond de achtste eeuw opgekomen, in deze periode waren de Friezen dominant op zee. Mogelijk zijn deze plaatsen als Friese handel kolonies opgezet.
In Kaupang zijn vondsten gedaan die via Dorestad daar terecht zijn gekomen. Zo zijn er bijvoorbeeld glazen kralen uit het middeleeuwse kalifaat, daterend uit de 8e eeuw gevonden. Deze komen weinig voor in het oosten van Noorwegen. Daardoor is het aannemelijk dat ze in Kaupang terecht zijn gekomen via een West-Europese handelsroute.

Er zijn ook Friese aardewerken potten gevonden in Kaupang. Dit aardewerk dateert uit de 9e eeuw. Opvallend is dat zowel in Kaupang als in Dorestad vrijwel geen ‘Hunneschans’ aardewerk gevonden is. Bij ‘Hunneschans’ aardewerk, worden de potten met waterige rode of paarse verf versierd. Dit aardewerk is vanaf de laatste kwart van de 9e eeuw in opmars geraakt en op heel veel plekken in Europa gevonden. Dat het helemaal niet in Kaupang voorkomt is uitzonderlijk en toont aan dat de handel in aardewerk tussen Frisia en Kaupang stopte tussen 860 en 880. De gevonden Friese aardewerken potten zijn als kookpot gebruikt. In Noorwegen wordt er in die tijd vooral gekookt in metalen potten. Dit wijst erop dat de Friezen zich een op een gegeven moment in Kaupang gevestigd hebben.

Dagfinn Skre heeft onderzocht waarom de Friezen naar dit afgelegen, onbekende gebied in Noorwegen zijn gekomen. Hij ontdekt dat ze niet, zoals veel andere buitenlanders, gekomen zijn om goederen te produceren. De Friezen zijn juist gekomen om specifieke producten terug naar Nederland (en het continent) te brengen. Uit de vondsten blijkt dat de Friezen vooral voor het Noorse ijzer zijn gekomen. Dat is door een andere chemische samenstelling veel steviger en minder broos dan het ijzer op het continent, dus er kan veel beter staal van gemaakt worden. Dit Noorse ijzer is vanuit Kaupang naar andere landen geëxporteerd en was erg gewild in de 9e eeuw.

Bron: Skre, Dagfinn. ‘From Dorestad to Kaupang. Frankish Traders and Settlers in a 9th-Century Scandinavian Town.’ Dorestad in an International Framework. 2010. 137–141. Web.

Advertisements

Thorlak, de beschermheilige van IJsland

IJsland is lang onbewoond gebleven. Pas in de 8e en 9e eeuw kwamen de eerste kolonisten aan land. Het grootste deel van de kolonisten was heiden en IJsland was nog grotendeels een heidens gebied in een Europa waar het christendom steeds weider verspreid werd. Een deel van de eerste bewoners was echter afkomstig van de Britse Eilanden, zij waren daar vaak al eerder met het christendom in aanraking gekomen en namen het geloof mee naar IJsland. Zij slaagden er echter niet in om de overige eerste bewoners te bekeren.

Vanaf 980 bezochten verschillende missionarissen IJsland. De eerste was een terugkerende IJslander: Þorvaldr Konráðsson inn víðförli: Thorvald Konradsson de verbereisde. Hij reisde samen met een Saksische bisschop, Fridrek. Þorvaldr bereikte weinig, werd bespot en uiteindelijk gedwongen om IJsland te ontvluchten. Niet lang daarna werd de christelijke Olaf Tryggvason koning van Noorwegen. Hij vond het erg belangrijk om ook IJsland te bekeren.

Veel van zijn pogingen mislukten en de gewelddadige acties van de door hem naar IJsland gestuurde missionarissen, zoals vernielingen van heidense beelden en moord, maakten Tryggvason en het christendom niet populair. Tryggvason werd echter steeds meer vastberaden om IJsland te bekeren. Als laatste redmiddel besloot hij de Noorse havens te sluiten voor IJslandse schepen. IJsland kon nu niet meer handelen met haar belangrijkste handelspartner. Ook gijzelde Tryggvason een paar zonen van IJslandse hoofdmannen en dreigde hen te doden als de IJslanders zich niet zouden bekeren.

De IJslanders wilden koste wat kost de relaties met Noorwegen goed houden en de druk vanuit Noorwegen sterkte de christenen in het land in hun bekeringsdrift. Er dreigde een burgeroorlog uit te breken tussen de heidenen en de christenen. De situatie werd al snel tijdens de jaarlijkse Althing beslecht, er werd tot arbitrage besloten door de volksvertegenwoordiging.

Er werd een bemiddelaar benoemd die zou besluiten of IJsland christelijk zou worden. De goði Þorgeir ljósvetningagoði werd door beide partijen als bemiddelaar geaccepteerd. Hij aanvaardde deze belangrijke taak onder voorwaarde dat iedereen zich bij zijn besluit zou neerleggen. Na zich een dag en nacht teruggetrokken te hebben, besloot hij dat IJsland christelijk werd, mits er een paar uitzonderingswetten zouden blijven gelden, waaronder het eten van paardenvlees (door de paus verboden) en de eeuwenoude praktijk op IJsland om ‘overbodige’ kinderen bloot te stellen aan de elementen om te voorkomen dat het eiland overbevolkt zou raken. Þorgeir, zelf voorheen een heidense priester, gooide vervolgens al zijn heidense godenbeelden in een waterval, sindsdien bekend als de Goðafoss, de Waterval van de goden. Hierna werden alle aanwezigen op de Althing gedoopt. De vreedzame bekering van IJsland en de manier waarop een burgeroorlog werd afgewend illustreert de unieke volksvertegenwoordiging en wetgeving in IJsland.

Het duurde hierna nog ruim honderd jaar voordat IJsland zijn eerste heilige voortbracht. Þórlákr Þórhallsson werd geboren in 1133, werd op zijn tweede tot priester gewijd en in 1178 werd hij bisschop van Skálholt. Hij stichtte daarna het eerste vrouwenklooster in IJsland, hij richtte het klooster in volgens de regels van de heilige Augustinus en werd abt van het klooster. Þórlákr deed zijn best om kerkelijke tucht in het hele land te vestigen. Hij stierf 15 jaar later op 23 december 1193. Hij werd meteen na zijn dood al als heilige vereerd. In de 13e eeuw verschenen de eerste heiligenlevens over Þórlákr. Pas in 1984 werd zijn heilige status officieel en riep Paus Johannes Paulus II hem uit tot nationaal beschermheilige van IJsland.

In de heiligenlevens zijn een aantal wonderen toegeschreven aan Þórlákr. Zo kon hij bijvoorbeeld ziektes genezen. Er wordt verteld over een man, Tjovri, die zo zwaar gewond raakte aan zijn handen dat zijn handen ontstoken en stijf werden en hij zijn vingers niet meer kon strekken. Na 15 jaar riep hij Þórlákr aan en vroeg hem om hem te zegenen en te genezen. Toen hij de volgende ochtend wakker werd, waren zijn handen volledig genezen. Hij liet zijn handen aan alle aanwezigen zien en het Te Deum werd gezongen. Steeds meer mensen hoorden van dit wonder en vroegen Þórlákr zelf ook om hulp, en Þórlákrs gave leek onuitputtelijk: alle wensen werden meteen ingewilligd.

Þórlákr beschikte ook over meer praktische gaven, zo kon hij economische crises afwenden, koeien van arme boeren weer tot leven wekken en gist in bier veranderen. Er bestaat ook een verhaal waarin Þórlákr wordt aangeroepen door een man die zich met zijn scheermes had gesneden en Þórlákr vroeg om de wond te genezen. Ook is een verhaal bekend over een huisvrouw die haar gouden ring kwijt was en ondanks lang en veel zoeken haar ring niet kon terugvinden. Ze riep heilige Þórlákr aan en vond meteen haar ring terug op een plek waar ze vaak had gezocht.

Het is dus begrijpelijk dat Þórlákr erg populair was bij de IJslandse bevolking, zijn gave om gist in bier te veranderen zal daar zeker bij geholpen hebben! En hij is nog steeds niet vergeten: vandaag de dag vieren IJslanders nog altijd op 23 december Þorláksmessa. Dat feest wordt als de aanloop tot Kerstmis gevierd.

Antihelden in de mythologie

In de mythologieën van verschillende landen zijn antihelden (tricksters) te vinden. In de Scandinavische mythologie is Loki de meest bekende. In de Nederlandse mythologie kun je denken aan de vos Reynaert, bij de Kelten zie je in Ierland Briccriu en in Wales Efnisien. Een kenmerk van deze figuren is dat ze enerzijds goddelijke kenmerken en veel macht bezitten, ze zijn ook sluw en slim, maar aan de andere kant worden hun handelingen vaak belachelijk gemaakt en bestraft.

 

Loki wordt in verschillende bronnen genoemd, hij is een complex personage en is niet altijd slecht of een verrader. Er zijn ook verhalen waarin hij andere goden de helpende hand biedt. Loki kan van gedaante wisselen en neemt dan vaak de vorm van een dier aan (zo verschijnt hij als een merrie, een zalm en een zeehond). Of Loki nu goed of slecht is, nadat hij de dood van Baldr veroorzaakt, zijn de andere goden hem niet meer goedgezind.

Een van de bekendste gedichten rondom Loki is Lokasenna (Loki’s ruzie). Dit gedicht gaat over de wedstrijd in beledigingen die Loki met andere goden houdt. Het gedicht begint met Aegir die een feest houdt waar Loki niet voor is uitgenodigd. Loki vraagt een bediende waar de gasten over praten, de bediende meldt dat het over oorlog en vechten gaat en dat niemand iets positiefs over Loki te melden heeft. Loki wordt boos en dreigt naar binnen te gaan en ervoor te zorgen dat hij voor het eind van het feest iedereen tegen elkaar heeft opgezet en de drank (mede) die zij drinken met kwaadaardigheid zal vermengen.

 

Loki gaat vervolgens naar binnen, doet een beroep op de algemene gastvrijheidsregels en vraagt om een stoel en mede. De god Bragi antwoordt dat hij niet welkom is. Loki reageert daarop door Odin te herinneren aan een oude eed die zij gezworen hadden, waarin zij elkaar hadden beloofd samen te zullen drinken. Odin vraagt zijn zoon Vidar om plaats te maken voor Loki, Vidar gehoorzaamt en biedt Loki ook een beker aan. Loki proost vervolgens op de goden, waarbij hij Bragi nadrukkelijk uitsluit. Bragi is de beroerdste niet en biedt Loki een zwaard, een paard en een ring aan om hem tevreden te stellen. Loki is echter uit op onrust stoken en beledigt Bragi door zijn moed in twijfel te trekken. Bragi merkt op dat de gedragscode hem verbiedt om in de hal van Aegir te vechten, maar dat als ze in Asgard waren geweest, niemand hem had kunnen tegenhouden. Bragi’s vrouw probeert Bragi te sussen, wat ervoor zorgt dat Loki zijn beledigingen op haar richt en uiteindelijk iedere god en godin op het feest op zijn of haar tekortkomingen wijst. Dan komt Thor binnen. Hij dreigt Loki te onthoofden met zijn hamer, waarop Loki zegt dat hij de bedreigingen van Thor als enige serieus neemt en de feesthal verlaat.

 

De Lokasenna heeft overeenkomsten met het Ierse verhaal Fled Bricrenn (het feest van Briccriu). In dit verhaal organiseert Briccriu een feest in zijn nieuwe huis voor Conchobar mac Nessa en de helden van Ulster. Briccriu is echter een notoire onruststoker en hij weet dat hij iets zal moeten bedenken om de Ulstermannen op zijn feest te krijgen. De Ulstermannen zullen immers denken dat hij kwaad in de zin heeft en zal proberen ze tegen elkaar op te zetten. Na een aantal bedreigingen weet Briccriu de Ulstermannen zover te krijgen dat ze op zijn feest komen.

Briccriu zou Briccriu niet zijn als hij niet toch de Ulstermannen tegen elkaar op wil zetten. Voordat het feest begint bezoekt hij daarom achtereenvolgens de drie Ierse helden, Cúchulainn, Conall Cernach en Lóegaire Búadach en belooft hen alledrie de curadmír. Dat is de kampioenenportie, in dit geval een geroosterd zwijn, een ketel wijn en honderd in honing gebakken tarwecakes. Tijdens het feest staan de drie helden op en claimen de kampioenenportie, waarna bijna een gevecht tussen hen uitbreekt. Om dit te voorkomen wordt de kampioenenportie verdeeld tussen alle Ulstermannen en wordt er een wedstrijd georganiseerd om te bepalen wie de enige echte held is. De wedstrijd zal op verschillende plekken plaatsvinden en deels gejureerd worden door Ailill en Medb van Connacht en deels door Cú Roí van Munster. Na alle uitdagingen die de moed en vaardigheden van de helden testen, komt Cúchulainn als winnaar uit de bus. Conall Cernach en Lóegaire weigeren dit te accepteren. Cú Roí probeert een beslissing te forceren door zich te vermommen als een barbaar en daagt de helden uit hem te onthoofden en hem de volgende dag toe te staan om de helden op zijn beurt te onthoofden. Het lukt de drie de helden de barbaar te onthoofden. De barbaar pakt zijn hoofd op en loopt weg… De dag erna zijn Conall Cernach en Lóegaire nergens te bekennen, alleen Cúchulainn komt opdagen en strekt zijn nek uit. De barbaar spaart hem, laat zien wie hij werkelijk is en verklaart Cúchulainn tot enige echte held die recht heeft op de kampioenenportie.

 

In beide verhalen lezen we dat de onruststokers het allebei niet kunnen laten om mensen te beledigen en tegen elkaar uit te spelen en dat hun acties grote gevolgen hebben.

Kleding in de vikingtijd

De feestdagen komen er weer aan, voor velen het moment om de mooiste kleding uit de kast te trekken. Wat droegen mensen in de Vikingtijd eigenlijk in Scandinavië? En was het ook in die tijd al belangrijk hoe je gekleed ging?

In de Scandinavische mythen en sagen worden verschillende soorten kleding beschreven. Mensen droegen in deze periode vaak donkere of bruin geverfde kleding van makkelijk te verkrijgen materialen, zoals wol en linnen. In de winter droegen ze mantels van bont.

Kleding van luxe stoffen was een teken van status. Archeologische vondsten laten zien dat de Vikingen zich lieten beïnvloeden door de stoffen die zij aantroffen tijdens verre reizen. Zo zijn in het Osebergschip roodgekleurde stroken van zijde met een ingeweven gouden patroon gevonden. Deze linten komen oorspronkelijk uit Byzantium en het Midden-Oosten en werden waarschijnlijk gebruikt als decoratie op effen wollen kledingstukken. Er zijn ook borduursels gevonden op zijde en wol; de motieven komen waarschijnlijk van de Britse eilanden. Met zijdedraad werden dieren- of plantenmotieven geborduurd op zijden stroken die vervolgens als versiering op kleding werden aangebracht.

Gekleurde kleding wordt ook genoemd in verhalen, niet alleen om status te tonen, maar ook om bepaalde verhaalelementen aan te kondigen, bijvoorbeeld als voorbode van een crisis of andere gevaarlijke gebeurtenis. Een personage wordt ook vaak door zijn vijanden herkend (of herkent zijn vijanden) aan de kleur van zijn kleding.

In oudere saga’s wordt vaak alleen genoemd dat kleding litklæði – lichtgekleurd – is, maar soms wordt ook de kleur specifiek benoemd. Rode kleding wordt bijvoorbeeld vaak gedragen door personages die op reis gaan en door mensen met status, of ijdele mensen die zich, door zich in blauw of rood te kleden, meer status willen aanmeten. Daarnaast wordt blauwe kleding vaak gedragen door hoofdmannen die een gevecht leiden. Bijvoorbeeld in Laxdœla saga waar Þorgill Hölluson een leger leidt tegen Helgi Harðbeinsson.

De schrijvers van de saga’s gebruiken de kleur van kleding ook simpelweg als een manier om personages van elkaar te onderscheiden of herkenbaar te maken. Bekende personages als Gisli in Gísla saga Súrssonar en Hrafnkell in Hrafnkels saga zijn vaak te herkennen aan de kleur van hun kleding; zo draagt Gisli vaak een blauwe mantel en is Hrafnkell tijdens gevechten vaak in het blauw gekleed.

Een specifiek soort blauw kledingstuk wordt gedagen als mensen zich extra mooi willen kleden, een möttul. In Njáls saga wordt beschreven hoe Hallgerðr haar entree maakt op de Alþingi om Glúmr te ontmoeten die om haar hand heeft gevraagd. Hallgerðr leidt een groep vrouwen en is het mooist gekleed, ze ziet er oogverblindend uit in haar blauwe vefjarmöttul, een pachtige, geweven mantel. Naast de blauwe mantel draagt ze tijdens deze belangrijke gebeurtenis ook rood, wat haar status en rijkdom benadrukt. Rood wordt verder vaak gedragen om superioriteit te tonen en respect te krijgen.

Groene kleding wordt weinig genoemd in Oudnoordse verhalen. Wanneer een groen kledingstuk wel wordt beschreven, blijkt in veel gevallen Odin de drager te zijn. In Völsunga saga bijvoorbeeld betreedt een onbekend persoon met groene kleding en maar één oog de hal van koning Völsungr, hij steekt zijn zwaard in de boom die barnstokk heet en meldt dat het zwaard toebehoort aan degene die het zwaard uit de boom kan krijgen. (Dit verhaalelement lijkt overigens verdacht veel op het zwaard in de steen in de verhalen over koning Arthur.)

Naast kleding in de kleuren blauw, rood en groen wordt af en toe ook witte kleding beschreven. Wit wordt, net als groen, niet zo vaak genoemd. Waar het wel voorkomt, wordt witte kleding veelal in verband gebracht met het christendom. In Orkneyinga saga lezen we over graaf Rögnvaldr Kali Kolsson die terugkeert van een reis naar Noorwegen. Hij is gekleed in een wit gewaad met een kap zoals ook monniken dragen. Hij komt een boer tegen die wacht op zijn visgezelschap. Rögnvaldr besluit met de boer te gaan vissen. De boer waarschuwt dat ze ver weg moeten blijven van de gevaarlijke stroming. Rögnvaldr negeert zijn waarschuwing, en ze komen in een woeste stroom terecht waar Rögnvaldr ze wonderbaarlijk genoeg uit kan redden. Veilig keren ze weer terug aan land, waar de boer Rögnvaldr een deel van de gevangen vis aanbiedt. Rögnvaldr neemt de vis aan en geeft alle vis weg aan de arme bevolking.

Zoals we kunnen zien, hechtten de mensen in de Vikingtijd veel waarde aan mooie kleding en een verzorgd uiterlijk. Zeker bij belangrijke gebeurtenissen werd extra aandacht besteed aan kleding en werd vaak gekozen voor opvallende kleuren, gekleurde borduursels en luxe stoffen die afstaken tegen de saaie, ruwe kleding die normaal gesproken gedragen werd.

Exotische Reizen

Exotische reizen 

De Vikingen hebben verre reizen gemaakt; de verhalen over de ontdekking van Amerika en het plunderen en stichten van nederzettingen in Schotland en Engeland zijn bekend. Dat ze ook naar het Heilige Land hebben gereisd en in Byzantium zijn geweest, is minder bekend, maar niet minder interessant.

 

Viking Expansion
Waar zijn de Vikingen allemaal geweest? – The Viking Expansion Door Max Naylor (Own work) [Public domain], via Wikimedia Commons
De Vikingen hadden verschillende redenen om op reis te gaan. Soms was het puur om te handelen of waren ze huursoldaat in een plaats ver weg; andere keren gingen ze op ontdekkingsreis om zich op nieuwe, onbekende (vruchtbaarder) plaatsen te kunnen vestigen, of maakten ze een pelgrimstocht. Vikingen reisden ook om persoonlijke redenen, om bijvoorbeeld zelf kennis te vergaren. Dat zien we in Laxdæla saga, waar Bolli Bollason naar het Zuiden reist omdat hij respectabeler wil worden en meer kennis over de wereld wil opdoen. In Eireks saga gaat Eirek op zoek naar het paradijs en lijkt hij te worden gestuurd door een hogere macht. In andere gevallen is een verre reis het gevolg van een dronken opmerking of een weddenschap die gemaakt wordt tijdens een drinkgelag.

De verre reizen naar het Zuiden, naar Rome, het Heilige Land en Byzantium bijvoorbeeld, zijn goed gedocumenteerd in de saga’s. Het is interessant om te zien dat er bij reizen naar het Zuiden nooit over ontdekkingen gepraat wordt. Dit wijst erop dat de Vikingen bekend waren met de Grieken, de Romeinen en de plaatsen die ze gingen bezoeken, in tegenstelling tot de reizen die ze maakten naar het Noorden. Daar hadden ze nog nooit verhalen over gehoord, dat waren nieuwe, onbewoonde, gebieden (Groenland) of landen met beschavingen die ze niet kenden (Amerika).

De Vikingen gingen meestal naar Byzantium om te werken als huursoldaat of om gewoon uit eigen wil mee te vechten als heldendaad. Soms gingen ze erheen om handel te drijven, maar dat komt veel minder vaak voor. De legers van voornamelijk noorderlingen in Byzantium worden de Varjagen genoemd; hun verhalen worden beschreven in bijvoorbeeld Íslendingasögur en konungasögur. In Hrafnkels saga wordt Þorkell Þjóstarson genoemd, een IJslander die als huursoldaat naar Byzantium reist. Zijn bijnaam is leppr, verwijzend naar de lichtgekleurde lok in zijn kastanjebruine haar. Een andere man, Sámr, komt bij de rivier Øxará een leger mannen tegen dat aangevoerd wordt door een lange, kleurrijk geklede man die een prachtig versierd zwaard draagt. De aanvoerder stelt zichzelf voor als Þorkell en vertelt dat hij de laatste zes jaar in Byzantium onder de keizer gediend heeft. Daarvoor heeft hij een andere reis gemaakt, die vier jaar duurde.

Byzantium wordt beschreven als een keizerrijk vol rijkdom, met een overvloed aan zijde en goud. De reizigers die terugkeerden naar het Noorden namen veel van die rijkdommen mee. Haraldr Sigurðarson keerde terug in een met goud versierd schip met zijden zeilen en gouden kisten (Morkinskinna).

Het Heilige Land was het reisdoel voor pelgrimstochten en kruistochten. De woorden suðrferð en suðrganga betekenen dan ook niet ‘reis naar het zuiden’ maar ‘pelgrimstocht’; suðrferð wordt vaak gebruikt in teksten waarin men op pelgrimstocht naar Jeruzalem gaat, terwijl suðrganga in de meeste gevallen verwijst naar pelgrimstochten naar Rome. Zowel mannen als vrouwen gingen op pelgrimstocht. Een van de oudste bronnen is een runeninscriptie uit Zweden waarin een vrouw, Ingirun, zegt plannen te maken voor een pelgrimstocht.

Reizigers naar het Heilige Land kwamen veelal om te baden in de Jordaan en om relikwieën mee terug te nemen, om zo het christendom te kunnen verspreiden, zoals koning Sigurðr Magnusson, bijnaam Jórsalafari – ‘Jeruzalemganger’ – in Magnússona saga in Heimskringla. Andere reizigers kwamen naar Jeruzalem om heilige plaatsen te bezoeken, zoals Oddr in Örvar Odds saga.

Wat opvalt in saga’s waarin personen op reis gaan, is dat de reis op zichzelf niet of nauwelijks beschreven wordt; alleen dramatische gebeurtenissen die tijdens de reis plaatsvinden of gebeurtenissen op de plaats van bestemming worden beschreven. Er staat dan vaak iets als: ‘Er valt niets over hun reis te vertellen totdat …’ . In moderne reisverhalen is dat wel anders; we zijn juist ook geïnteresseerd in de ervaringen (en ontberingen!) tijdens de reis.

Een uitzondering op deze regel is een IJslandse abt, Nikulás Bergsson. Nikulás maakte een pelgrimstocht naar Rome en Jeruzalem halverwege de 12e eeuw. Hij heeft een reisdagboek bijgehouden dat hij Leiðarvísir noemde, ‘reisgids’, waarin hij op basis van zijn eigen ervaringen en literaire bronnen zijn reis beschrijft. Hij vertelt over de plaatsen die hij bezocht heeft en beschrijft kerken en andere bezienswaardigheden, maar laat ook weten welke afstanden hij heeft afgelegd, welke route hij heeft genomen en wat de reistijd tussen verschillende plaatsen was. Eigenlijk schreef Nikulás in de 12e eeuw dus een van de eerste reisgidsen!

Goden en helden op reis

Goden en helden op reis

Niet alleen de moderne mens reist graag, ook de Oudnoordse mythologie en de saga’s barsten van de reisverhalen. In de saga’s is de belangrijkste en verste reis de reis die Leif Eriksson naar Amerika heeft gemaakt. Dat zal zo rond het jaar 1000 zijn geweest. Zoals in de saga’s ‘Eiríks saga rauða’ en de ‘Grænlendinga saga’ vermeld staat, raakte een koopman na de ontdekking van Groenland in stormachtig weer van zijn koers af en bereikte zo de Amerikaanse oostkust. Hij vertelde Leif Eriksson over zijn ontdekking waarna Leif naar deze gebieden reisde. Omdat hij de winter niet in dit nieuwe land wilde doorbrengen, keerde hij zonder een voet aan wal te zetten terug naar Groenland. Hij had wel gezien dat er veel bossen op dit nieuwe land waren. In Groenland was hout een schaars goed, het nieuwe land werd dus met gejuich ontvangen. Toen Leif Eriksson later uiteindelijk met een groepje mensen aan wal ging, ontdekten ze dat het gebied een heerlijk zacht klimaat had. Er groeiden volop druiven, er waren weidse grasvlaktes, bossen met genoeg wilde dieren en rivieren vol met gigantische zalmen. Vanwege de vele druiven noemde Leif het land ‘Wijnland’. Doordat ze de oorspronkelijke bewoners probeerden uit te buiten, bleven ze uiteindelijk niet lang. De indianen kwamen in opstand tegen de Vikingen en verdreven ze van het continent.

De goden gingen ook graag op pad. Odin reisde graag om kennis te vergaren, maar andere goden, met name Thor, moesten vaak op reis om problemen die Loki had veroorzaakt op te lossen. Bijvoorbeeld in het verhaal over de dood van de reus Geirrød, een aartsvijand van Thor. Als Loki op een dag verkleed als valk rondvliegt in het rijk van Geirrød, wordt hij gevangen genomen door de reus. Nadat hij opgebiecht heeft wie hij is, eist Geirrød dat Loki ervoor zorgt dat Thor naar zijn rijk komt zonder zijn bekende hamer, ijzeren handschoenen en krachtgordel. Loki haalt Thor over en onderweg naar de reus overnachten ze bij een reuzin die vertelt hoe kwaadaardig en listig Geirrød is. Zij leent hun dan haar eigen hamer, handschoenen en krachtgordel. Bij Geirrød aangekomen moet Thor zijn krachten met hem meten. Geirrød gooit een gloeiende sintel naar Thor, maar met de ijzeren handschoen van de reuzin weet hij die te vangen en terug te gooien. De reus springt achter een ijzeren zuil, maar de sintel boort zich dwars door de zuil en de reus heen de grond in.

In de ‘Gylfaginning’ reist Thor wederom samen met Loki, nu naar het rijk van de reus Utgarda Loki. Aan het eind van een lange dag vinden ze een schuur om te overnachten. De boer en zijn familie hebben te weinig eten om iedereen te voeden. Thor biedt aan zijn twee bokken te slachten, als iedereen maar belooft om de botten heel te laten en in het vel terug te leggen. Loki fluistert de zoon van de boer in om toch een bot doormidden te breken en het merg eruit te zuigen. Als Thor de volgende ochtend zijn bokken met een klap van zijn hamer weer tot leven wekt, merkt hij dat een van de dieren lam is. Ter compensatie wordt boerenzoon Thjalfi Thors dienaar en reist met hen mee.

Een halve dag later arriveren ze bij het kasteel. Ze krijgen de poort, een hekwerk, niet open maar weten zich tussen de spijlen door te wringen. Eenmaal binnen lopen ze meteen naar de hal waar de reus een feest houdt voor zijn onderdanen. Als hij de reizigers ziet, zegt hij dat ze pas van zijn gastvrijheid mogen genieten als ze zichzelf hebben bewezen. Een paar moeilijke wedstrijden volgen, de goden winnen ze geen van alle. De volgende dag vraagt Utgarda Loki wat Thor van het bezoek vindt. Thor geeft aan dat hij zich onteerd voelt. Utgarda Loki onthult dan dat alles wat ze beleefd hebben tijdens hun reis en de hele wedstrijd in de burcht een zinsbegoocheling is geweest. Loki heeft een eetwedstrijd gehouden tegen het vuur (‘Logi’), Thjalfi liep hard met de geest (‘Hugi’) van de reus en Thor dronk uit een drinkhoorn waarvan het einde in zee stak, hij probeerde een kat op te tillen die in werkelijkheid de Midgardslang was en hij vocht tegen de ouderdom (‘Elli’). Utgarda Loki bekent onder de indruk te zijn van Thors kracht. Thor is woedend en heft zijn hamer op om de reus te slaan, maar dan blijken reus en burcht ineens verdwenen te zijn en gefrustreerd keert Thor huiswaarts, een onaangename reiservaring rijker.

Has Hnefatafl been introduced in Ireland?

Considering the extensive and intense contact between the Vikings and the people of the British Isles, it is not unlikely that some form of the Old Norse hnefatafl game has been introduced in Ireland. As we’ve seen in my previous post, fidchell seems an unlikely candidate. In the case of Brandub, which means ‘raven black’, however, we do find evidence that it might be a variant of a tafl game.

Extensive evidence concerning hnefatafl can be found in a riddle contest in the Hervarar Saga. The saga has been preserved in six different manuscripts representing three strikingly different versions of the saga. The riddle episode combines riddles in verse with the solutions entirely in prose. According to Turville-Petre the riddles did not all come into existence at the same time as the story of the contest, he argues that the writer who composed the scene collected riddles that were circulating in verse before that time (Turville-Petre 1956: xiv).

Combining four different manuscripts – one from the 14th century called Hauksbók, one from the early 15th century (referred to as R and believed to be the most traditional), two older paper manuscripts from the 17th century (presumably indirect copies of Hauksbók) and a highly corrupt mid-seventeenth century manuscript referred to as U – the entire riddle episode can be recreated (Turville-Petre 1956: xvii-xviii).

The two riddles concerning hnefatafl contain the following information:

(56) Hverjar eru þaer brúðir, er um sinn drottin vápnlausan vega; inar jarpari hlífa um alla daga, en inar fegri fara? Heiðrekr konungr, hyggðu at gátu.

“(…) þat er hnettafl; inar dekkri verja hnefann, en hvítar sækja” (op. cit.: 43).

What women are they, warring together, before their weaponless king, day after day,  the dark guard him, but the fair go forth to attack? King Heiðrekr, solve this riddle!

“(…) this is hnefatafl, the darker ones defend the hnefi, but the white ones attack”.

(59) Hvat er þat dýrja, er drepr fé manna ok er járni kringt útan; horn hefir átta, en höfuð ekki, ok fylgja því margir mjök? (…) .

“Þat er húnn í hnettafli” (op. Cit.: 44-45).

What is that creature that kills men’s flocks and with iron all about it is bound; eight its horns are but head it has none: there are many that move at its side? (…)

“That is the húnn in hnefatafl.

Hauksbók adds to the solution of the second riddle: ‘It has the same name as a bear; it runs as soon as it is thrown.’ The word húnn apparently had two meanings, which is played upon here: ‘bear’s cub’ and possibly ‘die’ or a special piece in the game. The word horn could mean both ‘horn’ and ‘angle’ possibly describing specific places on the board (Tolkien 1960: 38-39, 88-89).

Tolkien also notes that different versions in different manuscripts differ in words and meaning concerning the sentence above (56). Hauksbók and U have vápnlausar meaning the maidens were weaponless instead of killing their weaponless king (Tolkien 1960: 36-38). Here I have used Turville-Petre’s transcription who consistently uses the R-manuscript where possible.

The answers to these riddles pose the question whether a die was used in hnefatafl or if two different games are mentioned in these riddles, which are both referred to as hnefatafl. The word húnn could possibly also simply refer to a specific, special, piece used in the game.

Looking closer at the evidence about brandub, we find an Irish poem from Acallam na Senorach mentioning brandub. This is a late Middle Irish text dated around the end of the twelfth century (Dillon 1970: ix). The poem mentions: “my famed brandub is in the mountain above Leitir Bhroin, five voiceless men of white silver and eight of red gold” (Stokes 1900: i ll. 3949-50). This shows that brandub was probably played with unequal amounts of pieces on either side and a king-piece.

Another poem, Abair riom a Éire ógh attributed to Maoil Eóin Mac Raith, gives another description. Taking into account the meter, language and style, this poem seems to belong to the court poetry from 1200-1640.

A golden branán with his band art thou with thy four provincials; thou, O king of Bregia, on yonder square and a man each side of thee.

The branán plays an important role in this game, as it is made of gold. The word branán  is a common epithet for chief.

Summarizing the evidence, we now know that brandub was played with one branán  and four ‘provincials’ on one side, these are the five white men mentioned in the Acallam na Senorach  poem, and eight red men on the other side. This is consistent with the tafl games.

Archeological evidence might tell us something about the origin of these games and whether they were introduced by the vikings.

In 1932 the Ballinderry gameboard was found. Research shows that this board was manufactured in Dublin and it dates from the 10th century. The board dates to the tenth century. As Dublin was founded by Vikings, the board’s origin implies that it is a Viking artefact. The board was however found in a crannog in Ballinderry. This shows that the board was used by native Irish people.

It is not entirely certain what game was played using this board, brandub is one of the possibilities. MacWhite points out that Brandub would fit perfectly on the Ballinderry board. He proposes that the men should be placed in the shape of an orthogonal cross. The corner cells could then be marked to indicate that men placed here would be safe from capture. In hnefatafl a piece is captured by surrounding it on two opposite sides. Therefore a piece standing in the corner could not be captured (MacWhite 1946: 34).

If brandub was indeed played on the Ballinderry gaming board, it would prove that the Vikings took their games to Ireland and introduced them to the Irish people. Considering the layout of the board, it seems very likely.