Het getal 3 in de Scandinavische mythologie

In bijna alle culturen wordt aan bepaalde getallen symbolische betekenissen toegekend. Deze verschillen in diverse culturen. In Nederland zien we dat terug bij het getal 11, dat veel mensen als het gekkengetal zien. Carnaval begint (dan) ook op de 11e dag van de 11e maand. Het getal 13 zien we collectief als het ongeluksgetal en als de 13e dag van een maand op een vrijdag valt, hebben we helemaal de poppen aan het dansen! Wat maakt getallen zo bijzonder?

Getalstelsels

Er zijn verschillende redenen waarom we bepaalde getallen belangrijk of herkenbaar vinden, zo maken wij gebruik van het tientallig stelsel, dat is terug te herleiden naar onze twee handen met elk 5 vingers.

Niet iedereen maakte echter gebruik van deze handigheid, de Babyloniërs gebruikten een zestigtallig stelsel dat ze van de Sumeriërs hadden geleend. Dat klinkt in eerste instantie heel lastig, maar wij maken daar nu ook nog steeds gebruik van bij onze uren en minuten. Een uur heeft immers 60 minuten en een minuut bestaat uit 60 seconden. Ook gebruiken we het zestigtallig stelsel om cirkels te verdelen in 6 x 60, dus 360 graden. Het getal 60 is een ‘hogelijk samengesteld getal’ dat houdt in dat het getal deelbaar is door meer getallen dan elk kleiner positief getal. 60 is deelbaar door 12 getallen, terwijl 100 slechts deelbaar is door negen getallen. Dit maakt 60 een goed getal om voor tijdsindeling te gebruiken.

Het principe van de cirkel komt ook van de Sumeriërs, zij rondden het aantal dagen in een jaar af op 360 en gebruikten daar het symbool van een cirkel voor. Door de verdeling van jaar en een cirkel in 360 delen schuift de aarde in een dag ongeveer één graad verder in zijn baan om de zon.

Symboliek in het getal 3

Uit dit uitstapje naar getalstelsels blijkt dat wat wij als normaal zien al duizenden jaren bestaat. Ook symbolische betekenissen van getallen kennen vaak een lange geschiedenis, zo vinden we beschrijvingen van getallen in de bijbel, de koran en in verschillende mythologieën. In de Scandinavische mythologie lijkt vooral het getal 3 speciaal. Dit getal komt in veel culturen en teksten terug. In de Griekse mythologie wordt het getal 3 gezien als het toppunt van volmaaktheid. Ook in het Oude en Nieuwe Testament verschijnt het getal 3 regelmatig, denk aan de 3 wijzen uit het Oosten, maar ook als de symbolische voorstelling van de Heilige Drie Eenheid.

Het getal 3 zien we in de Scandinavische mythologie vaak als een drie-eenheid: de wereldboom Yggdrasil heeft 3 wortels, er zijn 3 x 3, werelden, Loki heeft 3 kinderen gekregen van de jötunn (reus) Angrboða: Hel, de wolf Fenrir en de Midgardslang Jörmungandr. Odin heeft nog twee broers, Ville en Ve. En trollen hebben altijd 3, 6 of 9 neuzen!

Ook in verhalen komen groepen van 3 vaak voor. In Gylfaginning gaat Gylfi naar een paleis, daar ziet hij 3 tronen boven elkaar, met 3 mannen erop: De Hoge, Evenhoog en Derde. Er wordt ook verteld dat voor Ragnarök er 3 opeenvolgende strenge winters zullen komen, zonder zomer ertussen. Dit wordt de Fimbulwinter genoemd.

We zien het getal 3 ook gebruikt worden als een magisch getal: zo wordt Loki vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon en worden de ingewanden 3maal om de steen heen gedraaid. Tyr bindt de kaken van Fenrir door het touw er 3 maal omheen te slaan.

In veel mythologieën komen goden of godinnen in een godentriade voor, de 3 Nornen zijn daar een voorbeeld van, net zoals de 3 moedergodinnen Freyja, Frigg en Skaði. In de Keltische mythologie vormt de triade Badb, Macha en Emain de oorlogsgodin die de Mórrígan genoemd wordt. In het oude Egypte hadden verschillende steden een triade, een bekend voorbeeld is de triade van Heliopolis die bestaat uit Osiris, Isis en Horus.

De socioloog Georges Dumézil zag gelijkenissen tussen de godentriaden van vele Indo-Europese culturen. Volgens hem zou Indo-Europese godentrias de 3 maatschappelijke lagen vertegenwoordigen: de heersende klasse, de krijgersklasse en de boerenklasse. In deze theorie passen Odin, Freyr, en Thor, zij worden ook als een triade gezien. Odin is de god van de lucht, dood, poëzie en oorlog, Freyr is de god van de zomer en vruchtbaarheid en Thor is de dondergod en god van verwoesting.

Ik begon dit stuk met het huidige ongeluksgetal 13, ook dat heeft een lange geschiedenis. Als eerste kennen we het ongeluksgetal van het laatste avondmaal, waar Jezus voor het laatst met zijn 12 apostelen aan tafel zit. Ook in de Romeinse tijd lezen we over 13 als een getal dat ongeluk en verwoesting brengt en in de Middeleeuwen wordt verteld dat een heksencoven uit dertien personen bestaat. In de Scandinavische mythologie tenslotte, is Baldr samen met 11 andere goden op een feest. Nadat Loki als dertiende god binnenkomt, loopt het uit de hand: een streek van Loki veroorzaakt de dood van Baldr.

Om de cirkel helemaal rond te krijgen: vrijdag is een ongeluksdag door Goede Vrijdag, toen Jezus werd gekruisigd, daarnaast voerden de Romeinen en later ook de Engelsen doodvonnissen op vrijdag uit. In 1307 werden op vrijdag de 13e alle Tempeliers opgepakt op bevel van Philip de Schone, dit bleek de opmaat voor de uiteindelijke vernietiging van de orde van de Tempeliers. Met recht een ongeluksdag dus.

Antihelden in de mythologie

In de mythologieën van verschillende landen zijn antihelden (tricksters) te vinden. In de Scandinavische mythologie is Loki de meest bekende. In de Nederlandse mythologie kun je denken aan de vos Reynaert, bij de Kelten zie je in Ierland Briccriu en in Wales Efnisien. Een kenmerk van deze figuren is dat ze enerzijds goddelijke kenmerken en veel macht bezitten, ze zijn ook sluw en slim, maar aan de andere kant worden hun handelingen vaak belachelijk gemaakt en bestraft.

 

Loki wordt in verschillende bronnen genoemd, hij is een complex personage en is niet altijd slecht of een verrader. Er zijn ook verhalen waarin hij andere goden de helpende hand biedt. Loki kan van gedaante wisselen en neemt dan vaak de vorm van een dier aan (zo verschijnt hij als een merrie, een zalm en een zeehond). Of Loki nu goed of slecht is, nadat hij de dood van Baldr veroorzaakt, zijn de andere goden hem niet meer goedgezind.

Een van de bekendste gedichten rondom Loki is Lokasenna (Loki’s ruzie). Dit gedicht gaat over de wedstrijd in beledigingen die Loki met andere goden houdt. Het gedicht begint met Aegir die een feest houdt waar Loki niet voor is uitgenodigd. Loki vraagt een bediende waar de gasten over praten, de bediende meldt dat het over oorlog en vechten gaat en dat niemand iets positiefs over Loki te melden heeft. Loki wordt boos en dreigt naar binnen te gaan en ervoor te zorgen dat hij voor het eind van het feest iedereen tegen elkaar heeft opgezet en de drank (mede) die zij drinken met kwaadaardigheid zal vermengen.

 

Loki gaat vervolgens naar binnen, doet een beroep op de algemene gastvrijheidsregels en vraagt om een stoel en mede. De god Bragi antwoordt dat hij niet welkom is. Loki reageert daarop door Odin te herinneren aan een oude eed die zij gezworen hadden, waarin zij elkaar hadden beloofd samen te zullen drinken. Odin vraagt zijn zoon Vidar om plaats te maken voor Loki, Vidar gehoorzaamt en biedt Loki ook een beker aan. Loki proost vervolgens op de goden, waarbij hij Bragi nadrukkelijk uitsluit. Bragi is de beroerdste niet en biedt Loki een zwaard, een paard en een ring aan om hem tevreden te stellen. Loki is echter uit op onrust stoken en beledigt Bragi door zijn moed in twijfel te trekken. Bragi merkt op dat de gedragscode hem verbiedt om in de hal van Aegir te vechten, maar dat als ze in Asgard waren geweest, niemand hem had kunnen tegenhouden. Bragi’s vrouw probeert Bragi te sussen, wat ervoor zorgt dat Loki zijn beledigingen op haar richt en uiteindelijk iedere god en godin op het feest op zijn of haar tekortkomingen wijst. Dan komt Thor binnen. Hij dreigt Loki te onthoofden met zijn hamer, waarop Loki zegt dat hij de bedreigingen van Thor als enige serieus neemt en de feesthal verlaat.

 

De Lokasenna heeft overeenkomsten met het Ierse verhaal Fled Bricrenn (het feest van Briccriu). In dit verhaal organiseert Briccriu een feest in zijn nieuwe huis voor Conchobar mac Nessa en de helden van Ulster. Briccriu is echter een notoire onruststoker en hij weet dat hij iets zal moeten bedenken om de Ulstermannen op zijn feest te krijgen. De Ulstermannen zullen immers denken dat hij kwaad in de zin heeft en zal proberen ze tegen elkaar op te zetten. Na een aantal bedreigingen weet Briccriu de Ulstermannen zover te krijgen dat ze op zijn feest komen.

Briccriu zou Briccriu niet zijn als hij niet toch de Ulstermannen tegen elkaar op wil zetten. Voordat het feest begint bezoekt hij daarom achtereenvolgens de drie Ierse helden, Cúchulainn, Conall Cernach en Lóegaire Búadach en belooft hen alledrie de curadmír. Dat is de kampioenenportie, in dit geval een geroosterd zwijn, een ketel wijn en honderd in honing gebakken tarwecakes. Tijdens het feest staan de drie helden op en claimen de kampioenenportie, waarna bijna een gevecht tussen hen uitbreekt. Om dit te voorkomen wordt de kampioenenportie verdeeld tussen alle Ulstermannen en wordt er een wedstrijd georganiseerd om te bepalen wie de enige echte held is. De wedstrijd zal op verschillende plekken plaatsvinden en deels gejureerd worden door Ailill en Medb van Connacht en deels door Cú Roí van Munster. Na alle uitdagingen die de moed en vaardigheden van de helden testen, komt Cúchulainn als winnaar uit de bus. Conall Cernach en Lóegaire weigeren dit te accepteren. Cú Roí probeert een beslissing te forceren door zich te vermommen als een barbaar en daagt de helden uit hem te onthoofden en hem de volgende dag toe te staan om de helden op zijn beurt te onthoofden. Het lukt de drie de helden de barbaar te onthoofden. De barbaar pakt zijn hoofd op en loopt weg… De dag erna zijn Conall Cernach en Lóegaire nergens te bekennen, alleen Cúchulainn komt opdagen en strekt zijn nek uit. De barbaar spaart hem, laat zien wie hij werkelijk is en verklaart Cúchulainn tot enige echte held die recht heeft op de kampioenenportie.

 

In beide verhalen lezen we dat de onruststokers het allebei niet kunnen laten om mensen te beledigen en tegen elkaar uit te spelen en dat hun acties grote gevolgen hebben.

Goden en helden op reis

Goden en helden op reis

Niet alleen de moderne mens reist graag, ook de Oudnoordse mythologie en de saga’s barsten van de reisverhalen. In de saga’s is de belangrijkste en verste reis de reis die Leif Eriksson naar Amerika heeft gemaakt. Dat zal zo rond het jaar 1000 zijn geweest. Zoals in de saga’s ‘Eiríks saga rauða’ en de ‘Grænlendinga saga’ vermeld staat, raakte een koopman na de ontdekking van Groenland in stormachtig weer van zijn koers af en bereikte zo de Amerikaanse oostkust. Hij vertelde Leif Eriksson over zijn ontdekking waarna Leif naar deze gebieden reisde. Omdat hij de winter niet in dit nieuwe land wilde doorbrengen, keerde hij zonder een voet aan wal te zetten terug naar Groenland. Hij had wel gezien dat er veel bossen op dit nieuwe land waren. In Groenland was hout een schaars goed, het nieuwe land werd dus met gejuich ontvangen. Toen Leif Eriksson later uiteindelijk met een groepje mensen aan wal ging, ontdekten ze dat het gebied een heerlijk zacht klimaat had. Er groeiden volop druiven, er waren weidse grasvlaktes, bossen met genoeg wilde dieren en rivieren vol met gigantische zalmen. Vanwege de vele druiven noemde Leif het land ‘Wijnland’. Doordat ze de oorspronkelijke bewoners probeerden uit te buiten, bleven ze uiteindelijk niet lang. De indianen kwamen in opstand tegen de Vikingen en verdreven ze van het continent.

De goden gingen ook graag op pad. Odin reisde graag om kennis te vergaren, maar andere goden, met name Thor, moesten vaak op reis om problemen die Loki had veroorzaakt op te lossen. Bijvoorbeeld in het verhaal over de dood van de reus Geirrød, een aartsvijand van Thor. Als Loki op een dag verkleed als valk rondvliegt in het rijk van Geirrød, wordt hij gevangen genomen door de reus. Nadat hij opgebiecht heeft wie hij is, eist Geirrød dat Loki ervoor zorgt dat Thor naar zijn rijk komt zonder zijn bekende hamer, ijzeren handschoenen en krachtgordel. Loki haalt Thor over en onderweg naar de reus overnachten ze bij een reuzin die vertelt hoe kwaadaardig en listig Geirrød is. Zij leent hun dan haar eigen hamer, handschoenen en krachtgordel. Bij Geirrød aangekomen moet Thor zijn krachten met hem meten. Geirrød gooit een gloeiende sintel naar Thor, maar met de ijzeren handschoen van de reuzin weet hij die te vangen en terug te gooien. De reus springt achter een ijzeren zuil, maar de sintel boort zich dwars door de zuil en de reus heen de grond in.

In de ‘Gylfaginning’ reist Thor wederom samen met Loki, nu naar het rijk van de reus Utgarda Loki. Aan het eind van een lange dag vinden ze een schuur om te overnachten. De boer en zijn familie hebben te weinig eten om iedereen te voeden. Thor biedt aan zijn twee bokken te slachten, als iedereen maar belooft om de botten heel te laten en in het vel terug te leggen. Loki fluistert de zoon van de boer in om toch een bot doormidden te breken en het merg eruit te zuigen. Als Thor de volgende ochtend zijn bokken met een klap van zijn hamer weer tot leven wekt, merkt hij dat een van de dieren lam is. Ter compensatie wordt boerenzoon Thjalfi Thors dienaar en reist met hen mee.

Een halve dag later arriveren ze bij het kasteel. Ze krijgen de poort, een hekwerk, niet open maar weten zich tussen de spijlen door te wringen. Eenmaal binnen lopen ze meteen naar de hal waar de reus een feest houdt voor zijn onderdanen. Als hij de reizigers ziet, zegt hij dat ze pas van zijn gastvrijheid mogen genieten als ze zichzelf hebben bewezen. Een paar moeilijke wedstrijden volgen, de goden winnen ze geen van alle. De volgende dag vraagt Utgarda Loki wat Thor van het bezoek vindt. Thor geeft aan dat hij zich onteerd voelt. Utgarda Loki onthult dan dat alles wat ze beleefd hebben tijdens hun reis en de hele wedstrijd in de burcht een zinsbegoocheling is geweest. Loki heeft een eetwedstrijd gehouden tegen het vuur (‘Logi’), Thjalfi liep hard met de geest (‘Hugi’) van de reus en Thor dronk uit een drinkhoorn waarvan het einde in zee stak, hij probeerde een kat op te tillen die in werkelijkheid de Midgardslang was en hij vocht tegen de ouderdom (‘Elli’). Utgarda Loki bekent onder de indruk te zijn van Thors kracht. Thor is woedend en heft zijn hamer op om de reus te slaan, maar dan blijken reus en burcht ineens verdwenen te zijn en gefrustreerd keert Thor huiswaarts, een onaangename reiservaring rijker.

Baldr

Baldr

Baldr is de zoon van Odin en Frigg. Hij is getrouwd met Nanna en woont in Breidablik, wat zoveel betekent als ‘wijds uitzicht’. Over Baldr wordt altijd met veel lof gesproken, hij is de meest geliefde god. Van Baldr wordt in ‘Gylfaginning’ gezegd dat hij zo mooi is dat hij straalt. Het plantje Baldrs brá (Matricaria maritima, een kamillesoort) is zo wit dat hij zijn naam dankt aan de vergelijking met Baldr’s wimpers. Er zijn weinig verhalen over Baldr bekend, maar als hij genoemd wordt is dat altijd uitzonderlijk positief. De enige mythe met Baldr als hoofdpersoon gaat over zijn dood, dit is dan wel weer een van de bekendste Scandinavische mythen.

Volgens deze mythe heeft Baldr een reeks voorspellende dromen waarin zijn leven bedreigd wordt. Als hij de andere Asen over zijn dromen vertelt, besluiten zij dit te voorkomen door alle wezens op de hele wereld een eed te laten afleggen waarin zij beloven Baldr geen kwaad te doen zodat hij tegen al het kwaad beschermd is. Niet alleen mensen, dieren en planten leggen de eed af, ook metaal, stenen, de aarde, gifsoorten, eigenlijk alles wat mogelijk een bedreiging voor Baldrs leven kan vormen, moeten beloven hem geen kwaad te doen. Zodra bekend is dat alles en iedereen de eed heeft afgelegd, hebben Asen er plezier in om op Baldr te schieten en hem te slaan. Baldr komt overal ongeschonden uit en alle goden zijn onder de indruk en blij dat hun geliefde god deze bescherming heeft.

Ook in dit verhaal speelt onruststoker Loki een grote rol. Loki kan het niet verdragen dat Baldr onschendbaar is en wil weten of Baldr geen enkele zwakke plek heeft. Hij verkleedt zich als vrouw en zoekt Frigg op. Loki vertelt Frigg dat de Asen Baldr aan het beschieten en stenigen zijn, maar dat niets hem schijnt te deren. Frigg bevestigt dat elk wapen en elke houtsoort heeft gezworen Baldr geen kwaad te doen. Loki vraagt of echt iedere houtsoort de eed heeft afgelegd en Frigg bekent dat er één jonge maretak is, deze tak groeit ten westen van Valhalla en was te jong om de eed af te leggen.

Loki weet nu wat hij weten moet en verdwijnt meteen om deze maretak te zoeken. Als hij hem gevonden heeft, breekt hij hem af en gaat op zoek naar Baldr. Iedereen is nog steeds op Baldr aan het schieten. Loki ziet Hod, Baldrs blinde broer, langs de kant staan en vraagt waarom hij niet meedoet. Hod zegt dat hij niet meedoet omdat hij geen wapen heeft en ook niet kan zien waar Baldr is.

Loki zegt dat Hod net als de anderen Baldr moet eren en dat hij wel een wapen heeft waarmee hij kan schieten. Hod krijgt de maretak en met behulp van de aanwijzingen van Loki schiet hij. De tak gaat recht door Baldr heen en Baldr valt dood op de grond.

Aangezien Baldr niet eervol op het strijdveld gestorven is, mag hij niet naar Valhalla. In plaats daarvan moet hij naar het dodenrijk van Hel, een van de dochters van Loki. Frigg wil haar zoon laten terugkeren en vraagt wie moedig genoeg is om naar het dodenrijk af te dalen om Hel over te halen Baldr terug te laten keren.

Odins andere zoon Hermod biedt zich aan. Hij maakt de lange rit op Odins achtbenige paard Sleipnir. Hermod rijdt negen nachten door donkere, diepe valleien. Bij de poorten van Hel aangekomen springt Hermod in een keer door de poort heen en gaat de zaal in. Daar ziet hij Baldr op de eretroon zitten. Hermod vraagt Hel of Baldr mag terugkeren naar Asgaard, alle Asen zijn diepbedroefd om de dood van Baldr. Hel zegt dat Baldr op één voorwaarde terug mag: elk levende wezen moet om hem huilen. Als iemand niet huilt, zal zij Baldr bij zich houden. Hermod rijdt terug naar Asgaard en laat boodschappers het nieuws verspreiden. Iedereen die het verhaal hoort, huilt om Baldr te bevrijden. Enkel de reuzin Thokk (Loki in vermomming) weigert een traan te laten waardoor Baldr in het dodenrijk moet blijven.

Baldrs dood blijkt echter niet voor niets: in het Eddagedicht Völuspá voorspelt de zieneres al dat Baldr door zijn broer met een maretak gedood gaat worden. Baldr en zijn broer Hod zullen echter na de ondergang van de wereld in de wereld die dan nieuw ontstaat, als eerste terugkeren, elkaar vergeven en samen in Valhalla wonen.

Loki, de god van het vuur

Loki, de god van het vuur

In vrijwel alle godsdiensten is er sprake van een strijd tussen goed en kwaad. In de Scandinavische godenwereld wordt het kwaad verbeeld in de persoon van Loki, de god van het vuur. Hij is een listige onruststoker en kan zich in talloze gedaanten vermommen. Zijn vader was een reus, wat misschien zijn listigheid verklaart. In de Gylfaginning, het eerste deel van de Proza Edda die door Snorri Sturluson is geschreven (zie KL 1-2010), wordt uitgebreid verteld over Loki. Hij wordt onder andere de ‘bron van verraad’ genoemd en er wordt over hem gezegd dat hij ondanks zijn knappe uiterlijk niet te vertrouwen is. Hij veroorzaakt steeds problemen en bedriegt de goden vaak. Maar zoals vaker het geval is, leveren die slechte eigenschappen van Loki mooie verhalen op. Er zijn dan ook talloze mythen overgeleverd waarin Loki een hoofdrol speelt.

Loki is bevriend met Thor, de god van de donder, ze beleven veel avonturen samen. Loki helpt hem ook zijn hamer terug te krijgen als deze gestolen wordt door de reus Thrym. De reus wil de hamer alleen maar teruggeven als hij met vruchtbaarheidsgodin Freya mag trouwen. Daar voelt de laatste echter hoegenaamd niets voor. Loki verzint dan een list: hij laat Thor het magische verenkleed van Freya aantrekken en neemt hem in die vermomming mee naar de reus. Tijdens het feestmaal voeren ze de reuzen dronken en zorgt Loki ervoor dat de vermomde Thor zijn hamer in handen krijgt, waarmee hij alle reuzen doodslaat. De vriendschap met Thor eindigt echter tijdens een banket van de zeegod Ægir. Loki barst tijdens het feest los in een scheldpartij waarin hij alle goden te schande maakt, en terwijl hij hiermee bezig is komt Thor binnen. Thor hoort hem even aan en snoert hem dan de mond.

In Húsdrápa, een gedicht uit de Proza Edda, lezen we hoe Loki Brísingamen, de mooiste halsketting van godin Freya, steelt. Freya schakelt Heimdall, de wachter der goden, in om Brísingamen terug te vinden. Als ze de dief uiteindelijk vinden, blijkt dat Loki te zijn die zich in een zeehond heeft veranderd. Heimdall verandert ook in een zeehond en gaat het gevecht met Loki aan. Na een lange strijd wint Heimdall en geeft hij Brísingamen terug aan Freya.

Loki is getrouwd met Sigyn, met haar heeft hij een zoon, Narfi. Samen met de reuzin Angrboda, ‘onheilbrengster’, heeft hij drie kinderen: de wolf Fenrir, de Midgardslang en Hel, een vrouw met een gezicht dat voor de helft dat van een dode is. Zij worden opgevoed in het reuzenrijk. De Godenwereld komt van hun bestaan te weten en profetiën waarschuwen dat deze kinderen voor ongeluk en kwaadaardigheid zullen zorgen. Odin besluit de Midgardslang in de diepe zee rondom de wereld te gooien. Daar groeit het monster uit tot een enorme slang die in het midden van de oceaan om alle werelddelen heen gekruld ligt en zichzelf in zijn staart bijt. Odin benoemt Hel tot de heerseres van de onderwereld. Fenrir lijkt onschuldig en blijft in Åsgard bij de goden. Hij groeit echter al snel van een lief klein welpje uit tot een afschrikwekkende wolf. De goden beramen een plan om de wolf vast te binden. Na enkele mislukte pogingen maken de goden een heel fijne ketting, Gleipnir genaamd, van zes ingrediënten die niemand vandaag meer kan vinden: de baard van een vrouw, de ademhaling van een vis, de wortels van een berg, het speeksel van een vogel, het geluid van de poten van een kat en de pezen van een beer. Fenrir kan zich niet losmaken van deze ketting en zal zich pas weten te bevrijden als Ragnarok, de eindstrijd, aanbreekt.

Loki wordt zelf ook geketend nadat door zijn toedoen Balder, de lievelingszoon van Odin, is gedood. Loki vlucht na de moord naar de top van een hoge berg en weet zich lange tijd te verbergen, maar wordt uiteindelijk door Thor gevangen. Hij wordt dan naar een grot gebracht en op drie stenen vastgebonden. Boven hem wordt een slang gehangen die gif op zijn gezicht drupt. Sigyn blijft bij Loki om het gif in een schaal op te vangen. Maar als zij weggaat om de schaal te legen drupt het gif wel op Loki’s gezicht, en als dat gebeurt verzet hij zich zo hevig dat de hele aarde beeft. Loki zal pas weer loskomen tijdens Ragnarok, hij zal de machten van het kwaad aanvoeren tegen de goden. Dan zal hij uiteindelijk sterven tijdens een gevecht met Heimdall, die eveneens omkomt, zoals reeds door de zieneres aan Odin was voorspeld.

Freya

Freya

In de vorige afleveringen stonden mannelijke goden centraal, deze keer ga ik het hebben over de belangrijkste vrouwelijke godin in de Scandinavische mythologie: Freya. Freya is de godin van de vruchtbaarheid en liefde. Ze is een van de Wanen, de andere Godenfamilie naast de Asen. Freya is dochter van Njord, de god van de zee, de wind en het vuur. De god Freyr is haar tweelingbroer. Freya is getrouwd met Od en samen met hem heeft zij twee prachtige dochters, Hnoss en Gersemi (beide namen betekenen ‘juweel’). Od is helaas vaak op reis, als hij weg is huilt Freya tranen van rood goud en gaat ze onder verschillende namen naar hem op zoek. Net als Odin heeft ook Freya vele namen: Gefn, Hörn, Mardöll, Sýr, Valfreyja, en Vanadís.

Volgens de ‘Gylfaginning’ is Freya de meest betoverende van alle godinnen. Omdat ze zo ontzettend mooi is, vragen reuzen of goden in ruil voor een dienst om Freya’s hand. Freya is daar uiteraard niet van gediend, en dat levert problemen op als de dienst is verricht en het ‘loon’ wordt opgeëist. Dit is ook het geval in de mythe over de reus die de funderingen van Asgard heeft gebouwd. Hij eist de zon, de maan en de hand van Freya als loon. De listige Loki broedt vervolgens op een plan om de reus in zijn werk te belemmeren. Zoals u in de vorige aflevering kon lezen, kan Loki van gedaante veranderen, deze gave komt hem nu goed van pas: hij besluit zichzelf in een merrie te veranderen. Als merrie verleidt Loki het paard dat de spullen van de reus draagt, hierdoor kan de reus zijn muur om Asgard niet op tijd afmaken. Hij heeft dus geen recht op zijn loon. Uit de romance tussen de merrie (Loki) en het paard wordt volgens de mythen Sleipnir, het achtbenige paard van Odin, geboren.

Freya’s meest gekoesterde bezit is de ketting Brisingamen. Deze ketting is door vier lelijke dwergen gesmeed. Freya wil deze ketting dolgraag hebben en vraagt de dwergen om haar de ketting te geven. De dwergen willen haar deze wel geven als zij met ieder van hen een nacht doorbrengt. Freya kan de schoonheid van de ketting niet weerstaan en geeft uiteindelijk toe, maar spreekt hierna nooit met iemand over de prijs die ze voor haar ketting heeft moeten betalen. Zoals u in de vorige aflevering over Loki heeft kunnen lezen, wordt Brisingamen in het skaldendicht Húsdrápa door Loki gestolen. In Þrymskviða wordt de hamer van Thor gestolen door de reus Þrymr. De reus is bereid de hamer terug te geven in ruil voor de hand van Freya. Freya wordt ontzettend kwaad als ze dit hoort, van woede knapt de ketting van haar hals, wat zullen de andere goden wel niet van haar denken als ze hierop ingaat? Uiteindelijk leent ze Thor haar halsketting zodat hij zich kan voordoen als Freya om zo zelf zijn hamer terug te krijgen.

Loki weet Freya’s schoonheid en begeerlijkheid ook tegen haar te gebruiken: in Lokasenna, waarin verhaald wordt over Loki’s grote scheldpartij tijdens het zeebanket van zeegod Ægir, beschuldigt Loki Freya van ontrouw en noemt hij haar een venijnige heks. Freya’s vader neemt het echter voor haar op door te zeggen dat het echt geen schande is als een vrouw een minnaar heeft.

Naast de meest begeerde godin is Freya ook een strijdlustige dame. Als strijdgodin heeft ze een strijdwagen die door een zwarte en een witte boskat wordt voortgetrokken. In Grímnismál wordt vermeld dat de helft van alle heldhaftige krijgers die de Walkuren voor Odin uitkiezen, voor Freya bestemd zijn. Zij worden naar Folkvang gebracht, dit is de verblijfplaats van Freya.

Freya wordt ook met magie in verband gebracht. Ze bezit een magisch kleed van veren waarmee ze in een vogel kan veranderen. Dit kleed leent zij uit aan Loki zodat hij onherkenbaar kan uitzoeken wie de hamer van Thor gestolen heeft. In het gedicht Hyndluljóð speelt Freya een hoofdrol en zien we ook waartoe ze met haar magische krachten in staat is. Haar beschermeling Ottar wil zijn stamboom achterhalen om zo een weddenschap te kunnen winnen, maar voor deze kennis moet hij naar de reuzin en zieneres Hyndla. Freya verandert Ottar in haar everzwijn Hildisvíni en terwijl Hyndla en Freya naar Walhalla rijden, vertelt Hyndla wat ze weet over Ottars voorouders. Als Hyndla Freya en Ottar wil verlaten, zorgt Freya dat Hyndla door vuur omringd blijft totdat ze een geheugendrankje brouwt zodat Ottar ook in mensenvorm alles wat hij gehoord heeft zal onthouden.

Freya speelt dankzij haar veelzijdigheid een centrale rol in de Scandinavische mythologie en haar naam kom je ook tegenwoordig nog veel tegen, als meisjesnaam of als naam van een firma of (sport)vereniging.

Odin de Oppergod

Odin de Oppergod

Odin is de belangrijkste God in de Scandinavische mythologie. Omdat hij een van de scheppers van de wereld is, wordt hij ook de Alvader genoemd en wordt hij de leider van het godengeslacht de Asen. Hij heeft magische krachten en kan de toekomst voorspellen. In het bekende Eddagedicht Völuspá vertelt een zieneres Odin over het noodlot van de wereld dat door de schikgodinnen, de Nornen, wordt gesponnen. In trance verhaalt ze over het ontstaan van het heelal, het begin van de wereld, de schepping van de dwergen en de mensen. Ook vertelt ze over belangrijke gebeurtenissen in de godenwereld en over de dreigende ondergang van de wereld. Aan het einde van haar voorspelling vertelt ze over de onvermijdelijke ondergang van de goden zelf. Zij zullen ten strijde trekken tegen de oeroude reuzen en het gevecht aangaan met twee boosaardige kinderen van de verraderlijke, onruststokende vuurgod Loki: de wolf Fenrir en de afschrikwekkende Midgardslang. De zon zal uiteindelijk uitdoven en de in duisternis gehulde aarde zal door het laatste vuur verteerd worden. Deze kosmische strijd wordt Ragnarok genoemd. Gelukkig vertelt de zieneres ook over de nieuwe prachtig groene wereld die zal verrijzen uit de eindeloze oerzee.

Odin weet dat Ragnarok onvermijdelijk is en dat alles verloren zal gaan. Hij blijft echter rondreizen op zoek naar wijsheid om dit noodlot te voorkomen. Zijn vele reizen leveren hem de bijnaam Wandelaar op. Hij kan ook van gedaante veranderen, zijn lichaam ligt er dan roerloos bij, maar zijn geest reist dan in de gedaante van een vogel, vis of viervoetig dier naar verre landen om daar zijn zaken te behartigen; dit levert hem de naam de Gemaskerde op.

Odin gaat niet altijd zelf op zoek naar kennis, hij heeft enkele dieren om zich heen verzameld die hem constant van nieuwtjes voorzien. Twee raven, Hugin (gedachte) en Munin (geheugen) genaamd, vliegen iedere ochtend over alle werelden heen. Aan het einde van de dag keren ze terug naar Åsgard, landen op de schouders van Odin en fluisteren het nieuws uit alle verschillende werelden in zijn oren.

Odins hang naar meer kennis is zo sterk dat hij zelfs een van zijn ogen afstaat aan de dwerg Mimir, de bewaker van de bron der wijsheid die onder de Levensboom Yggdrasil zit. Om van deze bron te mogen drinken moet Odin een offer brengen: hij offert een van zijn ogen op dat voortaan op de bodem van de bron ligt. Odin krijgt door dit avontuur ook de naam Eenogige. De opperste wijsheid verkrijgt hij door zichzelf te offeren: hij hangt zichzelf negen dagen op aan de Levensboom. Dit levert hem de wijsheid van de runen op, daarmee krijgt hij de beschikking over de magische natuurkrachten. Aan het eind van de negen dagen vol overpeinzingen en ongemak ontvangt Odin de runen.

Naast de associaties met de schepping en kennis wordt Odin ook geassocieerd met oorlog, strijd en de dood. Op zijn achtbenige paard Sleipnir rijdt hij tussen de rijken van de levenden en van de doden. Zoals het een oppergod betaamt, is Sleipnir het snelste paard van de godenwereld, ook heeft het paard alle 24 runen op de tanden. Odin verschijnt vaak met Sleipnir op het slagveld vergezeld door zijn raven Hugin en Munin en zijn twee wolven Geri en Freki. Bij gevechten kijkt hij niet alleen toe, soms veroorzaakt hij ze. Hij doet dat in sommige gevallen door alleen maar zijn magische speer Gungnir neer te gooien, in andere gevallen stuurt hij zijn mooie Walkuren, vrouwelijke krijgers, om het gevecht zodanig te beïnvloeden dat de uitkomst naar zijn wens is. De Walkuren worden door Odin naar de slagvelden gestuurd om heldhaftigste gestorven krijgers uit te kiezen en mee te nemen naar Walhalla waar ze hun tijd tot aan de eindstrijd vechtend en feestend doorbrengen. Odin wil alleen de dapperste en beste krijgers in Walhalla, met hun hulp hoopt hij de eindstrijd te kunnen winnen.

Odin is een woordkunstenaar, een vaardigheid die hij ook in gevechten gebruikt. Hij kan zo vlot praten dat iedereen die naar hem luistert, ervan overtuigd raakt dat alleen wat hij vertelt de waarheid is. Ook kan hij zijn strijders in een dusdanige staat brengen dat zij zonder harnas als dolle honden of wolven vechten, ze worden sterk als beren en vuur noch ijzer kan ze verwonden. Dit wordt berserkerwoede genoemd. Maar ook kan Odin zijn vijanden beïnvloeden, zodat hun wapens bot worden en zij zelf blind, doof of van angst vervuld raken.

Helaas helpen al zijn kennis, magie, vaardigheden en strijders hem niet als Ragnarok aanbreekt: ook Odin gaat ten onder. Hij wordt gedood door de wolf Fenrir, zoals de zieneres hem had voorspeld.