Eten in de Vikingtijd

Eten in de Vikingtijd

In de door Snorri Sturluson geschreven verzameling koningssagen Heimskringla (‘De schijf van de wereld’) staat veel waardevolle informatie over het leven 
in de Vikingtijd. De verhalen zijn rond 1225 opgeschreven door Snorri Sturluson en zijn ontstaan in de periode van 850 tot 1177. De verhalen gaan vooral over het liefdesleven en de oorlogen van de Deense leiders van Noorwegen, natuurlijk wordt in die verhalen ook aandacht besteed aan feesten, die net zoals nu gepaard gaan met uitbundig eten en drinken. Hierdoor komen we vrij veel te weten over het eet- en drinkgedrag in de Vikingtijd.

Er werd veel gedronken in de Vikingtijd. Bier en mede (honingwijn) blijken erg populair. In Hákonar saga góða, ‘de 
saga van Hakon de Goede’ wordt verteld over de wetten die koning Hakon heeft opgesteld rondom Yule, het tegenwoordige kerstfeest. Hakon legt de duur van het feest vast in een wet. Bier speelt zelfs in deze wetgeving en de bepaling van de duur van het feest een rol. Voor die tijd was het gebruikelijk dat Yule de drie dagen na de midwinternacht gevierd werd. Hakon veranderde dit, volgens zijn wet moet iedereen, op straffe van een sanctie, van een bepaalde hoeveelheid graan bier brouwen, Yule wordt vervolgens gevierd totdat het bier op is. Het Yule feest wordt ook gevierd door allerlei vee te slachten. Het vlees wordt daarna tot een hartige stoofpot gekookt in ketels boven een groot vuur in het midden van de vloer.

Als het eten klaar is, wordt een aantal bekers over het vuur heen aan het stamhoofd gegeven, deze bekers worden gezegend en dan leeggegooid. De eerste beker die wordt leeggegooid is voor Odin en staat voor overwinning en macht
 voor de koning. De bekers erna zijn voor Njord en Freya, ze worden leeggegooid om vrede en een goede oogst te bewerkstelligen, daarna werd de zogenoemde ‘beloftebeker’ leeggegooid en uiteindelijk gooiden de gasten een ‘herinneringsbeker’ leeg als herinnering aan overleden vrienden. Er wordt over gedebatteerd of de bekers gedronken werden of echt leeggegooid werden. Het lijkt goed mogelijk dat toen ook al op iemand gedronken werd, net zoals nu, als vorm van respect.

In Saga Ólafs Tryggvasonar lezen we dat er, voor de gezondheid, ook melk gedronken werd. Er wordt verteld over de moedige koning Ogvald, hij blijkt altijd een koe bij zich te hebben en hij brengt vele offers aan deze koe. Haar melk drinkt hij om gezond te blijven.

Het eten dat in de saga’s het meest voorkomt is vlees en haring. De term vlees is natuurlijk vrij algemeen, uit de saga’s
 in Heimskringla kunnen we vaststellen wat de meest gegeten soorten vlees zijn. Het meest worden de woorden voor vee, koe, stier en kalf genoemd, daarna varken, speenvarken en spek. Ook schaap en geit worden genoemd. Rundvlees wordt gezien als een goed stuk vlees, in Saga Ólafs Tryggvasonar bekijkt een man de bereidingen van een maaltijd voor de koning, hij vindt dat er slecht vlees wordt gebruikt en biedt twee grote, vette stukken rundvlees aan.

Het eten van paard en hond wordt ook beschreven; dit voedsel wordt dan meestal door boosaardige heidenen gedaan. Rendier wordt verrassend weinig als voedingsmiddel genoemd, hoewel we ervan uit kunnen gaan dat dit veel gegeten werd. Misschien was dit vlees in die tijdte gewoontjes om op feesten te serveren. Kip wordt helemaal niet genoemd.

Er worden ook verschillende vissoorten genoemd; zoals gezegd wordt haring het meest genoemd, meestal in combinatie met zout. Zout en haring waren onlosmakelijk met elkaar verbonden, zo lezen we in Ólafs saga helga dat de koning de export van zout en haring van Viken naar Gautland verbiedt. De mensen daar konden niet zonder deze voedingsmiddelen.

Granen, brood en honing worden ook genoemd. Het zal niemand verbazen dat graan en honing veelal voorkomen als ingrediënten voor bier en mede. Brood wordt genoemd als voedsel dat meegenomen wordt op schepen en het wordt vaak aan koningen geserveerd. Honing blijkt in zijn pure vorm ook waardevol te zijn, het wordt in de saga’s genoemd als inzet bij een weddenschap waar de winnaar twee manden honing krijgt.

Kruiden en groente worden weinig genoemd. Kruiden worden als medicijn genoemd en als smaakmaker voor, jawel, mede. Wat betreft groente lezen we alleen over prei in Ólafs saga helga, helaas niet in de gezellige context van een feest, in dit geval wordt er op een slagveld gekookt. Na het gevecht komen meisjes het veld
 op om de gewonde mannen te verzorgen. De meisjes koken een potje van prei en kruiden en geven dit aan gewonde krijgers om zo te kunnen ruiken of een wond door de buikwand heengegaan is. Als je de prei kon ruiken was het mis.

Boter wordt gezien als een waardevol, misschien zelfs luxe, product in Ólafs saga Helga; hier lezen we over een nieuwe wet van koning Svein. Met Yule moet iedere man als belasting aan de koning een hoeveelheid mout van ieder geoogst veld betalen, samen met het been van een driejarige os en een emmer boter.

Kaas wordt ook in Heimskringla genoemd, van de vermelding in Haralds saga Sigurðarsonar leren we dat voedsel niet alleen nuttig is om te eten. De dochters van Thorlek Geysa laten zien dat kaas ook heel goed voor andere doelen gebruikt kan worden. De meisjes maken de koning belachelijk door kaas in de vorm van ankers te snijden, deze ankers waren namelijk goed genoeg voor de schepen van de Noorse koning. De meisjes worden hier natuurlijk voor gestraft. Voor ons, in de moderne tijd, is het leuk om te weten dat ook in de Vikingtijd kinderen al met hun eten speelden.

Recensie: Edda – Marcel Otten

Edda

Edda is de naam van een verzameling literaire en mythologische werken uit het middeleeuwse IJsland. De oudste is de Poëtische Edda of Lied-Edda, deze is bewaard gebleven in een 14e eeuws manuscript, de Codex Regius. De Lied Edda bevat 29 liederen of gedichten, deze gedichten gaan over goden en helden. Naast de Lied Edda is de zogenaamde Proza-Edda overgeleverd, deze wordt ook wel de Jongere Edda genoemd. Van deze Proza-Edda is eind vorig jaar de eerste Nederlandse vertaling verschenen. De vertaler is Marcel Otten, hij heeft in 1994 ook al de Lied Edda vertaald en is dus goed bekend met de materie.

De Proza-Edda is door Snorri Sturluson in de 13e eeuw samengesteld omdat hij na de kerstening de traditionele dichtkunst wilde behoeden voor de ondergang. Het boek is bedoeld als een handleiding en naslagwerk voor IJslandse dichters, zogenoemde skalden; zij beschikten hiermee over een overzicht van mythologische begrippen en verklaringen die zij in hun gedichten konden gebruiken. Snorri’s handleiding bestaat, naast een proloog over het ontstaan van het geloof in goden, uit drie hoofddelen:
– de zogenaamde Gylfaginning, ‘de begoocheling van Gylfi’, over de wereld van de oudnoordse goden, het scheppingsverhaal en de ondergang;
– het tweede deel heet de Skáldskaparmál, ‘de taal van de dichtkunst’, dit bespreekt de taal van de dichtkunst;
– het laatste deel, de Háttatal, ‘de lijst van versvormen’, behandelt versvormen en rijmschema’s.
Om ons beeld van de oudnoordse mythologie compleet te maken heeft Marcel Otten ook een fragment uit Heimskringla, ‘De schijf van de wereld’, in deze vertaling opgenomen.

Deze eerste Nederlandse vertaling van Snorri’s werk is een omvangrijke publicatie geworden. Voor geïnteresseerden is het een prachtig en compleet naslagwerk omdat de vertaler naast de Proza Edda ook enkele andere verhalen ter verduidelijking van de oudnoordse mythologie heeft opgenomen. Dat maakt het boek zeer toegankelijk. Omdat het bedoeld is als een handboek voor de skald, zijn sommige delen wat langdradig om te lezen. Vooral Skáldskaparmál bevat pagina’s lang enkel kenningen, een soort metaforen, voor begrippen, goden en dingen. Het is dan ook niet zozeer een boek om van begin tot eind te lezen, het is beter als een soort encyclopedie te gebruiken. Het is bij uitstek geschikt om als hulpmiddel bij de hand te hebben bij het lezen van de Lied-Edda of om informatie, of bijnamen, over goden op te zoeken.

Als kritiekpuntje wil ik opmerken dat Marcel Otten in deze vertaling veel namen vertaald heeft, wat hij vaker doet. In de inleiding geeft hij hier als verklaring voor dat hij ‘altijd het intuïtieve gevoel heeft gehad dat de namen van goden, reuzen, dwergen etc. een betekenis moeten hebben gehad voor de middeleeuwer die met die namen geconfronteerd werd.’ Hier is veel voor te zeggen, alleen vergeet Otten hierbij volgens mij, dat deze (vertaalde) namen voor moderne mensen in de huidige maatschappij niet hetzelfde gevoel of dezelfde betekenis oproepen als voor de mensen in de middeleeuwen. Ik denk zelf dat handhaving van de oorspronkelijke namen, met een vertaling in het register bijvoorbeeld, beter zou werken en minder gekunsteld zou aanvoelen. Daarnaast geven de kenningen, die zoals u elders in deze KL kunt lezen, te pas en te onpas in de mythologie gebruikt worden en allemaal in dit boek staan, toch al genoeg informatie over de betekenis van de naam.

Al met al is deze eerste Nederlandse vertaling een succes te noemen. Door de goede inleiding, de uitgebreide noten, een genealogie, het register en de compleetheid door extra toegevoegde verhalen is dit voor liefhebbers van de Scandinavische mythologie een fantastisch boek om in de kast te hebben staan, en ook een boek waar je vaak op terug zult vallen bij het zoeken naar informatie.

    • Naschrift:

Snorri Sturluson: Edda

    , vertaald door Marcel Otten, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2011

Runen

De Runen

Tegenwoordig vinden we op wc-deuren nog wel eens de woorden ‘Laura was hier’ of ‘Emma is verliefd op Thijs’. Dit is niet alleen iets van onze tijd. Ook in de Vikingtijd worden er boodschappen in hout, op voorwerpen of in muren gekrast. De oude Scandinaviërs gebruiken hier het runenalfabet voor. Het runenschrift, ook futhark genoemd naar de eerste zes tekens, is ontstaan in de Romeinse tijd, toen de Latijnse letters door heel Europa waren verspreid. Een aantal runentekens lijkt ook erg op tekens in ons eigen alfabet. De oudste inscripties stammen uit circa 200 na Chr. Oorspronkelijk heeft het runenalfabet 24 tekens, dit schrift wordt het oude futhark genoemd. Aan het begin van de Vikingtijd wordt het aantal tekens teruggebracht naar 16. Sommige tekens krijgen verschillende betekenissen; de rune voor de letter ‘u’ wordt bijvoorbeeld gebruikt voor u, o, y, ø en w. Als rond de 11e eeuw het christendom naar Scandinavië komt, wordt het Latijnse schrift steeds meer gebruikt. Runen worden echter nog tot de 15e eeuw gebruikt voor korte boodschappen. In die periode wordt het schrift ook verder uitgebreid, zodat elk karakter correspondeert met een letter in het Latijnse alfabet.

In de mythologie duiken de runen op in verband met toekomstvoorspellingen en wijsheid. Zo hangt Odin zichzelf negen dagen lang op aan de wereldboom Yggdrasil. Door zichzelf op deze manier te offeren krijgt Odin de wijsheid van de runen. In de Edda worden de runen als reginkunnr, ‘afstammend van de goden’, aangeduid. De normale mens gebruikt de runen echter voor minder verheven zaken. Op allerlei gebruiksvoorwerpen zijn boodschappen achtergelaten; de objecten variëren van juwelen (ringen of broches) tot gespen van riemen en wapens. Vaak geeft de inscriptie simpelweg aan wie de eigenaar van het object is of wie de runen erop gezet heeft. Ook zijn er inscripties op (graf)stenen gevonden. Een beroemd voorbeeld is de steen die bij de Eggja-boerderij in Sogndal is gevonden. De steen wordt gedateerd op 650-700 na Chr. De inscriptie op de grafsteen is erg lang en het is nog steeds niet zeker wat er nu precies op staat. De steen lijkt een spreuk voor bescherming van het graf te bevatten en een beschrijving van een begrafenisritueel.

Om korte berichten naar elkaar te sturen, vergelijkbaar met hoe wij nu sms’jes sturen, worden boodschappen in stokjes gekrast die door een bode naar de andere persoon worden gebracht. Op die stokjes worden bijvoorbeeld liefdesverklaringen gekerfd, zoals dit bericht dat in Bergen gevonden is: ‘Ik hou zoveel van de vrouw van die man, dat vuur koud aanvoelt voor mij. En ik ben de minnaar van die vrouw.’ Een ander stokje dat in Bergen gevonden is, meldt simpelweg: ‘Gylda zegt dat je thuis moet komen’ en weer een ander (van de ontvanger van de vorige boodschap misschien?) meldt ‘Ik zou willen dat ik vaker naar de kroeg kon.’ In de staafkerk van Lom is een stokje met een uitgebreide inscriptie gevonden uit 1200-1400: ‘Håvard zendt Guny Gods zegen en zijn vriendschap. En nu is het mijn volledige en complete wens om je om je hand te vragen, als je niet met Kolbein wil zijn. Overdenk je verwachtingen van het huwelijk en laat me weten wat je wenst.’

In de muren van staafkerken zijn veel namen van heiligen, God, Maria en het woord ‘kerk’ of teksten in het Latijn in runen gevonden. In de Hopperstad- staafkerk in Vik zijn daarnaast ook uitgebreidere teksten in het Oudnoords gevonden als: ‘Vandaag is de dag voor Palmzondag. Moge de Heer de man bijstaan die deze runen gekerfd heeft evenals hij die deze runen leest’.

Runeninscripties hebben zich met de Vikingen verspreid. Er zijn inscripties in Rusland en zelfs Bosnië gevonden, maar voornamelijk in Groot Brittannië en op de Orkney Eilanden. De grootste collectie runeninscripties en graffiti is door de Vikingen achtergelaten in Maes Howe (Orkney), een prehistorische grafheuvel met een bekamerde tombe. In een van de ruim 33 inscripties vertellen ze wat ze er in de 12e eeuw komen doen: ‘Kruisvaarders hebben in Maes Howe ingebroken. De kok van Graaf Lif heeft deze runen gekerfd. Een grote schat is verstopt in het noordwesten. Lang geleden is de schat hier verstopt. Blij is hij die deze grote schat zal vinden. Alleen Hakon heeft een schat van deze grafheuvel gebracht. Simon Sirith.’

Ook in Nederland (voornamelijk in Friesland) zijn korte runeninscripties gevonden. Er zijn voorwerpen met namen erop gevonden en een kam met het woord ‘kam’. Daarnaast is er in 1996 een zwaardschede met inscriptie gevonden in Bergakker. Dit is vermoedelijk een Frankische inscriptie uit 425-450. Deze inscriptie laat zien dat de runen door verschillende bevolkingsgroepen gebruikt werden. De runen die op de zwaardschede staan, behoren op één na tot het oudste futhark. De tekst wordt als volgt geïnterpreteerd: ‘(van) Haþuþȳw. Ik(hij?) gun(t) een vlam (zwaard) aan de uitverkorenen’. Er wordt gesuggereerd dat dit de alleroudste Nederlandse zin is. Dan zou de oudste Nederlandse zin dus in runen geschreven zijn!