Thorlak, de beschermheilige van IJsland

IJsland is lang onbewoond gebleven. Pas in de 8e en 9e eeuw kwamen de eerste kolonisten aan land. Het grootste deel van de kolonisten was heiden en IJsland was nog grotendeels een heidens gebied in een Europa waar het christendom steeds weider verspreid werd. Een deel van de eerste bewoners was echter afkomstig van de Britse Eilanden, zij waren daar vaak al eerder met het christendom in aanraking gekomen en namen het geloof mee naar IJsland. Zij slaagden er echter niet in om de overige eerste bewoners te bekeren.

Vanaf 980 bezochten verschillende missionarissen IJsland. De eerste was een terugkerende IJslander: Þorvaldr Konráðsson inn víðförli: Thorvald Konradsson de verbereisde. Hij reisde samen met een Saksische bisschop, Fridrek. Þorvaldr bereikte weinig, werd bespot en uiteindelijk gedwongen om IJsland te ontvluchten. Niet lang daarna werd de christelijke Olaf Tryggvason koning van Noorwegen. Hij vond het erg belangrijk om ook IJsland te bekeren.

Veel van zijn pogingen mislukten en de gewelddadige acties van de door hem naar IJsland gestuurde missionarissen, zoals vernielingen van heidense beelden en moord, maakten Tryggvason en het christendom niet populair. Tryggvason werd echter steeds meer vastberaden om IJsland te bekeren. Als laatste redmiddel besloot hij de Noorse havens te sluiten voor IJslandse schepen. IJsland kon nu niet meer handelen met haar belangrijkste handelspartner. Ook gijzelde Tryggvason een paar zonen van IJslandse hoofdmannen en dreigde hen te doden als de IJslanders zich niet zouden bekeren.

De IJslanders wilden koste wat kost de relaties met Noorwegen goed houden en de druk vanuit Noorwegen sterkte de christenen in het land in hun bekeringsdrift. Er dreigde een burgeroorlog uit te breken tussen de heidenen en de christenen. De situatie werd al snel tijdens de jaarlijkse Althing beslecht, er werd tot arbitrage besloten door de volksvertegenwoordiging.

Er werd een bemiddelaar benoemd die zou besluiten of IJsland christelijk zou worden. De goði Þorgeir ljósvetningagoði werd door beide partijen als bemiddelaar geaccepteerd. Hij aanvaardde deze belangrijke taak onder voorwaarde dat iedereen zich bij zijn besluit zou neerleggen. Na zich een dag en nacht teruggetrokken te hebben, besloot hij dat IJsland christelijk werd, mits er een paar uitzonderingswetten zouden blijven gelden, waaronder het eten van paardenvlees (door de paus verboden) en de eeuwenoude praktijk op IJsland om ‘overbodige’ kinderen bloot te stellen aan de elementen om te voorkomen dat het eiland overbevolkt zou raken. Þorgeir, zelf voorheen een heidense priester, gooide vervolgens al zijn heidense godenbeelden in een waterval, sindsdien bekend als de Goðafoss, de Waterval van de goden. Hierna werden alle aanwezigen op de Althing gedoopt. De vreedzame bekering van IJsland en de manier waarop een burgeroorlog werd afgewend illustreert de unieke volksvertegenwoordiging en wetgeving in IJsland.

Het duurde hierna nog ruim honderd jaar voordat IJsland zijn eerste heilige voortbracht. Þórlákr Þórhallsson werd geboren in 1133, werd op zijn tweede tot priester gewijd en in 1178 werd hij bisschop van Skálholt. Hij stichtte daarna het eerste vrouwenklooster in IJsland, hij richtte het klooster in volgens de regels van de heilige Augustinus en werd abt van het klooster. Þórlákr deed zijn best om kerkelijke tucht in het hele land te vestigen. Hij stierf 15 jaar later op 23 december 1193. Hij werd meteen na zijn dood al als heilige vereerd. In de 13e eeuw verschenen de eerste heiligenlevens over Þórlákr. Pas in 1984 werd zijn heilige status officieel en riep Paus Johannes Paulus II hem uit tot nationaal beschermheilige van IJsland.

In de heiligenlevens zijn een aantal wonderen toegeschreven aan Þórlákr. Zo kon hij bijvoorbeeld ziektes genezen. Er wordt verteld over een man, Tjovri, die zo zwaar gewond raakte aan zijn handen dat zijn handen ontstoken en stijf werden en hij zijn vingers niet meer kon strekken. Na 15 jaar riep hij Þórlákr aan en vroeg hem om hem te zegenen en te genezen. Toen hij de volgende ochtend wakker werd, waren zijn handen volledig genezen. Hij liet zijn handen aan alle aanwezigen zien en het Te Deum werd gezongen. Steeds meer mensen hoorden van dit wonder en vroegen Þórlákr zelf ook om hulp, en Þórlákrs gave leek onuitputtelijk: alle wensen werden meteen ingewilligd.

Þórlákr beschikte ook over meer praktische gaven, zo kon hij economische crises afwenden, koeien van arme boeren weer tot leven wekken en gist in bier veranderen. Er bestaat ook een verhaal waarin Þórlákr wordt aangeroepen door een man die zich met zijn scheermes had gesneden en Þórlákr vroeg om de wond te genezen. Ook is een verhaal bekend over een huisvrouw die haar gouden ring kwijt was en ondanks lang en veel zoeken haar ring niet kon terugvinden. Ze riep heilige Þórlákr aan en vond meteen haar ring terug op een plek waar ze vaak had gezocht.

Het is dus begrijpelijk dat Þórlákr erg populair was bij de IJslandse bevolking, zijn gave om gist in bier te veranderen zal daar zeker bij geholpen hebben! En hij is nog steeds niet vergeten: vandaag de dag vieren IJslanders nog altijd op 23 december Þorláksmessa. Dat feest wordt als de aanloop tot Kerstmis gevierd.

Wetten in Scandinavië

We weten veel over Oudnoorse wetten. Vooral in IJsland zijn veel wetten en wettradities opgeschreven rond 1117-1118. Ook in de saga’s worden wetten en wettelijke procedures veel gebruikt als centrale ijkpunten.

In de 10e eeuw creëerden en ontwikkelden de IJslanders een unieke regeerstructuur, die heel anders was dan in de rest van Europa. Volgens Adam van Bremen waren de IJslanders van mening dat ze geen koning nodig hadden, de wet was bepalend. Er werd een systeem opgezet waarmee door middel van consensus geregeerd werd en waarbij onenigheden werden opgelost door onderhandeling en het sluiten van compromissen. Soms was ook geweld toegestaan om de eer te bewaken van de partijen die een geschil hadden.

IJsland was in die tijd verdeeld in vier districten, ieder district had 9 hoofdmannen die goði (mv. goðar) werden genoemd. Deze hoofdmannen hadden specifieke juridische en administratieve verantwoordelijkheden en stonden dicht bij de goden. De eerste goðar waren waarschijnlijk de leiders van de eerste schepen die naar IJsland kwamen. Het ambt van goði (goðorð genoemd) was in principe overerfelijk, maar kon ook overgedragen en zelfs gedeeld worden tussen personen. Steeds kon echter maar één goði naar de Alþing, de landelijke jaarlijkse bijeenkomst. Je mocht zelf kiezen door welke goði je je liet vertegenwoordigen, en je kon ook van goði wisselen. Je was dus bijvoorbeeld niet gebonden aan de goði die het dichtst bij jou in de buurt woonde, of iets dergelijks. In ruil voor de vertegenwoordiging beloofde jij de goði te zullen bijstaan en (indien nodig) mee te vechten bij ruzies en andere geschillen.

De þing werden jaarlijks door heel Scandinavië georganiseerd om het land / de regio of de clan samen te regeren. Iedereen die niet vogelvrij verklaard was, mocht hierbij aanwezig zijn. Regionale þing werden in de lente gehouden en várþing genoemd. Ze werden voorgezeten door drie goðar en alle aanhangers van deze goðar, de þingmenn, waren verplicht aanwezig. Tijdens de várþing werden regionale geschillen opgelost.

Op IJsland werd de landelijke þing, de Alþing, elk jaar gedurende twee weken eind juni gehouden op þingvellir, een prachtige plek met grotten, rivieren, bronnen en kloven. De eerste Alþing was in 930 en heeft daarna eeuwenlang jaarlijks plaatsgevonden. Tijdens de Alþing werden wetten voorgedragen door de wetspreker, wetten aangenomen door de Raad en werd er rechtgesproken door de vier districtshoven.

Alle 39 goðar waren op de Alþing aanwezig, ze werden ieder vergezeld door minimaal twee adviseurs. Iedereen mocht in principe aanwezig zijn, maar de goðar verplichtten een op de 9 þingmenn om mee te gaan. Kwam je niet, dan moest je een soort belasting betalen om de reiskosten van de anderen te dekken.

De Raad (Lögretta), de goðar en hun adviseurs, kozen iedere drie jaar een wetspreker (lögsögumaður), verantwoordelijk voor verduidelijking en behoud van de wetten. Tijdens elke þing droeg hij een derde van de wetten voor, in die tijd waren de wetten immers nog niet opgeschreven. De wetspreker was daarom de bron van wetskennis. Hij werd ook geconsulteerd bij onduidelijkheden. Om de wetten makkelijker te kunnen onthouden, maakte hij gebruik van alliteratie, rijm en ritme. Na drie jaar waren dus alle wetten voorgedragen. De wetspreker werd als enige betaald voor zijn rol.

De Raad was het wetgevend orgaan van de Alþing, de goðar hadden stemrecht. De Raad maakte nieuwe wetten, wijzigde wetten en bepaalden uitzonderingen voor de wet. Ze mochten ook verdragen sluiten met andere landen.

De vier districtshoven bestonden uit 39 rechters, gekozen en bestuurd door de goði van elk district. Een rechter moest ouder dan 12 jaar zijn, verantwoordelijk zijn voor wat hij zei en een eigen huis hebben. De besluiten moesten vrijwel unaniem genomen worden en dat zorgde soms voor problemen. Daarom werd in de 11e eeuw een vijfde hof aangesteld, als hof van beroep. Als daar een besluit genomen werd, hoefde het alleen door de meerderheid genomen te worden.

Geschillen werden niet alleen door de hoven beslecht, er kon ook door middel van arbitrage een besluit genomen worden. Beide partijen konden er dan voor kiezen om neutrale derden de zaak te laten onderzoeken en een vonnis laten geven. Er kon ook gekozen worden voor een duel. Verder stonden procedures hoog in het vaandel. Als een van de partijen de procedures niet goed had gevolgd, won de andere partij automatisch.

De uitvoering van de straf of de beslissing kon niet door de hoven of de Raad worden afgedwongen, dat was iets tussen de partijen met een geschil. De opgelegde straf bestond vaak uit het compenseren van de geleden schade door de schuldige partij aan de andere partij. In de wet stonden standaard compensaties genoemd, afhankelijk van de schade en de status van beide partijen. De meeste opgelegde straf was echter het vogelvrij verklaren van de schuldige. Een ontzettend zware straf met grote psychologische gevolgen.

De Noorse invloed op de Orkney eilanden

Een 9e eeuwse familiegeschiedenis rond een Noorse edelman en zijn trouwe vazal Mooihaar

De Orkney eilanden hebben een belangrijke rol gespeeld in de Vikingtijd. Vikingen vestigden zich daar en dreven handel. In verschillende bronnen worden Noorse personen genoemd die een belangrijke rol speelden op de Orkney eilanden, dit geeft aan dat Noorwegen er veel invloed had.

In Heimskringla wordt een Noorse graaf, Rognvald van Møre, genoemd. Deze Rognvald knipt het haar van koning Harald nadat deze het 10 jaar had laten groeien. Dat levert Harald zijn bijnaam Hárfagri, ‘schoonhaar’ op. Rognvald gaat samen met koning Harald Hárfagri op expeditie naar de Orkney- en Shetland eilanden om deze te verlossen van Vikingen die Noorwegen, Schotland, Ierland en het eiland Man hadden geplunderd. Tijdens deze tocht wordt Ivarr, de zoon van Rognvald, gedood. Om Rognvald voor zijn verlies te compenseren, krijgt hij de Orkney- en Shetland eilanden van de koning. Rognvald geeft de Orkney eilanden aan zijn broer Sigurd Eysteinsson die door de koning tot graaf wordt benoemd, de eerste graaf van de Orkney eilanden. Het feit dat er een graaf benoemd moest worden, suggereert dat de Orkney eilanden misschien zelfs als een deel van Noorwegen werden gezien.

Sigurd sterft, ondanks zijn belangrijke positie, op een bizarre manier. Volgens Orkneyinga saga daagt hij de hoofdman van de Picten, Máel Brigte ‘met de vooruitstekende voortand’, uit tot een gevecht waarbij ieder 40 man mocht meenemen. Sigurd neemt er 80 mee, tot irritatie van Máel Brigte. Máel Brigte wordt verslagen waarna Sigurd diens hoofd aan zijn zadel vastbindt. Bij het naar huis rijden schampt de tand van Máel het been van Sigurd, de ontstane wond raakt geïnfecteerd en Sigurd sterft.

In de Fragmentary Annals of Ireland lezen we in verband met de Orkney eilanden over Ragnall, een zoon van Halfdan, koning van Lochlann (Noorwegen). De Annals vertellen hoe twee andere zoons van koning Halfdan Ragnall uit Noorwegen verdrijven, omdat ze vrezen dat hij hun het koningschap zal afnemen. Ragnall besluit zich samen met zijn zoon op de Orkney eilanden te vestigen. Er wordt niet specifiek gesproken over het feit dat hij tot graaf wordt benoemd, het is dus niet duidelijk of dit dezelfde persoon is als de eerder genoemde Rognvald. Op de Orkney eilanden is in de grafheuvel Maeshowe een steen met runeninscriptie gevonden die zegt dat Maeshowe “gebouwd is voor Loðbrók”, dit suggereert dat de legendarische Ragnar Loðbrók *) een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de Orkney eilanden en misschien wel dezelfde persoon is als Rognvald.

Maar volgens Orkneyinga saga is Rognvald echter de zoon van Eystein Ivarsson. Rognvald is getrouwd met Ragnhild, ook Hild genoemd, de dochter die sterft bij de expeditie naar de Orkney en Shetland eilanden van Hrólfr Nefja ‘de Neus’. Vóór zijn huwelijk kreeg Rognvald drie zonen bij maîtresses: Hallad, Einarr en Hrollaug. Rognvald en Ragnhild krijgen samen drie zonen, Ivarr, Thorir en Hrólfr. Hrólfr is zo groot dat geen paard hem kan dragen, daarom krijgt hij de bijnaam Ganger Hrólf, ‘Hrólfr de loper’. Hij wordt door de schrijvers van de sages gelijkgesteld aan de legendarische Rollo van Normandië, die in de herfst van 911 het verdrag van Saint-Clair-sur-Epte getekend heeft, samen met koning Carolus Simplex, Karel de Eenvoudige, van Frankrijk. Als onderdeel van het verdrag kreeg Rollo het gebied in leen dat later het hertogdom Normandië zou vormen. In ruil zou hij de toegang tot de Seine verdedigen tegen aanvallen door andere Vikingen.

Na de dood van Rognvalds broer Sigurd, wordt Rognvalds zoon Hallad graaf van de Orkney eilanden. Hallad kan echter niet op tegen de plunderingen en invallen van Deense legers. Hij hangt uiteindelijk zijn graaftitel aan de wilgen en keert terug naar Noorwegen, dit was natuurlijk totaal niet heldhaftig. Hallad werd bespot door de gemeenschap en Rognvald is woedend. Rognvald roept zijn zoons bij elkaar om met behulp van voorspellingen te bepalen wie naar Orkney zal vertrekken. Van Thorir wordt voorspeld dat hij in Noorwegen blijft, Hrollaug moet volgens de voorspellingen zijn heil op IJsland gaan zoeken. Alleen de jongste zoon Einarr blijft over. Moedig biedt hij aan wel naar de Orkney eilanden te willen vertrekken. Dat was niet helemaal volgens het plan van Rognvald. Die reageert namelijk met de woorden: ‘Als we op je afkomst moeten afgaan, je moeder is immers dochter van twee slaven, ben je niet erg geschikt om een leider te worden. Maar ik ben het met je eens: hoe sneller je vertrekt en hoe langer je wegblijft, hoe gelukkiger je me maakt.’ Ondanks dat zijn vader openlijk twijfelt aan zijn capaciteiten, slaagt Einarr erin om de Denen te verslaan. Zijn afstammelingen hebben nog tot eeuwen na zijn dood de dienst uitgemaakt op de Orkney eilanden.

Zoals al eerder uit deze rubriek gebleken is, lijken veel namen in de mythologie en sages of elkaar, waardoor het niet altijd duidelijk is of de verhalen nu telkens over dezelfde persoon gaan. Feit blijft dat in elk geval een familie van Noorse Vikingen een grote invloed heeft gehad op de Orkney – en Shetland eilanden. Tot de 17e eeuw werd er op deze eilanden zelfs een vanuit het Oudnoords ontwikkelde taal gesproken, het Norn. Deze taal deelde veel aspecten met dialecten uit Zuidwest-Noorwegen. Nu nog wordt Oudnoords ceremonieel gebruikt op de Orkney en Shetland eilanden.

*) Ragnar Loðbrók is de hoofdpersoon van de – interessante en behoorlijk historisch correcte – serie Vikings die momenteel op de zender Fox wordt uitgezonden.

Cerball mac Dúnlaige, een Ierse koning duikt op in Oud-noordse verhalen

De Vikingen vielen Ierland voor het eerst binnen rond het jaar 795, bij het eiland Lambay. Gedurende de 40 jaar er na plunderden ze vele kloosters langs de kust. In 837 arriveerden grote konvooien Noorse schepen en stichtten de Vikingen permanente handelsposten en langs de kust de eerste Ierse steden, die begonnen als handelshavens en een steeds grotere invloed uitoefenden op de Ierse economie.

De huidige hoofdstad van Ierland, Dublin, werd in 870 door de Noorse legerleider Olaf de Witte uitgeroepen tot hoofdstad van zijn kolonie. Ondanks dat de Vikingen invloed hebben gehad in Ierland, werden ze niet met open armen ontvangen. De monniken in de kloosters voelden zich bedreigd door de Vikingen en bouwden hoge torens (met een ingang die ver boven de grond lag) om dienst te doen als klokkentoren en, nog belangrijker, uitkijkpost.

In de Vikingtijd was Ierland verdeeld in zeven provincies (Ailech, Airgialla, Connacht, Leinster, Meath, Munster en Ulster) met veel verschillende koningen die streden om de macht. Een van deze koningen was Cerball mac Dúnlaige, koning van Osraige, een koninkrijk dat van de 5e tot 9e eeuw bij Munster hoorde en daarna bij Leinster werd ingelijfd (nu County Kilkenny en het westelijke deel van County Laois).

Cerball wordt genoemd in het Boek van Leinster waarin een lijst van koningen van Osraige wordt vermeld. Van Cerball wordt hierin gezegd dat er geen enkele gemeenschap in Ierland was die weigerde hem iets te geven. In Ierland, dat verdeeld was in vele kleine koninkrijken die elkaar constant in de haren zaten en weigerden zich te verenigen, is dat van Cerball een enorme prestatie!

Cerball komt in 847 in aanraking met de Vikingen als hij de Vikingen van Dublin op een onbekende locatie aanvalt en 1200 van hen ombrengt. Enige tijd later (858) heeft hij volgens de Annalen van Ierland een verbond gesloten met Vikinghoofdman Ímar en samen plunderden zij het gebied van Aradhtíre in het noordwesten van Tipperary. In 859 sluit Amlaíb zich bij hen aan.

Van Amlaíb wordt gezegd dat hij de zoon van de koning van Lochlann (waarschijnlijk Noorwegen) is. Amlaíb was 5 jaar eerder naar Ierland gekomen en was ten tijde van zijn verbond met Cerball de machtigste Vikinghoofdman in Ierland.

Voor zijn verbond met Amlaíb, heeft Cerball ook tegen de Vikingen gevochten. In de Fragmentary Annals of Ireland staat een biografie van Cerball. Hierin lezen we hoe twee vloten Vikingschepen Osraige aanvielen. Er werd een boodschapper naar Cerball gestuurd, die hem dronken aantrof. De volgende ochtend viel Cerball de vloten aan en versloeg ze, zij het met moeite, want de alcohol belemmerde hem in het gevecht. Maar nadat hij had gebraakt, lukte het hem toch om meer dan de helft van het Vikingleger te doden.

Ook in Oud-noordse saga’s duikt Cerball op; hier wordt hij Kjarval genoemd. In Erbyggja Saga wordt verteld dat Kjarvals dochter trouwde met Eyvind ‘de Oosterling’. Zij kregen een beroemde zoon: Helgi ‘de magere’. Helgi trouwde later met een vrouw uit de Noorse kolonie in de Hebriden. Daarna vestigde hij zich in IJsland waar hij een groot stuk land in eigendom nam en dat hij het ‘voorgebergte van Christus’ noemde. Hij was echter nog niet volledig bekeerd tot het Christendom: in tijden van spanning en tijdens zeereizen vroeg hij nog vaak Thor, de god van de donder, om hulp.

In de sages wordt Amlaíb ook vermeld. De relatie tussen Cerball en Amlaíb wordt hierin nog versterkt doordat Amlaíb genoemd wordt als de zwager van Helgi, de schoonzoon van zijn dochter, een indirecte familieband dus. De zoon van Amlaíb trouwt vervolgens met de zus van Helgi (de kleindochter van Cerball), hetgeen de familieband tussen de Ierse koning en de Vikinghoofdman verder versterkt. De kinderen uit dit huwelijk trouwen vervolgens met Vikinghoofdmannen in Orkney, de Faroer eilanden en IJsland.

Kjarval maakte er een gewoonte van om familileden met invloedrijke Vikingleiders te laten trouwen. Of deze verhalen allemaal op waarheid berusten is een andere vraag. Er wordt beweerd dat de Fragmentary Annals of Ireland heel populair was bij de Noors-Ierse bevolking en dat zij de verhalen over de Ierse koningen meegenomen hebben naar IJsland, waar deze heldhaftige koning Cerball nadien is toegevoegd aan de voorouders van de IJslandse bevolking. Hoe het werkelijk is gegaan weet niemand!

Eten in de Vikingtijd

Eten in de Vikingtijd

In de door Snorri Sturluson geschreven verzameling koningssagen Heimskringla (‘De schijf van de wereld’) staat veel waardevolle informatie over het leven 
in de Vikingtijd. De verhalen zijn rond 1225 opgeschreven door Snorri Sturluson en zijn ontstaan in de periode van 850 tot 1177. De verhalen gaan vooral over het liefdesleven en de oorlogen van de Deense leiders van Noorwegen, natuurlijk wordt in die verhalen ook aandacht besteed aan feesten, die net zoals nu gepaard gaan met uitbundig eten en drinken. Hierdoor komen we vrij veel te weten over het eet- en drinkgedrag in de Vikingtijd.

Er werd veel gedronken in de Vikingtijd. Bier en mede (honingwijn) blijken erg populair. In Hákonar saga góða, ‘de 
saga van Hakon de Goede’ wordt verteld over de wetten die koning Hakon heeft opgesteld rondom Yule, het tegenwoordige kerstfeest. Hakon legt de duur van het feest vast in een wet. Bier speelt zelfs in deze wetgeving en de bepaling van de duur van het feest een rol. Voor die tijd was het gebruikelijk dat Yule de drie dagen na de midwinternacht gevierd werd. Hakon veranderde dit, volgens zijn wet moet iedereen, op straffe van een sanctie, van een bepaalde hoeveelheid graan bier brouwen, Yule wordt vervolgens gevierd totdat het bier op is. Het Yule feest wordt ook gevierd door allerlei vee te slachten. Het vlees wordt daarna tot een hartige stoofpot gekookt in ketels boven een groot vuur in het midden van de vloer.

Als het eten klaar is, wordt een aantal bekers over het vuur heen aan het stamhoofd gegeven, deze bekers worden gezegend en dan leeggegooid. De eerste beker die wordt leeggegooid is voor Odin en staat voor overwinning en macht
 voor de koning. De bekers erna zijn voor Njord en Freya, ze worden leeggegooid om vrede en een goede oogst te bewerkstelligen, daarna werd de zogenoemde ‘beloftebeker’ leeggegooid en uiteindelijk gooiden de gasten een ‘herinneringsbeker’ leeg als herinnering aan overleden vrienden. Er wordt over gedebatteerd of de bekers gedronken werden of echt leeggegooid werden. Het lijkt goed mogelijk dat toen ook al op iemand gedronken werd, net zoals nu, als vorm van respect.

In Saga Ólafs Tryggvasonar lezen we dat er, voor de gezondheid, ook melk gedronken werd. Er wordt verteld over de moedige koning Ogvald, hij blijkt altijd een koe bij zich te hebben en hij brengt vele offers aan deze koe. Haar melk drinkt hij om gezond te blijven.

Het eten dat in de saga’s het meest voorkomt is vlees en haring. De term vlees is natuurlijk vrij algemeen, uit de saga’s
 in Heimskringla kunnen we vaststellen wat de meest gegeten soorten vlees zijn. Het meest worden de woorden voor vee, koe, stier en kalf genoemd, daarna varken, speenvarken en spek. Ook schaap en geit worden genoemd. Rundvlees wordt gezien als een goed stuk vlees, in Saga Ólafs Tryggvasonar bekijkt een man de bereidingen van een maaltijd voor de koning, hij vindt dat er slecht vlees wordt gebruikt en biedt twee grote, vette stukken rundvlees aan.

Het eten van paard en hond wordt ook beschreven; dit voedsel wordt dan meestal door boosaardige heidenen gedaan. Rendier wordt verrassend weinig als voedingsmiddel genoemd, hoewel we ervan uit kunnen gaan dat dit veel gegeten werd. Misschien was dit vlees in die tijdte gewoontjes om op feesten te serveren. Kip wordt helemaal niet genoemd.

Er worden ook verschillende vissoorten genoemd; zoals gezegd wordt haring het meest genoemd, meestal in combinatie met zout. Zout en haring waren onlosmakelijk met elkaar verbonden, zo lezen we in Ólafs saga helga dat de koning de export van zout en haring van Viken naar Gautland verbiedt. De mensen daar konden niet zonder deze voedingsmiddelen.

Granen, brood en honing worden ook genoemd. Het zal niemand verbazen dat graan en honing veelal voorkomen als ingrediënten voor bier en mede. Brood wordt genoemd als voedsel dat meegenomen wordt op schepen en het wordt vaak aan koningen geserveerd. Honing blijkt in zijn pure vorm ook waardevol te zijn, het wordt in de saga’s genoemd als inzet bij een weddenschap waar de winnaar twee manden honing krijgt.

Kruiden en groente worden weinig genoemd. Kruiden worden als medicijn genoemd en als smaakmaker voor, jawel, mede. Wat betreft groente lezen we alleen over prei in Ólafs saga helga, helaas niet in de gezellige context van een feest, in dit geval wordt er op een slagveld gekookt. Na het gevecht komen meisjes het veld
 op om de gewonde mannen te verzorgen. De meisjes koken een potje van prei en kruiden en geven dit aan gewonde krijgers om zo te kunnen ruiken of een wond door de buikwand heengegaan is. Als je de prei kon ruiken was het mis.

Boter wordt gezien als een waardevol, misschien zelfs luxe, product in Ólafs saga Helga; hier lezen we over een nieuwe wet van koning Svein. Met Yule moet iedere man als belasting aan de koning een hoeveelheid mout van ieder geoogst veld betalen, samen met het been van een driejarige os en een emmer boter.

Kaas wordt ook in Heimskringla genoemd, van de vermelding in Haralds saga Sigurðarsonar leren we dat voedsel niet alleen nuttig is om te eten. De dochters van Thorlek Geysa laten zien dat kaas ook heel goed voor andere doelen gebruikt kan worden. De meisjes maken de koning belachelijk door kaas in de vorm van ankers te snijden, deze ankers waren namelijk goed genoeg voor de schepen van de Noorse koning. De meisjes worden hier natuurlijk voor gestraft. Voor ons, in de moderne tijd, is het leuk om te weten dat ook in de Vikingtijd kinderen al met hun eten speelden.

Exotische Reizen

Exotische reizen 

De Vikingen hebben verre reizen gemaakt; de verhalen over de ontdekking van Amerika en het plunderen en stichten van nederzettingen in Schotland en Engeland zijn bekend. Dat ze ook naar het Heilige Land hebben gereisd en in Byzantium zijn geweest, is minder bekend, maar niet minder interessant.

 

Viking Expansion
Waar zijn de Vikingen allemaal geweest? – The Viking Expansion Door Max Naylor (Own work) [Public domain], via Wikimedia Commons
De Vikingen hadden verschillende redenen om op reis te gaan. Soms was het puur om te handelen of waren ze huursoldaat in een plaats ver weg; andere keren gingen ze op ontdekkingsreis om zich op nieuwe, onbekende (vruchtbaarder) plaatsen te kunnen vestigen, of maakten ze een pelgrimstocht. Vikingen reisden ook om persoonlijke redenen, om bijvoorbeeld zelf kennis te vergaren. Dat zien we in Laxdæla saga, waar Bolli Bollason naar het Zuiden reist omdat hij respectabeler wil worden en meer kennis over de wereld wil opdoen. In Eireks saga gaat Eirek op zoek naar het paradijs en lijkt hij te worden gestuurd door een hogere macht. In andere gevallen is een verre reis het gevolg van een dronken opmerking of een weddenschap die gemaakt wordt tijdens een drinkgelag.

De verre reizen naar het Zuiden, naar Rome, het Heilige Land en Byzantium bijvoorbeeld, zijn goed gedocumenteerd in de saga’s. Het is interessant om te zien dat er bij reizen naar het Zuiden nooit over ontdekkingen gepraat wordt. Dit wijst erop dat de Vikingen bekend waren met de Grieken, de Romeinen en de plaatsen die ze gingen bezoeken, in tegenstelling tot de reizen die ze maakten naar het Noorden. Daar hadden ze nog nooit verhalen over gehoord, dat waren nieuwe, onbewoonde, gebieden (Groenland) of landen met beschavingen die ze niet kenden (Amerika).

De Vikingen gingen meestal naar Byzantium om te werken als huursoldaat of om gewoon uit eigen wil mee te vechten als heldendaad. Soms gingen ze erheen om handel te drijven, maar dat komt veel minder vaak voor. De legers van voornamelijk noorderlingen in Byzantium worden de Varjagen genoemd; hun verhalen worden beschreven in bijvoorbeeld Íslendingasögur en konungasögur. In Hrafnkels saga wordt Þorkell Þjóstarson genoemd, een IJslander die als huursoldaat naar Byzantium reist. Zijn bijnaam is leppr, verwijzend naar de lichtgekleurde lok in zijn kastanjebruine haar. Een andere man, Sámr, komt bij de rivier Øxará een leger mannen tegen dat aangevoerd wordt door een lange, kleurrijk geklede man die een prachtig versierd zwaard draagt. De aanvoerder stelt zichzelf voor als Þorkell en vertelt dat hij de laatste zes jaar in Byzantium onder de keizer gediend heeft. Daarvoor heeft hij een andere reis gemaakt, die vier jaar duurde.

Byzantium wordt beschreven als een keizerrijk vol rijkdom, met een overvloed aan zijde en goud. De reizigers die terugkeerden naar het Noorden namen veel van die rijkdommen mee. Haraldr Sigurðarson keerde terug in een met goud versierd schip met zijden zeilen en gouden kisten (Morkinskinna).

Het Heilige Land was het reisdoel voor pelgrimstochten en kruistochten. De woorden suðrferð en suðrganga betekenen dan ook niet ‘reis naar het zuiden’ maar ‘pelgrimstocht’; suðrferð wordt vaak gebruikt in teksten waarin men op pelgrimstocht naar Jeruzalem gaat, terwijl suðrganga in de meeste gevallen verwijst naar pelgrimstochten naar Rome. Zowel mannen als vrouwen gingen op pelgrimstocht. Een van de oudste bronnen is een runeninscriptie uit Zweden waarin een vrouw, Ingirun, zegt plannen te maken voor een pelgrimstocht.

Reizigers naar het Heilige Land kwamen veelal om te baden in de Jordaan en om relikwieën mee terug te nemen, om zo het christendom te kunnen verspreiden, zoals koning Sigurðr Magnusson, bijnaam Jórsalafari – ‘Jeruzalemganger’ – in Magnússona saga in Heimskringla. Andere reizigers kwamen naar Jeruzalem om heilige plaatsen te bezoeken, zoals Oddr in Örvar Odds saga.

Wat opvalt in saga’s waarin personen op reis gaan, is dat de reis op zichzelf niet of nauwelijks beschreven wordt; alleen dramatische gebeurtenissen die tijdens de reis plaatsvinden of gebeurtenissen op de plaats van bestemming worden beschreven. Er staat dan vaak iets als: ‘Er valt niets over hun reis te vertellen totdat …’ . In moderne reisverhalen is dat wel anders; we zijn juist ook geïnteresseerd in de ervaringen (en ontberingen!) tijdens de reis.

Een uitzondering op deze regel is een IJslandse abt, Nikulás Bergsson. Nikulás maakte een pelgrimstocht naar Rome en Jeruzalem halverwege de 12e eeuw. Hij heeft een reisdagboek bijgehouden dat hij Leiðarvísir noemde, ‘reisgids’, waarin hij op basis van zijn eigen ervaringen en literaire bronnen zijn reis beschrijft. Hij vertelt over de plaatsen die hij bezocht heeft en beschrijft kerken en andere bezienswaardigheden, maar laat ook weten welke afstanden hij heeft afgelegd, welke route hij heeft genomen en wat de reistijd tussen verschillende plaatsen was. Eigenlijk schreef Nikulás in de 12e eeuw dus een van de eerste reisgidsen!

Berserkers

Berserkers

Als je aan een vikingkrijger denkt, zal misschien als eerste het beeld van een woest in zijn schild bijtende krijger in je opkomen. Die allesoverheersende woede was een van de vaardigheden van Odin om gevechten te winnen. Volgens een passage in Heimskringla is Odin in staat zijn vijanden in het gevecht blind, doof of bang te maken en hij maakt hun zwaarden zo bot dat ze er niet veel meer mee kunnen uitrichten dan met stokken. Odins mannen gaan het gevecht aan zonder maliënkolders en ze zijn woest als honden of wolven, bijten in hun schilden en ze zijn zo sterk als beren of stieren. Ze doden vele mensen, en vuur noch ijzer kan hen deren. Dit wordt berserkergang genoemd.

Berserkers worden al in vroege literaire bronnen met wolven en beren in verband gebracht en bedekken zich met huiden van deze dieren en hebben namen met de elementen ulf of bjørn. Er wordt zelfs gesuggereerd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Ze vechten in groepen en er worden zware eisen gesteld aan krijgers die mee willen vechten. In Grettir’s Saga wordt verteld dat Grettir, een aspirant berserker, aan Bjorn, de leider van de berserkers, zijn kracht moet bewijzen door zijn mantel uit het hol van een beer te halen. Het lukt Grettir om de beer te doden en zijn mantel terug te pakken.

Over de berserkergang wordt geschreven dat het begint met klappertanden, rillen en een koud gevoel in het lichaam. Daarna zwelt het gezicht op en verandert het van kleur en wordt het hoofd ontzettend heet. Uiteindelijk uit de berserkergang zich in een ontembare woede waarbij de krijgers als wilde dieren huilen en over een bovenmenselijke kracht beschikken.

Berserkers worden in de sagas ook vaak beschreven als reuzen of trollen, omdat ze zo vreselijk lelijk zijn. In Orvar Odds saga wordt een berserker beschreven met zwart haar, waarvan een dikke lok zijn gezicht volledig bedekte zodat alleen zijn tanden en ogen zichtbaar waren. In Egils saga is de berserker Egil aanwezig bij een feest aan het hof van de Engelse koning Æþelstan. Egil wordt beschreven met zwarte ogen en doorlopende zware wenkbrauwen. Hij weigert tijdens zijn bezoek drank aan te nemen en blijft zijn wenkbrauwen steeds om en om optrekken. De koning vindt dat Egil zulke lelijke gezichten trekt dat hij hem uiteindelijk een gouden ring aanbiedt zodat hij ermee stopt.

De berserker en de berserkergang heeft een parallel in de Ierse mythologie waarin de zogenoemde ‘krijgerswoede’ zich bij de held CúChulain nog gruwelijker uit: Hij rilt over zijn hele lichaam waarna zijn lichaam naar achteren beginnen te buigen. Zijn knieën, kuiten en hielen verschuiven naar achteren en de spieren in zijn nek steken uit als bulten. Een oog dringt zich terug in zijn hoofd en de andere steekt uit tot over zijn wang. Zijn mond rekt uit tot aan zijn oren en het schuim stroomt uit zijn kaken. Zijn hartslagen klinken als een grote metalen drum en zijn haar staat in plukken scherp als speren overeind met aan elk uiteinde een vlam.

De berserkergang wordt in sommige gevallen “opgewekt” doordat de krijgers zich bedekken met wolven- of berenhuiden maar het kan ook spontaan optreden zoals in Egils saga. Hier wordt verteld over Skalla Grimr die zo opgewonden wordt van een langdurig balspel dat hij een jonge man doodt en zijn zoon aanvalt. Dit maakt ook duidelijk dat een man onder invloed van berserkergang geen onderscheid meer maakt tussen zijn familie en vijanden.

Als de krijgers uit de berserkergang komen, zijn ze veel zwakker dan normaal. In Egils saga wordt dit ook beschreven. Over Ulf, een gepensioneerde berserker, wordt gezegd dat hij nadat hij uit zijn berserkergang kwam zo moe en zwak was dat hij naar bed moest gaan. Helden maken gretig gebruik van deze zwakte in sagas en verslaan berserkers als ze uitgeteld en zwak van een gevecht terugkomen.

Van de berserkers wordt ook gezegd dat ze van gedaante kunnen veranderen. Nu verwijst het woord berserk waarschijnlijk naar de berenvellen die deze krijgers droegen. De oudste vermelding is in Haraldskvæði (‘Het lied van Harald Mooihaar’), waar berserkers worden omschreven als bloeddorstige krijgers, bedekt met wolvenhuiden en met speren die rood zijn van het bloed. Er is ook meer tastbaar bewijs overgeleverd: we zien ze met maskers en dierenvellen afgebeeld op een tapijt dat in de Oseberg grafheuvel samen met het beroemde Vikingschip gevonden is.